Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 28 mei 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:5692Zaaknummer C/02/420985 FA RK 24-1630
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 28 mei 2026
- Publicatiedatum
- 24 juli 2026
- Zaaknummer
- C/02/420985 FA RK 24-1630
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Combizaak, overeenstemming over zorgregeling en kinderbijdrage. Bewindvoerders betrokken.
De rechtbank:
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eens per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en de andere week op maandag na school tot 19.00 uur (zolang de man met [minderjarige] naar dansles gaat) en daarnaast gedurende de helft van de vakanties in onderling overleg door de man en de vrouw te bepalen;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, zolang ten aanzien van de man een minnelijke dan wel wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, op nihil, waarbij de man gehouden is binnen twee weken na het einde van een dergelijke regeling de vrouw daarvan op de hoogte te stellen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/420985 FA RK 24-1630
datum uitspraak 28 mei 2026
beschikking betreffende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en levensonderhoud
in de zaak van
Zeker Financieel Beheer B.V,
adres houdend te Middelburg,
in de hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de vrouw,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen,
en
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. F.J.I. van den Branden te Terneuzen,
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
hierna te noemen de man,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg,
en
Kwakkenbos Bewindvoeringen B.V.,
adres houdend te Goes,
in de hoedanigheid als bewindvoerder over de goederen van de man,
advocaat mr. R. Wouters te Middelburg.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1 Het procesverloop
1.1 Dit blijkt uit de volgende stukken:
- het op 5 april 2024 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het e-mailbericht van 13 augustus 2025 van Kind in scheiding Zeeland met als bijlage de terugmelding van het hulpverleningstraject (UHA);
- de brief d.d. 26 augustus 2025 van de Raad;
- het F9-formulier d.d. 6 oktober 2025 van mr. Van den Branden met bijlage;
- de brief d.d. 11 december 2025 van mr. Van den Branden met bijlage;
- het op 15 januari 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;
- de brief d.d. 16 maart 2026 met het rapport en advies van de Raad;
- de brief d.d. 8 april 2026 van mr. Van den Branden;
- het F9-formulier d.d. 9 april 2026 van de Raad.
1.2. De op 9 april 2026 bepaalde mondelinge behandeling heeft op verzoek van partijen – omdat zij algehele overeenstemming hadden bereikt – geen doorgang gevonden.
1.3. Na te noemen minderjarige is gelet op haar leeftijd in staat gesteld haar mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd kindgesprek.
2 De feiten
Partijen, Nederlanders, hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie het navolgende, nu nog minderjarige kind is geboren:
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015.
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
[minderjarige] woont bij de vrouw.
Bij beschikking d.d. 27 september 2021 van de kantonrechter van deze rechtbank is een tijdelijk bewind ingesteld over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de vrouw met benoeming van [persoon 1] h.o.d.n. B&M Budgetbeheer. Bij beschikking d.d. 15 december 2022 is voornoemde bewindvoerder ontslagen en is met ingang van
1 januari 2023 [persoon 2] h.o.d.n. B&M Budgetbeheer als opvolgend bewindvoerder benoemd. Bij beschikking d.d. 7 november 2024 is [persoon 2] h.o.d.n. B&M Budgetbeheer vanaf 1 december 2024 ontslagen als bewindvoerder onder gelijktijdige benoeming van Zeker Financieel B.V. te Middelburg.
Bij beschikking d.d. 20 november 2024 heeft de kantonrechter te Middelburg een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de man met benoeming van Kwakkenbos Bewindvoeringen B.V. te Goes tot bewindvoerder.
3 De verzoeken
De vrouw en haar bewindvoerder verzoeken thans, samengevat, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarige bij de man verblijft eens per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en de andere week op maandag van na school tot 19.00 uur (zolang de man met [minderjarige] naar dansles gaat) en daarnaast gedurende de helft van de vakanties in overleg te bepalen;
- te bepalen dat de man niet gehouden is een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige te voldoen zolang ten aanzien van hem een minnelijke dan wel wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is onder de bepaling dat de man gehouden is binnen twee weken na het einde van een dergelijke regeling de vrouw daarvan op de hoogte te stellen.
4 De beoordeling
Bij brief van 8 april 2026 is namens de vrouw en haar (huidige) bewindvoerder bericht dat partijen overeenstemming hebben bereikt. Gelet op die overeenstemming wijzigen de vrouw en haar bewindvoerder de verzoeken zoals hiervoor onder 3.1. is weergegeven. Zij geven daarbij aan dat de mondelinge behandeling geen doorgang hoeft te vinden.
Bij genoemd F9-formulier d.d. 9 april 2026 is namens de man en zijn bewindvoerder bericht dat wordt ingestemd met de overeenstemming zoals door mr. Van den Branden in haar brief van 8 april jl. is aangegeven. Voorts wordt aangegeven dat de zitting geen doorgang hoeft te vinden.
Nu partijen overeenstemming hebben bereikt omtrent de zorgregeling en deze regeling, mede gelet op het Raadsadvies, in het belang van de minderjarige wordt geacht, zal de rechtbank dienovereenkomstig beslissen.
Ten aanzien van de kinderbijdrage wordt als volgt overwogen. Het verzoekschrift is gericht tegen de man. Uit de stukken blijkt dat, nadat de man op 20 november 2024 onder bewind was gesteld, de bewindvoerder van de man in de procedure is betrokken.
Mr. Wouters heeft namens de man en de bewindvoerder van de man verweer gevoerd en heeft vervolgens bericht dat de man en zijn bewindvoerder kunnen instemmen met de overeenstemming, zoals dat door mr. Van den Branden in haar brief van 9 april 2026 is verwoord. Daarmee staat voldoende vast dat met betrekking tot het verzoek omtrent de kinderbijdrage de bewindvoerder van de man procespartij is geworden (ook al wordt hij niet als zodanig in de stukken genoemd). De rechtbank zal in het navolgende wel blijven spreken over de man en de vrouw dan wel partijen. Hetgeen partijen omtrent de kinderbijdrage zijn overeengekomen, komt de rechtbank niet ongegrond voor en zal op onderstaande wijze worden toegewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de man en de minderjarige [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar eens per veertien dagen van vrijdag 19.00 uur tot maandag 19.00 uur en de andere week op maandag na school tot 19.00 uur (zolang de man met [minderjarige] naar dansles gaat) en daarnaast gedurende de helft van de vakanties in onderling overleg door de man en de vrouw te bepalen;
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarige, zolang ten aanzien van de man een minnelijke dan wel wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is, op nihil, waarbij de man gehouden is binnen twee weken na het einde van een dergelijke regeling de vrouw daarvan op de hoogte te stellen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Hopmans, rechter, tevens kinderrechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Krijger-de Keuning, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.