Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5973Zaaknummer C/02/422748 / FA RK 24-2379

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
6 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/422748 / FA RK 24-2379
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek van vader tot vaststellen van een zorgregeling afgewezen, nu er reeds lange tijd geen contact bestaat tussen hem en de minderjarigen en binnen afzienbare termijn evenmin een structurele contactregeling is te verwachten.

De rechtbank:

4.1

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 Het resterende verzoek
  2. 3 De nadere beoordeling
  3. 4 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

Zaaknummer: C/02/422748 / FA RK 24-2379

datum uitspraak: 3 juni 2026

Nadere beschikking betreffende vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. R. Joosen te Dongen,

tegen

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J-M.F. Honders te Rotterdam,

betreffende de minderjarige

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2020, hierna te noemen [minderjarige].

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de GI.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1 Het verdere procesverloop

1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:

- de in deze zaak gegeven beschikking van 30 juli 2025 en de daarin genoemde stukken;

- het op 2 april 2026 ontvangen verslag van de GI;

- het F9-formulier van mr. Honders van 7 mei 2026 met bijlage.

1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 26 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens waren aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.

2 Het resterende verzoek

2.1

Aan de orde is het verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige].

3 De nadere beoordeling

3.1

Bij voormelde beschikking is de beslissing op het resterende verzoek aangehouden, aangezien het traject bij de Gezinsmanager (DGM) nog van start moest gaan. Dat onderzoek moest zich richten op de mogelijkheden van [minderjarige] tot het aangaan van het contact met de man. De GI is daarbij verzocht een schriftelijk verslag in te dienen bij de rechtbank over het verloop van de hulpverlening en de actuele stand van zaken met betrekking tot het contact tussen [minderjarige] en de man.

3.2

Op 2 april 2026 is het verslag van de GI ontvangen. Daaruit blijkt, kort samengevat, dat op 12 januari 2026 een eerste poging is gedaan voor contactherstel tussen vader en [minderjarige]. Bij aankomst blokkeerde [minderjarige] direct. In een afzonderlijke ruimte kwam [minderjarige] niet tot spelen, een activiteit of contact. Toen omgangsbegeleiding zijn jas uit wilde trekken, merkte ze dat [minderjarige] erg warm was, zat te trillen, voor zich uit bleef staren en kreeg ze geen contact met hem. De keuze is gemaakt om vader er niet bij te betrekken en de poging tot contact is dus mislukt. Dat [minderjarige] fysiek ziek wordt voorafgaand aan omgang met vader is zorgelijk. In de omgang die geprobeerd is op te starten toen hij baby was, verstijfde hij ook. Omgangsbegeleiding heeft het idee dat [minderjarige] beïnvloed is door moeder. DGM wil nog niet stoppen met proberen, maar de houding en uitstraling van moeder moet wel veranderen om het traject voort te kunnen zetten. Vader is zichtbaar boos geworden bij het horen dat de omgang op 12 januari 2026 geen doorgang had. Hij wil nog steeds graag contact met de kinderen. Hij doet zijn best om vanuit zijn kant de randvoorwaarden voor contactherstel mogelijk te maken. Moeder zegt dat de kinderen bang zijn voor de vader. In de komende periode moet er een helder beeld ontstaan via de inzet van de betrokken aanbieder [zorgaanbieder] en DGM en een beslissing gemaakt worden voor de langere termijn: wel of geen contact tussen [minderjarige] en vader. Gelet hierop vraagt de GI de rechtbank geen zorgregeling vast te stellen tussen vader en [minderjarige]. Het traject bij DGM zal daarvoor eerst afgerond moeten worden. Uit de bevindingen van de kindbehartiger bleek dat [minderjarige] nieuwsgierig is en ruimte voelt om het contact met zijn vader aan te gaan. Het traject bij DGM is onvoldoende gevorderd om hier gehoor aan te geven.

