Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5929Zaaknummer C/02/446454 / FA RK 26-1551
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 2 juni 2026
- Publicatiedatum
- 10 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/446454 / FA RK 26-1551
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststelling voorlopige voorzieningen. Toevetrouwing minderjarigen ana de vrouw. afwijzing verzoek vaststelling voorlopige zorgregeling. Raadsonderzoek verzocht ten beoheve van de bodemprocedure. uitsluitend gebruik woning.
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1], gemeente Goes, en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
verstaat dat de Raad voor de kinderbescherming, locatie Middelburg, bij verkort proces-verbaal van 13 mei 2026 is verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in dat proces-verbaal en in deze beschikking onder r.o. 4.3. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, onder de bepaling dat het hierover door de Raad op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend op de familiekamerrol van
18 augustus 2026 ten behoeve van de hoofdzaak met kenmerk C/02/446445 / FA RK
26-1548;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/446454 / FA RK 26-1551
datum uitspraak: 2 juni 2026
beschikking betreffende voorlopige voorzieningen
in de zaak van
[de vrouw],
wonende te [plaats 1],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N. Groen te Den Haag,
en
[de man],
wonende te [plaats 1], maar nu verblijvende op een zeiljacht,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. W. van der Sande te Goes.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: - de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 24 maart 2026 ontvangen verzoekschrift strekkende tot het treffen van een voorlopige voorziening;
- het op 26 maart 2026 ontvangen nieuw voorblad van het verzoekschrift;
- het F-formulier van mr. Groen van 6 mei 2026 met de bij het verzoekschrift behorende bijlagen;
- het op 7 mei 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen;
- de brief van mr. Groen van 8 mei 2026 met bijlagen.
1.2 De zaak is behandeld op de mondelinge behandeling van 13 mei 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3. Na te noemen minderjarigen [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ieder een brief aan de rechtbank gestuurd. Daarnaast hebben [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op 13 mei 2026 - voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak - ieder afzonderlijk een gesprek gehad met de kinderrechter.
2 De feiten
Partijen zijn op [datum] 2002 te [plaats 2] (België) met elkaar gehuwd.
Partijen hebben de navolgende, nu nog minderjarige, kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2010 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2012 te [geboorteplaats 2];
- [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats 3];
- [minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2020 te [geboorteplaats 3].
De minderjarigen verblijven bij de vrouw.
De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Belgische nationaliteit.
De vrouw heeft op 24 maart 2026 een bodemprocedure strekkende tot echtscheiding aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/446445 / FA RK 26-1548).
3 De verzoeken
De vrouw verzoekt om bij beschikking en bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- voor de duur van de echtscheidingsprocedure te bepalen dat de vrouw met uitsluiting van de man gerechtigd is tot het gebruiken van de woning aan [adres] te [plaats 1];
- dan wel zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en vraagt de rechtbank dat verzoek af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en voor de duur van het geding:
- bepalen dat een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 4], geboren op [geboortedag 4] 2020 te [geboorteplaats 3] en [minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2016 te [geboorteplaats 3], zal gelden waarbij zij gedurende een wekelijks dagdeel op zaterdag of zondag bij de man verblijven met een geleidelijke uitbreiding in drie maanden naar een weekendregeling per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot en met zondag 18.00, dan wel een zodanige regeling die de rechtbank het meest in het belang van de minderjarigen acht;
- te bepalen dat een voorlopige zorgregeling tussen de man en [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2010, en [minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2010, zal gelden, inhoudende dat het contact tussen de man en de minderjarige kinderen wordt hervat en gefaseerd wordt opgebouwd, te beginnen met:
a. éénmaal per week een begeleid contactmoment van twee uur via een professionele instantie;
b. met de mogelijkheid tot uitbreiding in duur en frequentie op basis van evaluatie door de betrokken instantie;
3. te verstaan dat partijen een voorlopige financiële regeling zijn overeengekomen, inhoudende dat:
a. de vrouw aan de man met ingang van 1 april 2026 maandelijks bij vooruitbetaling een bedrag van € 750,= netto voldoet ter zake leefgeld;
b. vrouw met ingang van 1 april 2026 gehouden is de gebruikelijke lasten te voldoen die zij ook tijdens het huwelijk droeg, waaronder in ieder geval de hypotheeklasten en overige eigenaarslasten van de echtelijke woning, alle kosten van de minderjarige kinderen, de lasten verbonden aan het zeiljacht waarop de man verblijft, waaronder liggeld, verzekering en onderhoud alsmede overige gebruikelijke en noodzakelijke kosten die naar hun aard tot de huishouding en het gezin van partijen behoren;
c. de onder a. en b. genoemde betalingen door de vrouw worden voldaan zonder dat deze nadien tussen partijen worden verrekend, althans zonder dat de vrouw daarvoor regres neemt op de man;
d. de man, zolang de vrouw aan voornoemde regeling voldoet, geen aanspraak maakt op partneralimentatie, althans daarmee bij de vaststelling van de voorlopige voorziening rekening mee te houden.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van het verzoek, hierna ingegaan.
