Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5995Zaaknummer C/02/406675/ FA RK 23-863

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
5 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/406675/ FA RK 23-863
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek vaststelling zorgregeling. Voorlopige zorgregeling en aanhouding voor de duur van negen maanden.

De rechtbank

5.1

bepaalt dat er tussen de man en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling geldt, inhoudende dat [minderjarige] en de man in een cyclus van vier weken:

- in week 1 op woensdagmiddag contact hebben in het gezinshuis;

- in week 2 op woensdagavond een videobelmoment hebben;

- in week 3 op woensdagavond een videobelmoment hebben;

- in week 3 van vrijdagmiddag direct uit school/ [hulpverlening] tot zaterdagavond uiterlijk 17:00 uur contact hebben bij de man thuis;

- in week 4 op woensdagmiddag contact hebben in het gezinshuis;

- waarbij onder regie van de gezinshuisouders en de casusregisseur wordt toegewerkt naar deze voorlopige zorgregeling en vervolgens onder regie van de casusregisseur en de gezinshuisouders wordt bezien of de voorlopige zorgregeling verder kan worden uitgebreid naar de door de man gewenste zorgregeling, te weten één weekend per twee weken;

5.2

houdt de beslissing op het verzoek met betrekking tot de definitieve zorgregeling aan tot 4 december 2026 PRO FORMA;

5.3

behoudt zich iedere verdere beslissing voor

Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het nadere procesverloop
  2. 2 De nadere beoordeling
  3. 3 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Middelburg

Zaaknummer: C/02/406675/ FA RK 23-863

datum uitspraak: 4 juni 2026

nadere beschikking over de zorgregeling

in de zaak van

[de man],

hierna: de man,

wonende in [plaats],

advocaat: mr. M. Kalle in Middelburg,

tegen

[de vrouw],

hierna: de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J.J. Bronsveld in Bergen op Zoom.

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2021, hierna: [minderjarige].

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het nadere procesverloop

1.1

In het dossier zitten de volgende stukken:

- de tussenbeschikking van deze rechtbank van 23 mei 2023;

- het e-mailbericht van Kind in Scheiding Zeeland, ontvangen op 22 juni 2023;

- het e-mailbericht van Kind in Scheiding Zeeland, ontvangen op 6 december 2023;

- het e-mailbericht van Kind in Scheiding Zeeland, ontvangen op 14 februari 2024;

- het e-mailbericht van Kind in Scheiding Zeeland, ontvangen op 29 augustus 2024;

- het e-mailbericht van Kind in Scheiding Zeeland, ontvangen op 9 september 2024;

- het F9-formulier van mr. Kalle van 10 februari 2025;

- het e-mailbericht van Kind in Scheiding Zeeland, ontvangen op 5 maart 2025;

- het e-mailbericht met bijlage van Kind in Scheiding Zeeland, ontvangen op 13 mei 2025;

- het e-mailbericht van de Raad, ontvangen op 14 mei 2025;

- het e-mailbericht van de Raad, ontvangen op 8 oktober 2025;

- het e-mailbericht van de Raad, ontvangen op 10 november 2025;

- het F9-formulier van mr. Kalle van 28 januari 2026;

- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 2 februari 2026;

- het F9-formulier van mr. Bronsveld van 5 mei 2026;

- het F9-formulier met bijlagen van mr. Bronsveld van 5 mei 2026.

1.2

Het verzoek is mondeling behandeld op 21 mei 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.

2 De nadere beoordeling

2.1

De rechtbank verwijst naar de tussenbeschikking van 23 mei 2023. In deze beschikking is het verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag afgewezen en is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepaald. Tevens is een informatieregeling bepaald waarbij partijen elkaar eens per maand telefonisch informeren en consulteren omtrent de gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [minderjarige]. Daarnaast zijn partijen en hun minderjarige kind voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Zeeland. Omdat partijen en hun kind in de gelegenheid werden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject, heeft de rechtbank niet beslist op het verzoek met betrekking tot de zorgregeling. De beslissing daarover is aangehouden voor de duur van negen maanden.

