Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 juni 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:5866Zaaknummer C/02/445689 / JE RK 26-368

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
12 augustus 2026
Zaaknummer
C/02/445689 / JE RK 26-368
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 1 juni 2026 tot 1 juni 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking verstrekt aan (de advocaat van) de vader.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/445689 / JE RK 26-368

Datum uitspraak: 1 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant,

locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. C.F.A. Cadot uit Roosendaal.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats],

advocaat mr. L.A.P van Haperen uit Breda,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 maart 2026;
  • het formulier van de Raad van 14 april 2026;
  • de brief van de GI van 22 mei 2026;
  • de brief van mr. Cadot van 27 mei 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- de vader met zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad;

- twee vertegenwoordiger van de GI (via teams).

1.3.

Op de zitting is ook het verzoek van de vader over de omgangsregeling, het gezag en de informatieregeling behandeld (zaaknummer: C/02/417457 FA RK 23-6065). In die zaak is een afzonderlijke beschikking gewezen.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij haar moeder.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank van 12 april 2024 is aan de vader vervangende toestemming verleend tot erkenning van [minderjarige]. De vader heeft daarop [minderjarige] erkend.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangegeven. De ouders zijn eerder door de rechtbank verwezen naar het uniform hulpaanbod. Dit heeft niet tot de gewenste resultaten geleid. Als de ouders op goede voet met elkaar staan, kunnen zij gezamenlijk afspraken maken over het contact tussen [minderjarige] en de vader. Echter, wanneer dit niet het geval is, is er sprake van wantrouwen en strijd tussen de ouders. De ouders hebben geen zorgen over elkaar als opvoeder. De zorg is gelegen in het middelengebruik van de vader. De vader stelde ten tijde van het raadsonderzoek dat hij clean was. De moeder stelt dat de vader nog actief gebruikt naar aanleiding van meerdere situaties waarin hij onder invloed was, zowel tijdens overdrachts- en contactmomenten met [minderjarige] als blijkend uit politiemeldingen. Dit heeft in augustus 2025 geleid tot het stopzetten van de opgebouwde omgang tussen [minderjarige] en de vader door de moeder. De vader heeft moeite met het wantrouwen vanuit de moeder. Hij zou juist in openheid met haar willen spreken over triggers of zucht naar gebruik, zodat de ouders afspraken voor deze situaties kunnen maken. De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat het goed is dat de vader open aangeeft dat hij recent een terugval in het drugsgebruik heeft gehad en hij daarom op dit moment niet voor [minderjarige] kan zorgen. Hij zal hier eerst zelf mee aan de slag moeten gaan. Naar de visie van de Raad is het de vraag of de vader in staat is het middelengebruik weg te houden van [minderjarige] en een verantwoordelijke vader te zijn, zodat er geen zorgen zijn over de veiligheid van [minderjarige] als zij bij hem is. Voor [minderjarige] is het belangrijk voorspelbaar contact met beide ouders te kunnen hebben. Op termijn kan met de GI wellicht bekeken worden of er iemand in het netwerk van de vader is waar [minderjarige] in een bepaalde frequentie kan verblijven en dat de vader, als hij daartoe in staat is, daarlangs kan gaan om [minderjarige] te zien. Dan wordt daarmee de zorg van de moeder over de veiligheid mogelijk weggehaald. De kwetsbaarheden van beide ouders zijn van invloed op hun verstoorde dynamiek. De vader heeft PTSS en ADHD en heeft moeite met zijn emotieregulatie. Hij krijgt hulpverlening vanuit [hulpverlening]. De moeder is recent gediagnosticeerd met onder andere een sociale angststoornis. Zij heeft moeite met emoties en sociale interacties en heeft paniekklachten. Zij volgt een hulptraject bij de Viersprong. [minderjarige] ontwikkelt zich goed. De moeder krijgt ondersteuning van de Viersprong om emotioneel aan te sluiten bij [minderjarige].

4.2.

De GI kan zich vinden in het doel dat de Raad heeft gesteld dat bekeken wordt hoe de vader op een onbelaste manier in het leven van [minderjarige] kan zijn. De komende tijd zal de vader aan zichzelf moeten gaan werken gezien zijn terugval in het drugsgebruik. De vader is, zoals hij ook zelf aangeeft, op dit moment niet beschikbaar voor [minderjarige] en kan aan haar geen voorspelbaar contact bieden. Het is belangrijk dat de vader de GI in zijn traject betrekt. Als het zover is, kan met de GI bekeken worden welke vorm van contact in het belang van [minderjarige] is. De GI kan wegens de wachtlijst niet direct een jeugdbeschermer aanstellen. Er zal wel actief worden gemonitord, waarbij er ook om de paar weken contact zal zijn met de ouders.

4.3.