3.3

Op 7 mei 2026 is namens de vrouw verslaglegging van [zorgaanbieder] overgelegd. Daaruit blijkt, kort samengevat, de wijze waarop aan [minderjarige] is uitgelegd dat zijn vader hem wil ontmoeten en wat [minderjarige] zou willen en wat hij daarvan vindt. Hij heeft tijd gekregen om die boodschap op zich in te laten werken en later heeft hij gehoord dat hij zijn vader gaat zien. Volgens moeder moest [minderjarige] lachen van de zenuwen, maar kreeg hij ook traanogen en gaf hij aan niet te willen omdat hij zijn vader haat. Moeder heeft aan de hulpverlening uitgelegd dat vader onbekend is voor [minderjarige], wat alles bemoeilijkt. Tot voor kort heeft [minderjarige] gedacht dat de huidige partner van moeder zijn vader was en beschouwt hem ook als vaderfiguur. Op 1 december 2025 heeft [minderjarige] zowel tegen DGM als [zorgaanbieder] te kennen gegeven dat hij vader eigenlijk niet wil zien. Door DGM is aangegeven dat ze gaan kijken hoe het is en om het een kans te geven en dat DGM wel hoort wat [minderjarige] zegt. Door [zorgaanbieder] wordt gezien dat moeder op een liefdevolle en leeftijdsadequate manier uitlegt dat [minderjarige] die dag zelf kan kijken hoe het voelt om daar te zijn. DGM heeft het met moeder op 7 januari 2026 gehad over dat het ‘moeten-gevoel’ niet prettig voor haar moet zijn. Moeder heeft tijdens dat gesprek aangegeven dat bij [minderjarige] is aangegeven dat hij zijn vader op korte termijn gaat zien. [minderjarige] heeft toen geantwoord naar moeder dat hij dat niet wil en die papa stom vindt. De moeder gelooft niet dat [minderjarige] bij de kindbehartiger iets anders aangegeven heeft. Vanuit [zorgaanbieder] wordt ook het geplande eerste contactmoment beschreven en wat zij bij [minderjarige] geconstateerd hebben. Op de terugrit lijkt [minderjarige] meer op zijn gemak te zijn dan tijdens de heenrit. Volgens moeder is er daarna niets meer te zien van de fysieke ongemakken die hij bij het omgangsmoment wel heeft laten zien. De twee dagen erna is [minderjarige] volgens moeder stiller geweest en heeft hij veel geknuffeld, daarna is hij een periode opstandiger geweest om daarna weer opvallend stil te zijn. Het werken aan contactherstel tussen [minderjarige] en zijn vader doet een emotioneel beroep op de moeder. Ze wil [minderjarige] steunen in het contactherstel, maar hem ook beschermen wanneer zijn grenzen worden over gegaan. Moeder is zich ook bewust van de invloed van de traumatische gebeurtenissen uit haar verleden en hoe dit mogelijk (onbewust) van invloed kan zijn op hoe zij naar het contactherstel kijkt, emotionele toestemming etc. Zij gaat hier actief het gesprek over aan met [zorgaanbieder] en heeft doelen opgesteld rondom het aanmelden van therapie om dingen uit haar verleden te verwerken. Vanuit [zorgaanbieder] is verder de ervaring dat ouders niet onder afspraken uit willen komen, maar dat de praktische haalbaarheid wel doorslaggevend kan zijn. Moeder en haar huidige partner hebben een gezin met zes kinderen, die ieder hun eigen leventje hebben met meer of minder zorg.

