Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5993Zaaknummer C/02/ 441518 FA RK 25-5649
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/ 441518 FA RK 25-5649
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Wijziging hoofdverblijf en nihilstelling kinderalimentatie. Onder toezicht gestelde kinderen verblijven sinds oktober 2024 bij hun vader op grond van een machtiging uithuisplaatsing.
De rechtbank:
wijzigt het ouderschapsplan van partijen van 23 maart 2020 als volgt:
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, met ingang van de datum van deze beschikking hun hoofdverblijf hebben bij de man;
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 10 maart 2021 (zaaknummer C/02/377407 FA RK 20-5162) als volgt:
bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de onder 5.1. vermelde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 oktober 2024 nader wordt vastgesteld op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/ 441518 FA RK 25-5649
datum uitspraak: 4 juni 2026
beschikking betreffende hoofdverblijf en levensonderhoud
in de zaak van
[de man],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. M.W.A.M. Scheepens,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.E.M. van Horen,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, hierna: [minderjarige 1];
- [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, hierna: [minderjarige 2].
Als informant in deze zaak wordt gezien:
- de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI), gevestigd in Amsterdam.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 3 november 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het op 25 november 2025 ontvangen F-formulier van mr. Van Horen.
1.2 De zaak is mondeling behandeld op de zitting van 7 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de GI. Verder was een vertegenwoordiger van de Raad aanwezig.
1.3 Op 21 april 2026 heeft een kinderrechter met [minderjarige 2] gesproken over het verzoek. Ook [minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij van het verzoek vindt. Hij heeft daarover een keuzeformulier ingevuld en naar de rechtbank gestuurd.
2 De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
De man heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend. Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
Bij ouderschapsplan van 23 maart 2020 zijn partijen in artikel 2.1 overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 10 maart 2021 (zaaknummer C/02/377407 FA RK 20-5162) is het ouderschapsplan wat betreft artikel 7 (kinderalimentatie) gewijzigd en is bepaald dat de overeengekomen bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum van de beschikking nader wordt vastgesteld op € 27,= per maand per kind, bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
Sinds 1 december 2022 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld. In het kader van een machtiging uithuisplaatsing verblijven de minderjarigen vanaf eind oktober 2024 bij de man.
3 De verzoeken
De man verzoekt, samengevat:
- te bepalen dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van de datum van de beschikking hun hoofdverblijf hebben bij de man;
- de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van de maand oktober 2024 nader vast te stellen op nihil.
4 De beoordeling
Hoofdverblijf
Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank ook een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder meer de beslissing omvatten bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De man legt aan zijn verzoek het volgende ten grondslag. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven op grond van een beschikking van deze rechtbank van 22 oktober 2024 in het kader van een machtiging uithuisplaatsing bij de man. Het gaat steeds beter met hen. Zij ervaren structuur en regelmaat in het gezin van de man en doen het goed op school. De minderjarigen hebben inmiddels ook vrienden gemaakt in de nieuwe woonomgeving. De man heeft als ideaalbeeld voor ogen dat sprake is van een stabiele situatie met een gelijke verdeling van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tussen hem en de vrouw, maar hij ziet ook dat dit niet haalbaar is. De vrouw kampt met problemen, staat niet open voor hulp en zegt vaak afspraken met de hulpverlening af. Ook komt de vrouw de afspraken over de contactregeling met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet goed na. De dag voor de zitting zou zij contact hebben met [minderjarige 1], maar de vrouw is niet verschenen en heeft ook niets van zich laten horen. [minderjarige 1] was daardoor erg teleurgesteld. Er is geen vooruitgang in de situatie van de vrouw. Een uithuisplaatsing behoort van tijdelijke aard te zijn, maar dat is hier niet het geval. De man verzoekt daarom de verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te formaliseren door hun hoofdverblijf bij hem te bepalen. Dit biedt de minderjarigen duidelijkheid en zekerheid. Hun perspectief ligt bij de man. De uitkomst van het onderzoek van de GI naar het perspectief van de minderjarigen moet niet worden afgewacht, want dat duurt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te lang. Er kan nu beslist worden op zijn verzoek.
