Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 4 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5988Zaaknummer C/02/429933 / FA RK 24-5923
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 4 juni 2026
- Publicatiedatum
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/429933 / FA RK 24-5923
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Omgang met oma. Ook traject voor contactherstel met vader. Raadsonderzoek.
De rechtbank
bepaalt dat oma (vz) en [minderjarige] voorlopig recht hebben op omgang met elkaar één keer in de veertien dagen, waarbij geldt wat hiervoor onder rechtsoverweging 4.11 is overwogen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 4.8 gestelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend in deze procedure alsmede in de procedure tussen ouders die bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer C/02/439956 / FA RK 25-4802, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) ouders en oma (vz);
houdt iedere verdere beslissing aan tot 8 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van het rapport en bijbehorend advies van de Raad en de reactie van partijen daarop en het door hen gewenste procesverloop;
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van mrs. Van Ham en Vos als griffiers.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/429933 / FA RK 24-5923
datum uitspraak: 4 juni 2026
nadere beschikking over omgang
in de zaak van
[oma (vz)],
hierna: oma (vz),
wonende in [plaats],
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh in Roosendaal,
tegen
[moeder],
hierna: moeder,
wonende in [plaats],
advocaat: mr. J.A. Scanlan in Roosendaal,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2019, hierna: [minderjarige],
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[vader],
hierna: vader.
wonende te [plaats],
advocaat: mr. C.F.A. Cadot in Roosendaal,
Als informant in deze zaak wordt gezien:
[stiefopa (vz)],
hierna: stiefopa (vz),
wonende in [plaats].
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van de rechtbank van 23 april 2025 en alle daarin genoemde stukken;
- de brief van mr. De Jongh van 12 februari 2026 met bijlagen;
- het door de gemeente Roosendaal ingestuurde “Format UHA rapport” van 22 april 2026.
De rechtbank heeft de zaak behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren van 7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig partijen bijgestaan door hun advocaat, vader bijgestaan door zijn advocaat en stiefopa (vz). Ook was aanwezig een vertegenwoordiger van de Raad.
2 De feiten
De moeder en de vader hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie is
[minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend. Vader en moeder (hierna ook: ouders) hebben samen het gezag over [minderjarige]. [minderjarige] verblijft bij moeder. Zij wonen in een accommodatie van SDW, waar moeder ondersteuning voor [minderjarige] krijgt.
Bij beschikking van 23 april 2025 heeft de rechtbank, onder aanhouding van de definitieve beslissing op de verzoeken tot het bepalen van een omgangsregeling tussen oma (vz) en [minderjarige], partijen en [minderjarige] naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het Uniform Hulpaanbod (hierna: UHA). Verder heeft de rechtbank een voorlopige omgangsregeling bepaald.
In het kader van het UHA-traject heeft SDW met partijen individueel en gezamenlijk gesproken over hun verschillende rollen (als oma en moeder van [minderjarige]) en over de onderlinge communicatie. SDW heeft verder de omgang tussen oma (vz) en [minderjarige] begeleid en gefaciliteerd en voorstellen gedaan tot uitbreiding van de omgang.
Bij eindrapportage van 22 april 2026 heeft de gemeente Roosendaal aan de rechtbank laten weten dat de in het kader van de UHA gestelde doelen niet zijn behaald.
Op dit moment hebben oma (vz) en [minderjarige] om de week op zaterdag van 13:00 uur tot 17:00 uur omgang met elkaar. Een medewerker van SDW brengt en haalt [minderjarige].
Er is momenteel geen contact tussen vader en [minderjarige]. Omdat vader contactherstel in het belang van [minderjarige] vindt, heeft hij een procedure bij de rechtbank gestart om tot omgang met [minderjarige] te komen. In die procedure, bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/02/439956 / FA RK 25-4802, heeft de rechtbank onder aanhouding van de beslissing op het verzoek met betrekking tot een zorg- en contactregeling, bij beschikking van 2 maart 2026 ouders en [minderjarige] naar een (jeugd)hulptraject verwezen via het UHA.
3 De resterende verzoeken
Oma (vz) verzoekt nog altijd:
I. te bepalen dat oma (vz) en [minderjarige] gerechtigd zijn om eens per twee weken het weekend met elkaar door te brengen van vrijdag 11:45 uur tot maandagochtend naar school;
II. te bepalen dat oma (vz) en [minderjarige] gerechtigd zijn om met elkaar door te brengen:
- één van de twee kerstdagen;
- de verjaardag van de oma (vz) op 6 november;
- de verjaardag van de stiefopa op 15 november;
- de verjaardagen van het jongste en oudste neefje van [minderjarige] op 29
- november, respectievelijk 27 augustus;
- een moment op de verjaardag van [minderjarige];
- jaarlijks wisselend tijdens de jaarwisseling van 31 december 12:00 uur tot 1
- januari 12:00 uur;
III. althans te bepalen dat tussen oma (vz) en [minderjarige] een zodanig omgangsregeling zal gelden als de rechtbank juist acht;
IV. op straffe van een dwangsom van € 50,- voor iedere dag dat de verplichting om de omgangsregeling na te komen door de moeder niet mocht worden nageleefd, met een maximum van € 5.000,-.