4 De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat partijen in België met elkaar zijn gehuwd en de man de Belgische nationaliteit
heeft, heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft die
ambtshalve beoordeeld. De rechtbank is van oordeel dat haar rechtsmacht toekomt en dat zij
naar Nederlands recht dient te beslissen op de verzoeken.
Inhoudelijke beoordeling
Raadsonderzoek
De vrouw heeft tijdens de zitting verzocht om reeds nu vooruitlopend op en ten behoeve van de inmiddels aanhangige bodemprocedure de Raad te verzoeken onderzoek te doen. De man heeft aangegeven zich hierin te kunnen vinden. De Raad heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat, gelet op hetgeen de minderjarigen hebben meegemaakt, de complexe kindeigen problematiek van ieder van de minderjarigen, de door partijen genoemde ongezonde gezinsdynamiek en de forse inzet van hulpverlening, een Gezag & Omgangsonderzoek ten behoeve van de bodemprocedure geïndiceerd wordt geacht en deze zaak met voorrang op te kunnen pakken.
De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming vooruitlopend op en ten behoeve van de tussen partijen aanhangige bodemprocedure (bekend onder zaaknummer C/02/446445 / FA RK 26-1548) geïndiceerd is en heeft de Raad bij verkort proces-verbaal van 13 mei 2026 reeds verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Wat speelde/speelt er in de dynamiek van het gezin en wat betekent dit voor de invulling van het gezag en de zorgregeling in de toekomst?
- Welke zorgregeling door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de zorgregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
De rechtbank heeft de Raad bij voornoemd proces-verbaal verzocht rapport en advies in voornoemde bodemprocedure in te dienen op de familiekamerrol van 18 augustus 2026 bij de rechtbank, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen.
Voorlopige verdeling zorg- en opvoedingstaken
Ter onderbouwing van zijn verzoek tot vaststelling van voorlopige zorgregelingen tussen hem en [minderjarige 4] en [minderjarige 3] en tussen hem en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] heeft de man, samengevat, het volgende aangevoerd. Gedurende het huwelijk heeft de vrouw zich met name gericht op haar intensieve medische praktijk, terwijl de man de dagelijkse zorg voor de kinderen en het huishouden op zich nam. Binnen deze rolverdeling heeft de man jarenlang gefunctioneerd als primair verzorgende ouder. De thuissituatie werd echter in toenemende mate belast door de complexe zorgbehoeften van de kinderen die allen in meer of mindere mate te maken hebben met ontwikkelingsproblematiek en hoogbegaafdheid en - bij de jongste - het syndroom van down. Deze omstandigheden hebben een grote wissel getrokken op de draagkracht van de man. Hij is hierin tekort geschoten op momenten dat de druk hem teveel werd, hetgeen hij erkent en betreurt. Er zijn dingen gebeurd die impact op de kinderen hebben gehad en de man kan zich voorstellen dat de kinderen angstig zijn. De man heeft echter nooit vanuit kwade intenties gehandeld. Zoals ook tijdens het netwerkberaad aan de orde gekomen was er sprake van ongezonde gezinsdynamiek. De spanningen binnen het gezin hebben uiteindelijk geleid tot meldingen bij Veilig Thuis en tot het uiteengaan van partijen. Sinds het vertrek van de man uit de echtelijke woning is het contact tussen hem en de kinderen volledig verbroken doordat de vrouw dit eenzijdig heeft stopgezet. Het contact tussen de man en de minderjarigen moet op een zorgvuldige wijze worden hersteld en opgebouwd. Het is verstandig om onderscheid te maken tussen [minderjarige 4] en [minderjarige 3] enerzijds en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] anderzijds, omdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nu uitgesproken negatief zijn over contact met de man. Contact tussen de man en [minderjarige 4] en [minderjarige 3] kan per direct onbegeleid starten en voor het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is professionele begeleiding wenselijk. De kinderen hebben recht op onbelast contact met beide ouders. De vrouw is er tijdens het netwerkberaad op gewezen dat het ook haar taak en verantwoordelijkheid is om daaraan mee te werken en dit te ondersteunen.
