Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5999Zaaknummer C/02/447922 / JE RK 26-793
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/447922 / JE RK 26-793
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlenging machtiging uithuisplaatsing tot einde ondertoezichtstelling.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 juni 2026 tot 5 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447922 / JE RK 26-793
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils jeugdzorg & reclassering,
hierna te noemen de GI,
wonende in Rotterdam,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
advocaat mr. K.R.E. Blanken uit Utrecht,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. S. Süzen uit Rotterdam.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, van 23 april 2026;
- de beschikking van rechtbank Rotterdam van 28 april 2026;
- het stelbericht van mr. Oversluizen van 15 mei 2026;
- het stelbericht van mr. Blanken van 28 mei 2026;
- de brief met bijlagen van mr. Blanken van 3 juni 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 4 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk;
- mr. G. Arslan, waarnemend voor mr. Süzen;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
Hoewel correct opgeroepen is de vader niet verschenen.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige]. De vader heeft [minderjarige] in Italië erkend.
Bij beschikking van 12 september 2025 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, met ingang van 12 september 2025 tot 12 december 2025. Bij diezelfde beschikking is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend, met ingang van 12 september 2025 tot 12 oktober 2025.
Bij beschikking van 18 september 2025 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 12 december 2025. Bij diezelfde beschikking is de GI Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond vervangen door de huidige GI.
De kinderrechter van de rechtbank Rotterdam heeft bij beschikking van 5 december 2025 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI van 5 december 2025 tot 5 december 2026. Daarbij heeft hij de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 5 juni 2026.
Bij voormelde beschikking van 28 april 2026 heeft de rechtbank Rotterdam het verzoekschrift van de GI doorverwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
3 Het verzoek
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek, kort samengevat, onder meer het volgende aangevoerd.
Bij de ouders is er geen sprake van een stabiele (woon)situatie waar de veiligheid en de basisbehoeften van [minderjarige] gewaarborgd kunnen worden. Op het moment dat [minderjarige] uit huis werd geplaatst was een plaatsing in een moeder-kindhuis geen optie omdat er eerst zicht moest komen op de relatie tussen de ouders. De moeder zat op dat moment in hechtenis vanwege een verdenking van het steken van de vader met een mes. De GI geeft aan dat er geen sprake kan zijn van een thuisplaatsing van [minderjarige] zolang er sprake is van een relatie tussen de ouders, aangezien er veel fysieke en verbale agressie binnen hun relatie heeft plaatsgevonden, ook in het bijzijn van [minderjarige].
De GI heeft begrepen dat de relatie tussen de ouders inmiddels is verbroken. De moeder verblijft ergens in [plaats], waarvan het adres niet met de GI gedeeld mag worden. De vader is een aantal weken geleden naar het buitenland vertrokken, zodat er de laatste drie à vier weken geen omgang tussen hem en [minderjarige] heeft plaatsgevonden. De ouders zijn de omgangsregeling niet altijd nagekomen of zijn te laat verschenen op de omgang. De laatste tijd gaat het goed met de omgang met moeder. Zij heeft gevraagd om een uitgebreidere omgang. Wanneer de omgangsregeling voor een langere periode goed wordt nagekomen, kan er worden gekeken naar een uitbreiding hiervan.
Verder is het belangrijk dat de ouders meewerken aan noodzakelijke zorg voor [minderjarige]. Zij hebben geen toestemming gegeven voor een doorverwijzing naar een kinderarts. Deze verwijzing is het dringende advies van de consultatiebureau arts, omdat [minderjarige] onvoldoende eet en weinig drinkt. Daarnaast is hij licht voor zijn leeftijd en lengte. De ouders leggen de verantwoordelijkheid voor de huidige situatie voornamelijk bij de GI.
Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige] is een stabiele, voorspelbare en veilige opvoedsituatie essentieel voor een gezonde hechtingsontwikkeling. Binnen het pleeggezin wordt hierin voorzien. [minderjarige] laat hier een positieve cognitieve en emotionele ontwikkeling zien. Op dit moment is het perspectief van [minderjarige] nog niet duidelijk. Het pleeggezin heeft aangegeven dat hij voorlopig nog bij hen kan blijven totdat het perspectief duidelijk is.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat er bij [minderjarige] sprake is van een groeiachterstand. Zij acht de GI hier verantwoordelijk voor omdat [minderjarige] in september 2025 plotseling uit huis werd geplaatst, terwijl hij op dat moment pas vijf maanden oud was en volledig afhankelijk van borstvoeding. De moeder vraagt al sinds januari 2026 om een doorverwijzing naar een kinderarts. Zij heeft nooit de medische dossiers of verslagen toegezonden gekregen van de jeugdbeschermers. De moeder erkent dat [minderjarige] op dit moment niet bij haar geplaatst kan worden, gelet op haar persoonlijke omstandigheden. Zij verzet zich dan ook niet tegen een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Er is nog geen duidelijkheid over haar verblijfsvergunning en over haar woonsituatie. Zij is hard bezig haar leven op orde te krijgen en heeft recent een baan gevonden. De GI heeft de verplichting om toe te werken naar een thuisplaatsing. De moeder is bereid om mee te werken met de GI zodat [minderjarige] weer bij haar geplaatst kan worden. Zij vindt het belangrijk dat er gekeken wordt naar de Colombiaanse roots van [minderjarige]. Hij zou Colombiaanse gerechten moeten eten. De moeder heeft tijdens de zitting aangegeven dat zij geen enkele relatie meer heeft met de vader.
De vader is niet verschenen op de zitting. Zijn advocaat heeft toegelicht dat de vader op dit moment in het buitenland is om allerlei zaken voor [minderjarige] te regelen zodat hij in Nederland erkend kan worden. Het is de advocaat niet bekend of er nog sprake is van een relatie tussen partijen. De vader vindt het belangrijk dat er wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing van [minderjarige]. Dit is in het belang van [minderjarige]. Partijen werken er hard aan om de situatie te stabiliseren, zodat een thuisplaatsing mogelijk is.
5 De beoordeling
Relatieve bevoegdheid
Bij beschikking van 28 april 2026 heeft de rechtbank Rotterdam zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen. Het verzoek is, ingevolge artikel 270, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) doorverwezen naar de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Gelet op het bepaalde in artikel 270, lid 3, tweede volzin Rv is de rechtbank aan deze verwijzing gebonden en zal zij het verzoek inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
In artikel 1:265b lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is, kort gezegd, bepaald dat de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige kan verlenen als dat in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk is.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing steeds verlengen met een jaar.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
[minderjarige] kan op dit moment niet bij de ouders wonen. Er zijn nog steeds te veel zorgen over de (woon)situatie van de ouders. Zij beschikken beiden niet over een geschikte woonruimte en zij kunnen [minderjarige] op dit moment geen stabiliteit en veiligheid bieden. Het gaat goed met [minderjarige] in het pleeggezin. Hij is energiek en vrolijk. Wel zijn er zorgen over het gewicht van [minderjarige]. Hij zit tegen ondergewicht aan en is een slechte eter. Het consultatiebureau wil hem doorsturen naar een kinderarts in het ziekenhuis. Hiervoor hebben de ouders tot op heden nog geen toestemming gegeven. Tijdens de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij deze toestemming zeker zal geven omdat ook zij zich zorgen maakt over het gewicht van [minderjarige]. De moeder begrijpt dat [minderjarige] op dit moment niet bij haar kan wonen. Zij wil er alles aan doen om een terugplaatsing mogelijk te maken. In dat kader is het belangrijk dat de moeder de omgangsregeling met [minderjarige] goed na blijft komen, zodat er duidelijkheid en voorspelbaarheid voor [minderjarige] ontstaat. De GI heeft toegezegd dat er naar uitbreiding van de omgangsmomenten kan worden gekeken wanneer de moeder langere tijd laat zien dat zij de omgangsregeling na kan komen.
Al het voorgaande in overweging nemende is de kinderrechter van oordeel dat een terugkeer van [minderjarige] naar de ouders nog steeds niet verantwoord is. De kinderrechter zal daarom het (onweersproken) verzoek van de GI toewijzen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verlengen voor de verzochte duur.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 5 juni 2026 tot 5 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Beijsterveldt als griffier, en op schrift gesteld op 12 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.