4 De nadere beoordeling
Oma (vz) heeft bij brief van 12 februari 2026 gevraagd – gelet op de einddatum van het UHA-traject half april 2026 – alvast een zitting te plannen. Tijdens de zitting heeft oma (vz) toegelicht dat (de opbouw van) de omgang in haar ogen grillig verloopt. De omgang is lang begeleid geweest en er vindt nauwelijks uitbreiding plaats. Het is in januari van dit jaar tweemaal voorgekomen dat SDW aan oma (vz) een voorstel tot uitbreiding/opbouw van de omgang heeft toegestuurd. Vervolgens werd dat voorstel, kennelijk op verzoek van moeder, weer ingetrokken/aangepast. Hoewel oma (vz) begrijpt dat het tempo van [minderjarige] leidend is, mist zij structuur en een duidelijk perspectief in de opbouw van de omgang. Zij heeft niet het vertrouwen dat de betrokken hulpverlening (SDW) tot uitbreiding van de huidige omgangsregeling zal komen. De omgangsmomenten verlopen echter goed en [minderjarige] geniet daarvan. Voor oma (vz) is er daarom geen reden om die momenten niet verder uit te breiden.
Moeder heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het laatste door SDW opgestelde plan, waarbij de omgang tussen [minderjarige] en oma (vz) geleidelijk zou worden uitgebreid naar eenmaal in de veertien dagen op zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur (door SDW en partijen aangeduid als “plan 3”). De uitbreiding van de omgang zoals die in de eerste twee voorstellen was vormgegeven, vond moeder te snel gaan, met name omdat de overdrachten onbegeleid zouden plaatsvinden, dus door moeder en oma (vz) zelf. Voor moeder is dat op dit moment te belastend en daarmee niet in het belang van [minderjarige]. Moeder start binnenkort met vader aan een hulpverleningstraject. Dat levert moeder extra spanning op en dat heeft zijn weerslag op [minderjarige].
Vader heeft tijdens de zitting gezegd dat het van belang is dat duidelijk is wie regie voert over (de opbouw van) de omgang tussen oma (vz) en [minderjarige]. De rol van SDW is daarin diffuus, omdat SDW zowel individuele begeleiding aan moeder biedt als de omgang tussen [minderjarige] en oma (vz) begeleidt. Vader heeft zelf geen directe betrokkenheid bij de omgang tussen oma (vz) en [minderjarige]. Moeder en hij hebben op 11 mei 2026 een intake voor een hulpverleningstraject (via het UHA) dat is gericht op contactherstel tussen vader en [minderjarige]. Vader begrijpt dat het traject van ouders en de (toekomstige) omgang tussen hem en [minderjarige] invloed zullen hebben op de omgang tussen oma (vz) en [minderjarige].
De Raad heeft tijdens de zitting voorgesteld om de huidige omgang tussen oma (vz) en [minderjarige] te bestendigen en mogelijk uit te breiden naar een hele dag zoals in plan 3 van SDW beschreven. Het is een complexe zaak, omdat er twee hulpverleningstrajecten naast elkaar lopen: één voor contact tussen [minderjarige] en oma (vz) en daarnaast één voor contactherstel tussen vader en [minderjarige]. De Raad ziet in het dossier dat er veel weerstand is bij [minderjarige]; zij voelt zich in de steek gelaten door vader. [minderjarige] heeft last van hechtings- en emotieregulatieproblematiek. Daarvoor is therapie ingezet en er zal nog verdere hulpverlening nodig zijn. De vraag is hoe [minderjarige] centraal kan blijven staan bij de opbouw van de omgang met zowel oma (vz) als vader. Er moet afstemming plaatsvinden tussen de beide trajecten waarbij het belang van [minderjarige] leidend is: welke volgende stap kan gezet worden gelet op haar sociaal-emotionele ontwikkeling? Gelet op die complexiteit acht de Raad het van belang dat hij nader onderzoek gaat doen om meer zicht te krijgen op het gehele systeem van [minderjarige] en op wat er voor haar, rekening houdend met haar problematiek, mogelijk is qua omgang met zowel oma (vz) als vader.
Raadsonderzoek
Partijen hebben tijdens de zitting het voorstel van de Raad om een raadsonderzoek uit te voeren onderschreven.