De advocaat van de vrouw heeft zich met betrekking tot de wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel wordt van de zijde van de vrouw opgemerkt dat er op dit moment eigenlijk nog geen beslissing genomen zou moeten worden over het verzoek tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Er loopt namelijk een onderzoek naar hun perspectief, dat als het goed is zal worden afgerond in augustus 2026. De advocaat van de vrouw kan zich voorstellen dat de uitkomst van dit onderzoek vooralsnog wordt afgewacht. De advocaat heeft al enige tijd geen contact gehad met de vrouw en weet niet hoe zij op dit moment precies tegenover de verzoeken van de man staat.
De vertegenwoordiger van de GI heeft te kennen gegeven dat de GI het verzoek van de man tot wijziging van het hoofdverblijf ondersteunt. De minderjarigen hebben het goed bij de man en het is voor hen belangrijk dat er duidelijkheid komt. De GI voorziet dat het perspectiefonderzoek in augustus 2026 nog niet zal zijn afgerond. Het lukt de GI op dit moment niet om contact te krijgen met de vrouw en dat is voor de uitvoering van het onderzoek wel nodig. Ook de GI staat bij de vrouw voor een gesloten deur. De GI kan het perspectief onderzoek zo niet uitvoeren. De vrouw is erg met zichzelf bezig en heeft geen ruimte voor andere dingen. De vrouw heeft eerder tegenover de GI aangegeven dat zij bang is voor een wijziging van het hoofdverblijf, omdat zij vreest dat zij dan geen contact meer zal mogen hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Het contact van de vrouw met de minderjarigen verloopt overigens ook niet goed. De vrouw zegt de contactmomenten regelmatig af. De GI heeft eerder al met de vrouw besproken dat dit erg moeilijk is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw snapt dat. Zij heeft echter ook aangegeven dat haar hoofd zo vol zit met andere dingen dat het haar niet lukt de afspraken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] na te komen. De minderjarigen voelen zich daardoor afgewezen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn inmiddels gestart met therapie. Ook in het kader van deze therapie is het goed als voor hen duidelijk is waar zij hun hoofdverblijfplaats hebben.
De Raad heeft geadviseerd om het verzoek van de man toe te wijzen. De minderjarigen hebben behoefte aan duidelijkheid.
Weliswaar zijn zij in het kader van een ondertoezichtstelling uithuisgeplaatst bij de man, maar het gaat om een plaatsing bij de andere ouder en niet in een pleeggezin. Aan de zijde van de vrouw is sprake van onmacht. Het is van belang dat zij in alle rust aan zichzelf kan werken. Zonder ondertoezichtstelling zou het hoofdverblijf van de minderjarigen in vergelijkbare omstandigheden ook bij de man worden bepaald. De Raad begrijpt dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling onderzoek moet doen naar het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], maar het wringt omdat zij bij hun eigen vader verblijven. Bovendien stimuleert de man het contact van de minderjarigen met de vrouw en ook met de familie van de vrouw. De wijze waarop de man zich opstelt verdient een compliment. De Raad meent dat er voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen betere plek is dan bij de man. Mogelijk is het voor de vrouw helpend als zij weet dat een wijziging van het hoofdverblijf niet betekent dat het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en haarzelf wordt stopgezet.
[minderjarige 1] heeft in zijn brief aan de rechtbank geschreven dat hij het liefste voor de helft van de tijd bij zijn vader en voor de helft van de tijd bij zijn moeder wil zijn. Als dat niet kan, wil hij in elk geval zijn moeder vaker zien dan nu het geval is. [minderjarige 2] heeft aan de kinderrechter verteld dat hij het leuk vindt bij zijn vader, maar dat hij zijn moeder graag meer zou willen zien. Hij ziet haar nu om de week op woensdag; op de woensdag in de andere week ziet [minderjarige 1] zijn moeder.