De vrouw heeft als verweer tegen het verzoek van de man, samengevat, het volgende naar voren gebracht. De kinderen hebben aangegeven dat er sprake is van gewelddadige incidenten van de man jegens de kinderen. Zij hebben aangegeven hier veel last van te hebben. Gelet hierop en hetgeen de vrouw zelf heeft ervaren wordt de vaststelling van voorlopige zorgregelingen tussen de man en de minderjarigen niet in het belang van de kinderen geacht. In het netwerkberaad van 11 mei jl. is naar voren gekomen dat er sprake was van een ongezonde gezinsdynamiek en is afgesproken dat er nu eerst rust en stabiliteit voor de kinderen moet komen. De zorgregelingen die de man verzoekt zorgen niet voor de benodigde rust en stabiliteit. Er moet eerst via een Raadsonderzoek worden onderzocht wat er nodig is om op een voor de kinderen veilige manier contact te laten plaatsvinden tussen de man en de kinderen en, mede gelet op hun kindeigen problematiek, wat de draagkracht van de kinderen is. Gelet hierop moet de verzoeken van de man het vaststellen van voorlopige zorgregelingen worden afgewezen. Wellicht dat de binnenkort aan te stellen casusregisseur kan bezien of contact tussen de man en de kinderen in het belang van de kinderen is en zo ja, op welke manier. Daarbij moet rekening worden gehouden met hun kwetsbaarheid.
De Raad heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De kinderen hebben veel meegemaakt. Er is sprake geweest van mishandeling van de kinderen door de man. De man heeft dit niet bewust gedaan, maar uit onmacht. De vrouw is onvoldoende in staat gebleken de kinderen hiertegen te beschermen. De kinderen hebben recht op rust en veiligheid. Daarbij komt dat er bij elk van de kinderen sprake is van een kindeigen problematiek. Er is veel hulpverlening bij het gezin van partijen betrokken. De Raad vindt een Gezag & Omgangsonderzoek passend en kan prioriteit geven aan deze zaak. Voor de tussenliggende periode adviseert de Raad voor wat betreft [minderjarige 1] en [minderjarige 2], gelet op hun leeftijd en hetgeen zij hebben meegemaakt, vooralsnog geen zorgregeling vast te stellen. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] willen op dit moment geen contact met hun vader. De kinderen zitten nog vol met negatieve gevoelens over hun vader. Dat mag en hoort bij het proces. Er is hen nog onvoldoende erkenning en veiligheid gegeven, zodat zij hun boosheid nog niet los kunnen laten. Ook ten aanzien van [minderjarige 4] adviseert de Raad nu geen voorlopige zorgregeling vast te leggen. [minderjarige 4] kan niet praten, maar heeft signalen afgegeven waaruit blijkt dat ook hij last heeft (gehad) van de ongezonde gezinsdynamiek. [minderjarige 4] is een kwetsbaar kind dat veel spanningen heeft meegemaakt. [minderjarige 3] heeft aangegeven zijn vader wel te willen zien maar daartoe niet verplicht te willen worden. Voor wat betreft [minderjarige 3] zou volgens de Raad eventueel gedacht kunnen worden aan zorgregeling waarbij er gedurende 1,5 a 2 uur per twee weken een begeleid contact plaatsvindt tussen hem en de man.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen hebben tijdens de zitting genoemd dat er, zoals ook tijdens het netwerkberaad van 11 mei jl. naar voren gekomen, tijdens de relatie van partijen sprake was van een ongezonde gezinsdynamiek. De thuissituatie van partijen werd in toenemende mate belast door de kindeigen problematiek en daarmee de complexe zorgbehoeften van de minderjarigen. Tijdens de samenleving nam de man de dagelijkse zorg voor de kinderen en het huishouden op zich, terwijl de vrouw buitenshuis werkte. De man heeft erkend dat hij de minderjarigen mishandeld heeft. Hij stelt dat de zorg voor en de problematiek van de kinderen, samen met de ongezonde dynamiek een (te) grote wissel op zijn draagkracht heeft getrokken en dat de situatie hem boven het hoofd is gegroeid. De vrouw geeft aan dat zij regelmatig tussen de man en de kinderen is gesprongen, maar de kinderen niet altijd tegen de agressie van de man heeft kunnen beschermen. De incidenten hebben geleid tot meldingen bij Veilig Thuis en de forse inzet van hulpverlening. Tijdens het netwerkberaad is besproken dat er eerst rust en stabiliteit voor de kinderen moet komen. In dat kader zijn er veiligheidsafspraken gemaakt, is afgesproken dat de man niet meer in de echtelijke woning komt en dat er een casusregisseur wordt aangesteld. Besloten is verder dat de hulpverlening in de vorm van traumaverwerking voor [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 4] in de tussentijd door zal lopen. Voor [minderjarige 3] is besloten de traumaverwerking te pauzeren vanwege de vele trajecten die er al voor hem lopen. Zo volgt [minderjarige 3] fysiotherapie, een traject met betrekking tot een mogelijke diagnose van ASS en een dyslexietraject.