3.4

Ter zitting is namens vader toegelicht dat er sinds 30 maart 2022 geen omgang meer heeft plaatsgevonden tussen hem en zijn kinderen. Hij is moedeloos en ziet er geen heil meer in. Er zijn inmiddels zoveel zittingen, verschillende GI-medewerkers, hulpverleners en kinderrechters gepasseerd. Moeder komt desondanks beslissingen van de rechter niet na. Vader roept al zes jaar dat er sprake is van ouderverstoting. In het begin hadden beide kinderen een positief contact met vader. Dat [minderjarige] nu bang gedrag laat zien, terwijl hij bij de kindbehartiger aangegeven heeft nieuwsgierig te zijn naar vader, is heel opvallend. Vader verwijt de GI dat er maar niet wordt doorgepakt. Sinds 2019 loopt de ondertoezichtstelling en er is nog steeds geen omgang gerealiseerd. Vader heeft ernstige twijfels of de GI haar rol nu wel gaat pakken. Bij de laatste zitting over de verlenging van de ondertoezichtstelling is de kinderrechter heel duidelijk geweest dat de GI aan de bak moet. De advocaat van vader heeft tijdens die zitting het voorstel gedaan een toetsmoment tijdens de ondertoezichtstelling in te bouwen, omdat er in de ondertoezichtstelling niets van de grond komt. Dat is door de kinderrechter afgewezen omdat de onderhavige procedure nog loopt. Sinds 12 januari 2026 is er echter niets gebeurd. Jaren terug is door de kinderrechter aan vader perspectief beloofd, dat is een loze belofte gebleken. Inmiddels zijn er al vijf verschillende (kinder)rechters de revue gepasseerd, terwijl de zaak bij dezelfde kinderrechter zou blijven. De rechtbank dient een vinger aan de pols te houden en desgevraagd dient in dat kader deze zaak te worden aangehouden. Indien besloten wordt de onderhavige procedure af te sluiten dan kan vader niet volgen waarom dat nu opeens zo zou moeten zijn. De onderhavige procedure is namelijk al meerdere keren aangehouden. In de ondertoezichtstelling gebeurd niets, ondanks dat duidelijk richting de GI is aangegeven dat zij voortvarend moet handelen en regie dient te nemen. De zaak enkel bij de GI neerleggen is geen goed plan.

3.5

Door en namens moeder is ter zitting aangegeven dat zij hetzelfde gevoel heeft. Er zijn zoveel wisselingen geweest bij de GI en de hulpverlening dat ook zij het gevoel heeft aan een dood paard te trekken. De wisselingen van hulpverleners is niet in het belang van [minderjarige]. De hele situatie heeft veel impact op hem, daar dient rekening mee te worden gehouden. Iedere keer wennen aan nieuwe hulpverleners is belastend voor hem. Daarnaast moet hij dit jaar overdoen op school, het is zijn laatste kans om te laten zien dat hij op het reguliere onderwijs kan blijven. Anders zal er volgend jaar speciaal onderwijs voor hem volgen. Het gehele proces verloopt moeizaam en door de vele wisselingen van medewerkers duurt alles veel langer. Van een efficiënte werkwijze is geen sprake. De relatie van partijen, waarin huiselijk geweld heeft plaatsgevonden, heeft nog steeds impact op moeder. Een eventuele opbouw van contact tussen [minderjarige] en vader zal voorzichtig opgebouwd moeten worden en goed gemonitord dienen te worden. De vraag is of deze procedure nog effectief is naast de ondertoezichtstelling. Namens moeder is aangegeven dat de onderhavige procedure naast de ondertoezichtstelling geen aanvullende waarde heeft. In de ondertoezichtstelling zou zoveel als mogelijk bereikt moeten worden, maar dan moet er wel wat van de grond gaan komen. De onderhavige procedure kan geen druk zetten op de ondertoezichtstelling. De moeder is van mening dat de onderhavige procedure afgerond moet worden.

