Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1 juni 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5862Zaaknummer C/02/447653 / JE RK 26-749
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 1 juni 2026
- Publicatiedatum
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/02/447653 / JE RK 26-749
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling minderjarige vanwege ernstig schoolverzuim op de basisschool en zorg over sociale isolatie. De moeder houdt alle hulpverlening buiten de deur vanwege wantrouwen naar de overheid.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 1 juni 2026 tot 1 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447653 / JE RK 26-749
Datum uitspraak: 1 juni 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats].
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 28 april 2026;
- de door de Raad op 6 mei 2026 overgelegde akte van geboorte van de minderjarige;
- de email van de Raad van 18 mei 2026;
- de brief van de GI van 22 mei 2026.
De moeder heeft op 1 juni 2026 in de middag nog een e-mail gestuurd aan de griffie van de rechtbank. Deze e-mail is door de kinderrechter niet meegenomen in de beoordeling van het verzoek, omdat deze e-mail na de zitting en na de mondelinge uitspraak van de kinderrechter is ontvangen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 1 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- twee vertegenwoordiger van de GI (via teams).
De moeder is, hoewel correct opgeroepen, niet verschenen.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij zijn moeder.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van zes maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De Raad heeft ter onderbouwing van het verzoek aangegeven dat er ernstige zorgen zijn over het feit dat [minderjarige] al ruim een jaar niet meer naar school gaat en dat onbekend is hoe het met [minderjarige] gaat, omdat de moeder geen hulpverlening toelaat. Vanaf de start van de basisschool is er bij [minderjarige] sprake van veelvuldig schoolverzuim. Hij heeft al op vier basisscholen gezeten. De moeder heeft bij de laatste school aangegeven dat hij een schooltrauma heeft een daardoor weerstand heeft om naar school te gaan. De Raad heeft ernstige zorgen over de impact van het schoolverzuim van [minderjarige] op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, over de achterstand in zijn cognitieve ontwikkeling en de gevolgen voor zijn toekomst. Het is van belang dat door de GI gekeken gaat worden naar de onderliggende oorzaken van het schoolverzuim, waarom het de moeder niet lukt om [minderjarige] structureel naar school te laten gaan en hoe hij toch passend onderwijs kan gaan krijgen. De moeder en [minderjarige] moeten door de GI gesproken gaan worden. Door het wantrouwen van de moeder in de hulpverlening en de overheid laat zij geen hulpverleners toe. Veilig Thuis, het sociaal team en de politie zijn door de moeder niet toegelaten. De Raad is in de spoedfase eenmaal (onder bemiddeling van oma moederszijde) in de woning van de moeder geweest, maar heeft [minderjarige] niet mogen spreken. De Raad heeft tijdens het onderzoek de moeder niet kunnen spreken. Er is daardoor geen zicht op de opvoedingsomgeving van de moeder. De Raad maakt zich zorgen over de afhoudende houding van de moeder en haar wantrouwen in de overheid, mogelijk door de impact van de toeslagenaffaire. Het niet accepteren van hulp kan ervoor zorgen dat het gezin steeds meer in sociale isolatie komt en er daardoor een groot beroep wordt gedaan op de eigen belastbaarheid van de moeder. Bekeken moet worden hoe de moeder bewogen kan worden om hulpverlening toe te laten op alle domeinen waar het nodig is. Binnen de ondertoezichtstelling zal de moeder openheid moeten geven over de ontwikkeling van [minderjarige]. De GI heeft bij een ondertoezichtstelling de mogelijkheid om met [minderjarige] in gesprek te gaan zonder de instemming van de moeder en kan met een beroep op de Jeugdwet informatie opvragen bij derden die beroepshalve over informatie over [minderjarige] en de moeder beschikken. Tenslotte heeft [minderjarige] al ruim negen jaar geen contact met zijn vader. Het is de Raad onbekend waarom dit contact is verbroken en of [minderjarige] de ruimte krijgt om te begrijpen waar hij vandaan komt. Dit vormt een risico voor zijn identiteitsontwikkeling. Doordat de Raad niet in gesprek heeft kunnen komen met de moeder, [minderjarige] of het netwerk en er daardoor onvoldoende zicht is gekomen op de situatie is de ondertoezichtstelling verzocht voor de duur van zes maanden. Dit biedt aan de GI de mogelijkheid om zicht te krijgen op de ontwikkeling en opvoedsituatie van [minderjarige] en om te bekijken of er mogelijkheden binnen het vrijwillig kader zijn. Als er daarna gronden zijn, kan de GI om verlenging van de ondertoezichtstelling verzoeken.