2.2

Bij e-mailbericht van 13 mei 2025 van Kind in Scheiding Zeeland is aangegeven dat de gestelde doelen van het Uniform Hulpaanbod bij Kind in Scheiding Zeeland niet of deels zijn behaald. Uit de rapportage volgt dat [minderjarige] contact heeft met beide ouders en met beide ouders en hun netwerk een relatie kan opbouwen. Er is een zorgregeling waarbij [minderjarige] om de week bij de man is van vrijdag uit de opvang tot zondagavond. Het lukt partijen met behulp van het netwerk om afspraken te maken over het praktische gedeelte zoals halen en brengen van [minderjarige] en er is ruimte voor de man om een extra dag met [minderjarige] door te brengen. Ook maken partijen meer en beter gebruik van hun netwerk om zaken rondom en voor [minderjarige] te regelen. De heftige strijd en afwijzing die er bij de start van het hulpverleningstraject was, is verminderd. Partijen werken beter samen en zij hebben allebei een opvoedingssituatie gecreëerd die voor [minderjarige] goed genoeg is. Echter zijn niet alle doelen van het traject behaald doordat partijen beperkt gemotiveerd zijn voor hulpverlening. Het inzicht van partijen in de psychologische gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] is nog beperkt en ook de onderlinge communicatie is een lastig punt voor partijen. Partijen zijn nog te veel gericht op het veranderen van de ander, vinden het moeilijk om te reflecteren op eigen gedrag en behoeftes en zij hebben moeite om het belang van [minderjarige] voorop te zetten. De zorgen van Kind in Scheiding Zeeland zijn dan ook dat er weliswaar een zorgregeling is die wordt nagekomen, maar dat sprake is van een fragiel evenwicht dat goed gaat zolang beide partijen zich houden aan de gemaakte afspraken en zolang het netwerk invloed heeft. Ook zijn er zorgen dat [minderjarige] in de opvoedsituatie van de vrouw zelfbepalend is, niet altijd luistert en druk is. Hierdoor is de draagkracht van de vrouw beperkt en is de draaglast groot. Kind in Scheiding Zeeland benoemt als werkpunten dat partijen aan zichzelf dienen te werken met betrekking tot de onderlinge communicatie en adviseert de zorgregeling zoals die in het ouderschapsplan is opgenomen vast te leggen in een beschikking.

2.3

Uit de screening van de Raad van 20 mei 2025 volgt dat de Raad de fysieke veiligheid van [minderjarige] als voldoende inschat, maar dat er wel zorgen zijn over de sociaal-emotionele ontwikkeling van [minderjarige]. Er zijn tijdens en na de relatie van partijen namelijk ruzies geweest, waar [minderjarige] getuige van is geweest, en ondanks intensieve hulpverlening is er nog altijd onrust en wantrouwen tussen partijen als opvoeders. Daarnaast lijkt er, volgens de reactie van de vrouw op de rapportage van Kind in Scheiding Zeeland, momenteel geen contact te zijn tussen [minderjarige] en de man. De Raad is van mening dat de interventie Ouderschap in Overleg het meest passend is zodat partijen een laatste mogelijkheid krijgen om als ouders zelf een zorgregeling overeen te komen.

2.4

Uit het e-mailbericht van de Raad van 8 oktober 2025 blijkt dat de interventie Ouderschap in Overleg niet is geslaagd. Om die reden start de Raad een onderzoek naar de zorgregeling tussen de man en [minderjarige].

2.5

Uit het rapport van de Raad van 1 december 2025 blijkt dat de grootste zorg van de Raad is dat er een periode geen of onregelmatig contact heeft plaatsgevonden tussen [minderjarige] en de man. Dit vormt een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige]. Ook is naar voren gekomen dat er zorgen zijn over de communicatie tussen partijen en dat partijen over en weer zorgen hebben over de thuissituatie van de andere ouder. Omdat de eerdere gemaakte afspraken tussen partijen fragiel zijn en onder spanning staan, is de Raad van mening dat het van belang is dat er in een beschikking duidelijke afspraken worden vastgelegd over de zorgregeling. Daarnaast vindt de Raad het van belang dat de al betrokken hulpverlening betrokken blijft om aan de bestaande doelen te werken. De Raad adviseert in het belang van [minderjarige] de zorgregeling tussen [minderjarige] en de man als volgt te bepalen:

- [minderjarige] verblijft één keer in de twee weken een weekend bij de man in de oneven weken. De man (of de opa of oma vaderszijde) haalt [minderjarige] op vrijdag op om 17:30 uur voor het avondeten en de vrouw (of de stiefvader) haalt [minderjarige] op zondag om 17:30 uur op voor het avondeten. Als er wijzigingen zijn in de tijden qua ophalen of brengen, laten partijen dit tijdig aan elkaar weten.