Voor alle kinderen geldt dat zij, gelet op hun kindeigen problematiek en dat wat zij hebben meegemaakt, kwetsbaar zijn. Er bestaan grote zorgen over hun fysieke en emotionele veiligheid. Met de Raad is de rechtbank dan ook van oordeel dat de minderjarigen op dit moment in de eerste plaats behoefte hebben aan rust, stabiliteit en veiligheid. Het op dit moment vaststellen van een voorlopige zorgregeling, zal naar verwachting juist het omgekeerde effect hebben. Hierbij weegt de rechtbank in navolging van de Raad ook mee dat zowel [minderjarige 1] als [minderjarige 2] tijdens de kindgesprekken nadrukkelijk hebben verklaard nu echt geen contact te willen met hun vader, welke wens gelet op hun leeftijd en hetgeen zij hebben meegemaakt, vooralsnog gerespecteerd moet worden. Voor wat betreft [minderjarige 4] geldt dat hij extra kwetsbaar is, omdat hij niet kan praten maar wel signalen heeft afgegeven waaruit blijkt dat ook hij last heeft (gehad) van de ongezonde gezinsdynamiek. Gelet op hetgeen er tijdens het netwerkberaad is besloten ten aanzien van de hulpverlening voor [minderjarige 3] is de rechtbank, in afwijking van het advies van de Raad, van oordeel dat het op dit moment ook niet in zijn belang is om een voorlopige zorgregeling vast te stellen. Dit zal [minderjarige 3] immers niet de rust en stabiliteit bieden die hij, mede gelet op de vele trajecten die hij doorloopt en het pauzeren van de traumaverwerking juist zo hard nodig heeft. Bovendien zal het vastleggen van een voorlopige zorgregeling voor alleen [minderjarige 3] hem mogelijk het gevoel geven dat hij op gezette momenten contact met zijn vader moet hebben, terwijl hij zich tijdens het kindgesprek juist uitdrukkelijk heeft verzet tegen een opgelegd contactmoment, maar hij heeft aangegeven dat hij enkel open staat voor optioneel begeleid contact met de man naar zijn eigen behoefte. Daarbij komt dat het op dit moment niet duidelijk is wat er nodig is om de kinderen fysieke en emotionele veiligheid in het contact met de man te bieden en wat, gelet op ieders kindeigen problematiek en de traumatisering waarover wordt gesproken, de draagkracht van ieder van de kinderen is. Daarvoor is de uitkomst van het door de Raad ten behoeve van de bodemprocedure te verrichten onderzoek nodig. Gelet op het voorgaande en de omstandigheid dat de Raad heeft toegezegd het onderzoek ten behoeve van de bodemprocedure met voorrang op te pakken en binnen een periode van 13 weken af te kunnen ronden, vindt de rechtbank dat dit onderzoek en het advies van de Raad in het belang van de minderjarigen eerst moet worden afgewacht, alvorens een zorgregeling kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de verzoeken van de man tot vaststelling van een voorlopige zorgregeling in het in het kader van voorlopige voorzieningen worden afgewezen.
Het voorgaande brengt mee dat de op korte termijn aan te stellen casusregisseur zich bovendien eerst volledig kan concentreren op datgene waarmee partijen als ouders aan de slag moeten en zich niet meteen (ook) hoeft te richten op (herstel van) de omgangscontacten tussen de man en de minderjarigen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat zij erop vertrouwt dat partijen meewerken aan het door hen in samenspraak met de casusregisseur op te stellen plan en daarmee in het belang van hun kinderen voortvarend aan de slag gaan.