3.6

De Raad heeft ter zitting desgevraagd toegelicht van mening te zijn dat de onderhavige procedure kan worden afgesloten. In de ondertoezichtstelling dient, indien mogelijk, gekomen worden tot vaststelling van een contactregeling. De Raad heeft verder aan de GI meegegeven of er hulpverlening is ingezet die ziet op de wederzijdse pijn van ouders. Vast staat dat er in het verleden huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en dat dat nog steeds impact heeft op moeder. Op welke wijze is/wordt daaraan gewerkt? In het algemeen draag je trauma’s uit het verleden mee en heeft dat invloed op je ouderschap. Is er al gekeken naar de leerbaarheid van ouders? Therapie volgen is goed voor moeder, maar gelet op het verleden is het stukje verwerking en met name het vertrouwen in elkaar krijgen een stuk lastiger. Onduidelijk is of daar al op ingezet is. Belangrijk is ook dat de therapie niet enkel ziet op moeder, maar dat vader daarin ook wordt meegenomen. Daarbij komt dat als een kind zo fysiek reageert als [minderjarige], dit om heel veel extra ondersteuning en zorgen vraagt. Voorts leeft [minderjarige] in een gezinssysteem met een broertje dat enorm veel stress en spanning ervaart bij het onderwerp papa; moeder heeft dat ook. [minderjarige] kan daar niets aan veranderen, maar hij krijgt dat wel mee. De Raad acht het daarom niet aangewezen om meteen met fysiek contact te starten, maar eerder met foto’s van vader en spraak- en/of videoberichten, zo kan [minderjarige] wennen aan vader.

3.7

Door de rechtbank is geconstateerd dat het huidige systeem van jeugdhulp in deze casus ernstig tekortschiet. Zeer betreurenswaardig maar helaas de huidige werkelijkheid. Desondanks ziet de rechtbank geen aanleiding om deze zaak langer aan te houden. In beginsel bestaat er recht op contact tussen vader en [minderjarige]. Op dit moment kan er echter geen regeling worden vastgesteld omdat dat niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht. De afgelopen twee jaar is ingezet op een vorm van contactherstel maar dat is, gelet op het mislukt contactmoment op 12 januari 2026, niet gelukt. [minderjarige] laat een extreme zorgelijke fysieke reactie zien. Het is aan de GI om met [zorgaanbieder], DGM én partijen in de ondertoezichtstelling te onderzoeken of contactherstel (en een mogelijk daaropvolgende contactregeling) met vader tot de mogelijkheden behoort. In de ondertoezichtstelling dient een helder beeld te worden verkregen over wat nodig is van beide partijen (en hulpverlening) zodat [minderjarige] eventueel (op termijn) het contact aan zou kunnen gaan met vader. Of [minderjarige] (al dan niet in de toekomst) in staat is het contact aan te gaan met vader is op dit moment nog onduidelijk. Naar het oordeel van de rechtbank dient een van de essentiële voorvragen daarbij te zijn of van moeder emotionele toestemming kan worden gevraagd, gelet op het verleden van huiselijk geweld. De GI is van mening, en heeft dit herhaaldelijk aangegeven, dat de sleutel bij moeder ligt voor het contact(herstel) tussen vader en [minderjarige]. Moeder krijgt ook psycho-educatie. De rechtbank is echter, net als de Raad, van mening dat eerst goed naar de voorvraag moet worden gekeken of het geven van emotionele toestemming wel van moeder verwacht kan worden. De Raad heeft de GI nog meegegeven in ieder geval ook psycho-educatie aan vader te geven. De onderhavige procedure kan niet bewerkstelligen dat de GI voortvarend(er) te werk gaat. Gelet op al het voorgaande, het onderzoek dat nog dient plaats te vinden in de ondertoezichtstelling en de eventuele daaropvolgende (kleine) stappen richting mogelijk contactherstel tussen vader en [minderjarige], valt niet te verwachten dat er op afzienbare termijn een structurele contactregeling van de grond zal komen. De rechtbank wijst het verzoek van vader daarom af. Indien na verloop van tijd in de ondertoezichtstelling blijkt dat het vormgeven van een contactregeling mogelijk is kan de GI een verzoek tot het vaststellen daarvan indienen.

3.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Mandemakers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.