De rechtbank is het met partijen en de Raad eens dat het in het belang is van [minderjarige] om te onderzoeken op welke wijze enerzijds de (opbouw van) de omgang tussen haar en oma (vz) en anderzijds het contactherstel met vader nader vorm moeten worden gegeven. Omdat sprake is van verschillende hulpverleningstrajecten voor zowel [minderjarige] als voor moeder, vader en oma (vz) die parallel lopen en waarbij verschillende instanties betrokken zijn, is coördinatie en afstemming essentieel, zodat steeds goed zicht behouden blijft op wat in het belang is van [minderjarige]. Daarbij speelt (de draagkracht van) het netwerk van [minderjarige] een grote rol. Moeder is op dit moment de belangrijkste stabiele factor in het leven van [minderjarige]. Wat [minderjarige] aankan wordt dus mede bepaald door de belastbaarheid van moeder. Gespannen verhoudingen binnen het netwerk zijn van invloed op de draagkracht van moeder. De rechtbank vindt het om die reden van belang dat het gehele netwerk van [minderjarige] nader in kaart wordt gebracht.
De rechtbank zal daarom de Raad verzoeken een onderzoek te verrichten en daarover een rapport en advies uit te brengen. Dat onderzoek is noodzakelijk om een vollediger beeld te krijgen van de situatie van [minderjarige] en van (de belastbaarheid van) haar netwerk, zodat duidelijk wordt op welke wijze de omgang met oma (vz) en het contactherstel met vader vorm gegeven kunnen worden. Het raadsonderzoek en het gemotiveerde raadsadvies moeten in ieder geval zien op de volgende concrete vragen van de rechtbank:
- rekening houdend met de belastbaarheid van het netwerk van [minderjarige], welke vorm van contact(opbouw) met enerzijds oma (vz) en anderzijds vader komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?
- welke contactregelingen (aard, duur en frequentie) passen daarbij?
- is voor [minderjarige], ouders en/of oma (vz) (nadere) hulpverlening noodzakelijk? Zo ja, welke hulpverlening?
- welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld, maar zijn wel van belang om te vermelden?
De Raad heeft tijdens de zitting de verwachting uitgesproken binnen een termijn van zes maanden een rapportage en advies te kunnen indienen. In afwachting daarvan zal de rechtbank de definitieve beslissing op de verzoeken van oma (vz) daarom aanhouden voor een gelijke duur.
Omdat het door de Raad uit te voeren onderzoek en het op te stellen rapport en advies ook betrekking zullen hebben op het contact(herstel) tussen [minderjarige] en vader, zal de rechtbank de Raad verzoeken dat rapport en advies ook in te dienen in de procedure tussen ouders waarin het verzoek voorligt van vader met betrekking tot een zorg- en contactregeling tussen hem en [minderjarige] (zie hiervoor onder 2.7).
Uitbreiding omgangsregeling
Partijen en vader hebben tijdens de zitting eveneens ingestemd met het voorstel van de Raad om de omgang tussen oma (vz) en [minderjarige] in afwachting van het door de Raad te verrichten onderzoek en het door ouders te starten hulpverleningstraject, te bestendigen en geleidelijk uit te breiden naar één zaterdag in de twee weken van 10:00 uur tot 18:00 uur (zoals door SDW omschreven in plan 3). Daartoe hebben partijen afgesproken dat [minderjarige] en oma (vz) op 16 mei 2026 en 30 mei 2026 omgang met elkaar zullen hebben van 12:00 uur tot 18:00 uur. Vanaf zaterdag 13 juni 2026 zal de omgang tussen oma (vz) en [minderjarige] om de zaterdag van 10:00 uur tot 18:00 uur plaatsvinden. Daarbij geldt dat een medewerker van SDW ( [persoon]) [minderjarige] naar oma (vz) brengt en haar daar ook weer ophaalt. Als SDW daartoe niet in staat is, zal oma (vz) [minderjarige] bij SDW ophalen en terugbrengen.
5 De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat oma (vz) en [minderjarige] voorlopig recht hebben op omgang met elkaar één keer in de veertien dagen, waarbij geldt wat hiervoor onder rechtsoverweging 4.11 is overwogen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de onder rechtsoverweging 4.8 gestelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, welk rapport vóór de hierna te noemen pro forma datum bij de rechtbank dient te worden ingediend in deze procedure alsmede in de procedure tussen ouders die bij de rechtbank is geregistreerd onder zaaknummer C/02/439956 / FA RK 25-4802, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan (de advocaten van) ouders en oma (vz);
houdt iedere verdere beslissing aan tot 8 december 2026 PRO FORMA, in afwachting van het rapport en bijbehorend advies van de Raad en de reactie van partijen daarop en het door hen gewenste procesverloop;
Deze beschikking is gegeven door mr. De Jong, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026 in aanwezigheid van mrs. Van Ham en Vos als griffiers.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.