Vooropgesteld wordt dat, anders dan de advocaat van de vrouw lijkt te betogen, de rechtbank het niet in het belang van de kinderen acht om de beslissing op het verzoek van de man nu aan te houden. Daarbij acht de rechtbank zich verder voldoende voorgelicht om nu een beslissing in het belang van de kinderen te kunnen nemen. De uitkomst van het perspectief onderzoek, dat overigens nog opgestart en uitgevoerd moet worden, is daarvoor niet noodzakelijk. De rechtbank volgt het advies van de Raad en zal in het belang van de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepalen dat hun hoofdverblijf voortaan bij de man is. De minderjarigen verblijven vanaf oktober 2024 bij de man, gaan bij hem in de buurt naar school en hebben daar inmiddels sociale contacten opgebouwd. Volgens de GI hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] het goed bij de man en ontwikkelen zij zich in positieve zin. De situatie van de vrouw heeft zich daarentegen sinds oktober 2024 niet verbeterd. Uit de informatie van de GI op de zitting maakt de rechtbank op dat haar situatie eerder aan het verslechteren is. De vrouw houdt alle hulpverlening buiten de deur en zegt afspraken met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de contactregeling af. Dit is erg moeilijk voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], die hun moeder missen en zich door haar afgewezen voelen. Het is mede daarom nu in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat er duidelijkheid komt over hun hoofdverblijfplaats, ook in verband met de therapie die zij volgen. Zo ontstaat er wat dat betreft rust voor alle betrokkenen.
De rechtbank benadrukt dat deze beslissing over wijziging van het hoofdverblijf voor het overige niet afdoet van het recht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vrouw op contact met elkaar. In artikel 1:377a lid 1 BW staat dat een kind recht heeft op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat. Bovendien heeft de man op de zitting benadrukt dat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] contact hebben met hun moeder en dat hij hoopt dat zij op enig moment weer meer tijd het haar kunnen doorbrengen. Ook de kinderen geven aan het contact met hun moeder als prettig te ervaren en ook zij willen haar meer willen zien omdat ze haar missen. De rechtbank hoopt dan ook dat de vrouw in de aankomende tijd meer ruimte kan vinden bij haarzelf om de band met haar kinderen verder uit te bouwen en te verstevigen. Dat is in ieders belang.
Alimentatie
De man voert als grond voor zijn verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie aan dat de omstandigheden sinds de beschikking van deze rechtbank van 10 maart 2021 zodanig zijn gewijzigd, dat de vastgestelde bijdrage niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.
Van de zijde van de vrouw is geen verweer gevoerd tegen het verzoek.
Op grond van de stukken en wat is besproken op de zitting staat vast dat de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] sinds oktober 2024 feitelijk bij de man verblijven en dat de man sindsdien de kosten van hun verzorging en opvoeding voor zijn rekening neemt. Tegen het verzoek is ook voor het overige geen verweer gevoerd en het verzoek komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. De rechtbank zal mitsdien de verplichting van de man om aan de vrouw een bijdrage te betalen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] overeenkomstig zijn verzoek op nihil stellen met ingang van oktober 2024. Weliswaar wordt de alimentatieverplichting met terugwerkende kracht gewijzigd, maar omdat de man met ingang van oktober 2024 is gestopt met het betalen ervan, is geen sprake van een situatie waarin de vrouw zal worden geconfronteerd met een terugbetalingsverplichting.
Algemene overwegingen
De beslissing over het hoofdverblijf en de kinderalimentatie zullen, gelet op het karakter daarvan en het belang dat hierover voor alle betrokkenen duidelijkheid bestaat, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kinderen gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijzigt het ouderschapsplan van partijen van 23 maart 2020 als volgt:
bepaalt dat de minderjarigen [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2014, en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2015, met ingang van de datum van deze beschikking hun hoofdverblijf hebben bij de man;
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van 10 maart 2021 (zaaknummer C/02/377407 FA RK 20-5162) als volgt:
bepaalt dat de daarbij vastgestelde bijdrage van de man aan de vrouw in de kosten van verzorging en opvoeding van de onder 5.1. vermelde minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 oktober 2024 nader wordt vastgesteld op nihil;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. Verhamme, griffier, in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.