- Ten aanzien van de vakanties spreken partijen af dat de verdeling onderling wordt besproken. De man heeft weinig vakantiedagen. [minderjarige] verblijft in de vakanties vaak bij de vrouw. Als er bij de man extra mogelijkheden zijn om [minderjarige] in de vakantie op te vangen, bespreken partijen dit onderling.

- Voor de feestdagen spreken partijen af dat [minderjarige] op eerste kerstdag altijd bij de man verblijft. Op oudejaarsdag en nieuwjaarsdag is [minderjarige] in het oneven jaar bij de man en in het even jaar bij de vrouw.

- Partijen lichten elkaar in over de belangrijke dingen die gebeuren in het leven van [minderjarige]. Bij speciale bijzonderheden (vallen, ernstig ziek, veranderingen in dokter of tandarts etc.) in het dagelijks leven van [minderjarige] licht de vrouw de man gelijk in via de e-mail. De man laat na het weekend via de e-mail aan de vrouw weten hoe het weekend is verlopen met [minderjarige].

2.6

Ter beoordeling ligt nog aan de rechtbank voor het verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen waarbij [minderjarige] van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man verblijft waarbij de man zoon ophaalt bij zijn tante en moeder zoon op zondag te 18.30 uur ophaalt bij de man, alsmede te bepalen dat partijen de zorg tijdens vakanties en feestdagen bij helfte verdelen welke afspraken in onderling overleg nader moet worden vastgesteld, dan wel een regeling vast te stellen die de rechtbank in het belang van de minderjarige acht.

2.7

Door en namens de man is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij graag zou zien dat [minderjarige] eenmaal per twee weken een weekend bij hem verblijft, zoals geadviseerd door de Raad. Recent heeft de man van de casusregisseur en de gezinshuisouders begrepen dat naar deze zorgregeling zou worden toegewerkt.

2.8

Door en namens de vrouw is tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat [minderjarige] sinds kort op vrijwillige basis in een gezinshuis verblijft omdat de vrouw en haar partner merkten dat zij [minderjarige] de benodigde zorg in de thuissituatie niet langer konden bieden. Hoewel het verblijf van [minderjarige] in het gezinshuis nog erg pril is, wordt gezien dat hij zich daar tot nu toe positief ontwikkelt. De vrouw vindt het belangrijk dat [minderjarige] rust, regelmaat en duidelijkheid krijgt. Het is daarom belangrijk dat er een zorgregeling wordt opgesteld waarbij [minderjarige] niet te veel wisselingen heeft maar wel contact heeft met beide ouders. De vrouw heeft een voorstel gemaakt voor een zorgregeling, waar de gezinshuisouders en de casusregisseur achter staan. De door de man gewenste zorgregeling waarbij [minderjarige] eenmaal per twee weken een weekend bij de man verblijft acht de vrouw op dit moment niet in het belang van [minderjarige]. Tijdens het verblijf in het gezinshuis moet namelijk goed worden onderzocht hoe het contact met de man verloopt, wat [minderjarige] daarin aan kan en welke definitieve zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. Dit maakt dat de vrouw betwijfelt of een definitieve beslissing op het verzoek van de man op dit moment passend is.

2.9

De Raad benoemt dat de situatie sinds het advies van 1 december 2025 aanzienlijk is gewijzigd. De plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis is nog pril en voor de komende periode is het vooral van belang dat [minderjarige] zich zo goed mogelijk kan ontwikkelen in het gezinshuis. Het is daarbij belangrijk dat ten aanzien van het contact met beide ouders wordt aangesloten bij wat [minderjarige] daarin aan kan en dat wordt gemonitord welke zorgregeling haalbaar is voor [minderjarige]. Het is daarom niet wenselijk om op dit moment een definitieve zorgregeling vast te leggen. De Raad kan het voorstel van de vrouw, dat in samenspraak met de casusregisseur en het gezinshuis is opgesteld, goed volgen. De Raad adviseert daarom deze regeling als voorlopige zorgregeling vast te leggen.