De moeder verzet zich niet tegen het verzoek en kan zich vinden in de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar. Zij heeft al maanden het vermoeden dat de vader weer drugs gebruikt, omdat hij bijvoorbeeld meerdere keren in slaap is gevallen bij het ophalen van [minderjarige], onder invloed van drugs is aangetroffen in een zonnebankstudio en uit een politiemelding bleek dat er sprake was van GHB-gebruik door de vader bij een eenzijdig ongeval. De moeder vindt het lastig dat de vader hierover zegt dat zij liegt. De moeder heeft nog geprobeerd dat de vader enkele keren per week bij haar thuis kwam om [minderjarige] in haar aanwezigheid te zien. Dat is ook niet goed verlopen. Vervolgens heeft zij nog de optie gegeven om te videobellen. De vader is een keer tijdens het videobellen met [minderjarige] ‘out’ gegaan. De vader nam zelf niet het initiatief om te videobellen. De moeder heeft ter bescherming van de veiligheid van [minderjarige] de omgang met de vader gestopt. De moeder heeft geen problemen met de vader zelf, maar wel met zijn drugsgebruik. De moeder gunt [minderjarige] het contact met haar vader, maar zij vraagt zich wel af welke mogelijkheden er zijn om dit contact in te vullen zonder dat [minderjarige] hinder ondervindt van het drugsgebruik van de vader. De drugsafhankelijkheid kan niet zomaar een dagdeel worden onderbroken en de middelen blijven ook langer werkzaam in het lichaam. De moeder vraagt zich ook af hoe lang zij zelf nog blootgesteld kan worden aan het drugsgebruik van de vader. Zij vindt het moeilijk om hem zo te zien en het komt haar eigen hulpverleningstraject niet ten goede. De moeder hoopt dat binnen de ondertoezichtstelling zicht komt op wat de realistische mogelijkheden zijn voor een veilig contact tussen de vader en [minderjarige].

4.4.

De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij recent een terugval in het drugsgebruik heeft gehad. Hij is depressief aan het worden, omdat hij [minderjarige] niet meer mag zien. Tijdens het raadsonderzoek was er geen sprake van drugsgebruik door hem. Het klopt niet wat de moeder daarover aangeeft. Hij heeft al contact gelegd met Novadic-Kentron om weer een behandeltraject met een detox aan te gaan. Op dit moment is de vader niet in staat omgang met [minderjarige] te hebben. Hij is het eens met het verzoek tot ondertoezichtstelling. Beide ouders hebben een aandeel. Er is sprake van aantrekken en afstoten. De verplichte hulpverlening is nodig om beide ouders te bewegen.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarig zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en

b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat zij niet structureel en onbelast contact heeft met haar vader. Er is onduidelijkheid over de veiligheid van [minderjarige] als zij contact heeft met de vader in verband met zijn middelengebruik. De ouders zijn daardoor ook onvoldoende in staat samen afspraken te maken over dit contact tussen [minderjarige] en de vader. Er heerst wantrouwen tussen de ouders. Daarbij speelt mee dat beide ouders kwetsbaarheden hebben in hun persoonlijkheid. Op den duur zal [minderjarige] ook hinder gaan ondervinden van deze spanningen tussen de ouders.

5.3.

De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ouders hebben een traject gehad binnen het uniform hulpaanbod. Dit heeft niet tot de gewenste resultaten geleid. De ouders blijken onvoldoende in staat om op structurele basis afspraken met elkaar te maken en na te komen.

5.4.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.

5.5.

De kinderrechter zal de doelen zoals beschreven in het raadsrapport overnemen:

- [minderjarige] ervaart positieve basale zorg en veiligheid bij haar beide ouders;0

- [minderjarige] heeft structureel en onbelast contact met haar beide ouders;

- [minderjarige] heeft ouders die in staat zijn op constructieve wijze, in het belang van [minderjarige], met elkaar te communiceren.

De kinderrechter benoemt daarbij dat het op dit moment eerst aan de vader is om de komende tijd te laten zien dat hij het behandeltraject bij Novadic-Kentron aan kan blijven gaan. Het is daarbij van belang dat de vader aan de GI inzicht geeft in zijn behandeltraject. Het is immers aan de GI om vervolgens te bekijken of en op welke wijze daarna het contact tussen [minderjarige] en de vader hersteld kan worden, met oog voor de veiligheid van [minderjarige].

5.6.

De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_e44d16a7-a6d9-41ab-bd9e-a91ca1b463b2]

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.8.

De kinderrechter zal bepalen dat een afschrift van deze beschikking zal worden verstrekt aan (de advocaat van) de vader, ook al is hij informant in deze procedure, omdat de kinderrechter het belangrijk vindt dat de vader kennis heeft van de inhoud van deze beslissing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 1 juni 2026 tot 1 juni 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking verstrekt aan (de advocaat van) de vader.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.