Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 2 juli 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5904Zaaknummer BRE 26/3247 PW VV

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
BRE 26/3247 PW VV
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Tilburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Kennelijk n-o. Bestreden besluit niet overgelegd.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 2 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker], uit [plaats], verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/3247

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tilburg (college), verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het niet betalen van vakantiegeld door het college.

1.1.

Op grond van artikel 8:83, derde lid van de Awb is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft (het besluit) overleggen. Dit staat in artikel 8:81, vierde lid, in samenhang met artikel 6:5, eerste lid, van de Awb. Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter - na een herstelmogelijkheid - het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

2.1.

De voorzieningenrechter heeft op 18 juni 2026 een verzoekschrift ontvangen van verzoeker. Daarbij is het besluit waar dit verzoek betrekking op heeft niet overgelegd. De griffier heeft verzoeker bij brief van 18 juni 2026 verzocht om dit verzuim uiterlijk 25 juni 2026 te herstellen. Verzoeker is erop gewezen dat het verzoek anders niet-ontvankelijk verklaard kan worden.

2.2.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker tot op heden niet heeft gereageerd op de brief van de griffier van 18 juni 2026.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Breeman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Constant, griffier, op 2 juli 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.