Uitsluitend gebruik echtelijke woning
Ter onderbouwing van haar verzoek om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning heeft de vrouw, samengevat, het volgende aangevoerd. De vrouw heeft belang bij dit verzoek, omdat zij de man eerder heeft gevraagd de echtelijke woning blijvend te verlaten maar hij hier geen gehoor aan heeft gegeven. Dat tijdens het netwerkberaad van 11 mei jl. de afspraak is gemaakt dat de man niet meer in de woning komt betekent dus niet dat de man zich aan deze afspraak zal houden. Dit terwijl het juist in het belang van de kinderen is dat er rust komt. De man heeft bovendien alternatieve woonruimte, want hij woont op het grote zeiljacht van partijen dat van alle gemakken is voorzien.
De man heeft als verweer tegen het verzoek van de vrouw aangevoerd dat de vrouw geen belang heeft bij haar verzoek, omdat hij de echtelijke woning al heeft verlaten en omdat in het netwerkberaad van 11 mei jl. de afspraak is gemaakt dat de man niet meer in de echtelijke woning komt.
De rechtbank overweegt als volgt. Zoals hiervoor al overwogen was er sprake van een ongezonde gezinsdynamiek waardoor de minderjarigen, die ook nog eens alle vier kampen met een kindeigen problematiek, het nodige hebben meegemaakt. Partijen hebben tijdens het netwerkberaad van 11 mei jl. de afspraak gemaakt dat er nu in de eerste plaats rust en stabiliteit moet komen voor de kinderen, hetgeen ook de Raad tijdens de zitting heeft benadrukt. Het is daarom in het belang van de minderjarigen dat er een zo stabiel mogelijke thuissituatie is. Daar draagt aan bij dat de vrouw als verzorgende ouder het uitsluitend
gebruik van de echtelijke woning heeft. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom toewijzen. Zij weegt daarbij ook mee dat de man inmiddels op het zeiljacht van partijen verblijft en dus zelf geen belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de woning, hetgeen hij overigens zelf ook niet heeft verzocht. Daarenboven is verder niet gebleken van gemotiveerde bezwaren van de man tegen het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning door de vrouw.
Financiële afspraken
Ter onderbouwing van zijn verzoek tot het vastleggen van de door partijen gemaakte financiële afspraken heeft de man het volgende aangevoerd. Partijen hebben in aanwezigheid van hun advocaten op 10 april jl. mondelinge afspraken gemaakt over de financiële invulling van hun uiteengaan. De man wenst deze afspraken vastgelegd te zien in de vorm van een zogenoemde verstaansbepaling.
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de man om de eerder gemaakte financiële afspraken vast te leggen. Zij stelt dat de omstandigheden zijn gewijzigd nadat partijen de door de man vermelde afspraken hebben gemaakt. Zo is er een wijziging opgetreden in de kosten en heeft de man inmiddels een baan in ploegendienst aanvaard. Dit betekent dat partijen opnieuw met elkaar in overleg zullen moeten treden om tot proberen tot aangepaste financiële afspraken te komen.
De rechtbank overweegt dat nu partijen verdeeld zijn over de afspraken die de man vastgelegd wenst te zien en het verzoek van de man tot het vastleggen van de door partijen gemaakte financiële afspraken niet valt onder de in artikel 822 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering opgenomen limitatieve opsomming van te vragen voorlopige voorzieningen, het verzoek van de man niet voor toewijzing in aanmerking komt en dus zal worden afgewezen.
Directe werking
Tegen deze beslissing staat geen gewoon rechtsmiddel open. Ingevolge artikel 824 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan alleen cassatie in het belang der wet worden ingesteld. Hoger beroep is dus niet mogelijk. Dit betekent dat deze beslissing directe werking heeft.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1], gemeente Goes, en beveelt de man die woning te verlaten en deze verder niet te betreden;
verstaat dat de Raad voor de kinderbescherming, locatie Middelburg, bij verkort proces-verbaal van 13 mei 2026 is verzocht een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in dat proces-verbaal en in deze beschikking onder r.o. 4.3. vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren, onder de bepaling dat het hierover door de Raad op te maken rapport bij de rechtbank moet worden ingediend op de familiekamerrol van
18 augustus 2026 ten behoeve van de hoofdzaak met kenmerk C/02/446445 / FA RK
26-1548;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hendriks, rechter tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Van ’t Veer-Bax, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.