De GI heeft naar voren gebracht dat het zeer zorgelijk is dat er al een jaar totaal geen zicht is op [minderjarige], doordat hij niet meer naar school gaat. Het autonome gedrag van de moeder is hierin bijzonder. De GI vraagt zich daarbij af wat er is gebeurd dat de moeder zo afhoudend en wantrouwig is. De moeder heeft klaarblijkelijk veel voor haar kiezen gehad. De GI zou haar anders gunnen. Het is belangrijk dat er zicht komt op [minderjarige]. Tenslotte zal met hem bekeken moeten worden of voor hem duidelijk is waarom zijn vader niet in zijn leven is. De GI heeft de zaak rood geprioriteerd, dat betekent dat op korte termijn een jeugdbeschermer vanuit een vestiging wordt aangesteld.
5 De beoordeling
De kinderrechter kan op grond van artikel 1:255 eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarig zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daarnaast moet:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van deze bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouder(s) die het gezag uitoefenen, niet of onvoldoende door hen worden geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd zijn dat de ouder(s) die het gezag uitoefenen de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige in staat zijn te dragen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbare termijn.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd, omdat hij al een jaar niet naar school gaat en in de jaren daarvoor vaak van school is gewisseld en geregeld school heeft verzuimd. Dit gaat niet alleen ten koste van zijn cognitieve ontwikkeling, zoals de basisvaardigheden van het lezen, schrijven en rekenen. Dit belemmert ook zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Op school leert een kind immers omgaan met leeftijdsgenootjes, door te spelen met elkaar en een vriendschap op te bouwen, maar ook hoe om te gaan met ruzie. Een kind leert daar te functioneren binnen een groep. Er is een risico op sociale isolatie van [minderjarige], mede door het wantrouwen van de moeder naar de hulpverlening en de overheid. De kinderrechter vindt het heel zorgelijk dat er geen zicht is op wat er met [minderjarige] en zijn moeder aan de hand is dat er zoveel wantrouwen is en de deur dicht wordt gehouden voor hulpverleningsinstanties. Het ontbreken van het zicht op [minderjarige] heeft ook tot gevolg dat er zorgen zijn over het feit dat de vader van [minderjarige] niet in zijn leven is. Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van belang dat hij weet van wie hij afstamt en waarom hij geen contact heeft zijn vader. Het is onbekend of hier sprake van is.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De moeder laat de hulpverlening niet toe. Zij heeft letterlijk de deur niet opengedaan voor Veilig Thuis en het sociaal team. De Raad is eenmaal bij de moeder binnen geweest, maar heeft [minderjarige] niet kunnen spreken en de zorgen zijn niet weggenomen. De moeder heeft niet meegewerkt aan het raadsonderzoek, ondanks verschillende pogingen om met haar in contact te komen.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de verzochte duur van zes maanden.
De kinderrechter vindt, met de Raad en de GI, de snelle inzet van een jeugdbeschermer nodig om zicht te gaan krijgen op de ontwikkeling van [minderjarige] en de opvoedomgeving bij de moeder. De GI heeft aangegeven de zaak rood (als spoedeisend) te prioriteren. De kinderrechter sluit zich aan bij de doelen in het raadsrapport:
- [minderjarige] volgt passend onderwijs;
- [minderjarige] heeft een opvoeder die in staat is zicht te geven over de huidige opvoedomgeving en de samenwerking met hulpverlening aan kan gaan;
- [minderjarige] heeft duidelijkheid over wie zijn vader is en waar hij vandaan komt.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[_9424f4fb-a70a-4463-bc2c-008fb2b83248]
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 1 juni 2026 tot 1 december 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 1 juni 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Verger-Maas als griffier, en op schrift gesteld op 10 juni 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.