2.10

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de inhoud van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is het de rechtbank gebleken dat [minderjarige] sinds 10 april 2026 op vrijwillige basis in een gezinshuis verblijft. Hoewel het verblijf in het gezinshuis nog erg pril is, is daar tot nu toe een positieve ontwikkeling zichtbaar. Het is van belang dat de plaatsing in het gezinshuis en de ontwikkeling die [minderjarige] doormaakt goed wordt opgevolgd en de rechtbank is met de Raad van oordeel dat ten aanzien van het contact tussen de man en [minderjarige] moet worden aangesloten bij wat [minderjarige] aan kan en wat daarin haalbaar is voor [minderjarige]. Gebleken is dat de vrouw een voorstel voor een zorgregeling heeft opgesteld waarbij [minderjarige] éénmaal in de vier weken bij de man verblijft van vrijdagmiddag tot zaterdagavond 17:00 uur. Ook zou de man tweemaal in de vier weken op woensdagmiddag op bezoek komen bij [minderjarige] in het gezinshuis en tweemaal per vier weken met [minderjarige] videobellen op woensdagavond. Tijdens een korte schorsing van de mondelinge behandeling heeft de Raad telefonisch contact gehad met de casusregisseur. Tijdens dit gesprek heeft de casusregisseur aangegeven dat hij deze regeling in het belang van [minderjarige] acht en dat ook de gezinshuisouders hier achter staan. Vervolgens is door de man toegelicht dat hij de zorgregeling liever anders zou zien, maar hier voorlopig mee kan instemmen omdat de casusregisseur, de gezinshuisouders en de Raad deze regeling op dit moment in het belang van [minderjarige] achten. Beide partijen hebben er vervolgens mee ingestemd dat onder regie van de gezinshuisouders en de casusregisseur wordt toegewerkt naar deze zorgregeling en dat vervolgens onder regie van de casusregisseur en de gezinshuisouders wordt bezien of de regeling verder kan worden uitgebreid naar de door de man gewenste zorgregeling, te weten één weekend per twee weken.

2.11

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling bepalen, inhoudende dat [minderjarige] en de man in een cyclus van vier weken:

- in week 1 op woensdagmiddag contact hebben in het gezinshuis;

- in week 2 op woensdagavond een videobelmoment hebben;

- in week 3 op woensdagavond een videobelmoment hebben;

- in week 3 van vrijdagmiddag direct uit school/ [hulpverlening] tot zaterdagavond uiterlijk 17:00 uur contact hebben bij de man thuis;

- in week 4 op woensdagmiddag contact hebben in het gezinshuis;

- waarbij onder regie van de gezinshuisouders en de casusregisseur wordt toegewerkt naar deze voorlopige zorgregeling en vervolgens onder regie van de casusregisseur en de gezinshuisouders wordt bezien of de voorlopige zorgregeling verder kan worden uitgebreid naar de door de man gewenste zorgregeling, te weten één weekend per twee weken.

2.12

In afwachting van het verloop van deze voorlopige zorgregeling en de plaatsing van [minderjarige] bij het gezinshuis, zal de rechtbank de definitieve beslissing op het verzoek van de man aanhouden tot 4 december 2026 pro forma. De rechtbank verwacht van (de advocaten van) partijen twee weken voorafgaand aan deze nadere mondelinge behandeling een briefrapportage met daarin de stand van zaken, het verloop van de voorlopige zorgregeling en de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis en de verdere standpunten, zulks onder gelijktijdige verstrekking aan (de advocaat van) de wederpartij en de Raad.

3 De beslissing

De rechtbank

5.1

bepaalt dat er tussen de man en [minderjarige] een voorlopige zorgregeling geldt, inhoudende dat [minderjarige] en de man in een cyclus van vier weken:

- in week 1 op woensdagmiddag contact hebben in het gezinshuis;

- in week 2 op woensdagavond een videobelmoment hebben;

- in week 3 op woensdagavond een videobelmoment hebben;

- in week 3 van vrijdagmiddag direct uit school/ [hulpverlening] tot zaterdagavond uiterlijk 17:00 uur contact hebben bij de man thuis;

- in week 4 op woensdagmiddag contact hebben in het gezinshuis;

- waarbij onder regie van de gezinshuisouders en de casusregisseur wordt toegewerkt naar deze voorlopige zorgregeling en vervolgens onder regie van de casusregisseur en de gezinshuisouders wordt bezien of de voorlopige zorgregeling verder kan worden uitgebreid naar de door de man gewenste zorgregeling, te weten één weekend per twee weken;

5.2

houdt de beslissing op het verzoek met betrekking tot de definitieve zorgregeling aan tot 4 december 2026 PRO FORMA;

5.3

behoudt zich iedere verdere beslissing voor

Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van mr. Van der Meer, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.