Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 17 april 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:4229Zaaknummer C/02/436090 / FA RK 25-2839

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/02/436090 / FA RK 25-2839
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Aanhouding verzoek vaststellen omgangsregeling in afwachting van verloop van ondertoezichtstelling en advies van GI

De rechtbank

houdt de behandeling van deze zaak aan tot 14 april 2027 PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling, de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] en een advies over welke omgangsregeling het meest passend is voor [minderjarige] en de man en vervolgens het bericht van de advocaten van partijen in reactie op dat verslag en de manier waarop de zaak verder moet worden afgedaan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 2 De feiten
  2. 3 Het voorliggende verzoek
  3. 4 De standpunten
  4. 5 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/436090 / FA RK 25-2839

Datum uitspraak: 17 april 2026

Beschikking over vaststelling omgang

in de zaak van

[de man], hierna te noemen: de man,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat: mr. S. Klootwijk te Breda,

tegen

[de vrouw],

hierna te noemen: de vrouw,

wonende in [woonplaats 2],

advocaat: mr. M. Hofland te Breda,

over de minderjarige

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2015 te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].

De rechtbank merkt als belanghebbende aan:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

locatie Etten-Leur,

hierna te noemen de GI.

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het procesverloop

1.1. In het procesdossier zitten de volgende stukken:

- de beschikking van deze rechtbank van 24 december 2025 en de daarin genoemde stukken;

- het op 24 februari 2026 van de Raad ontvangen rapport.

1.2. Op 14 april 2026 heeft de rechtbank het verzoek, met gesloten deuren, op zitting behandeld. Bij die behandeling zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig. De vertegenwoordigsters van de GI zijn via Teams aangesloten bij de zitting.

1.3. De voortgezette mondelinge behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de Raad strekkende tot ondertoezichtstelling van [minderjarige]. In dat kader is tevens aanwezig geweest een vertegenwoordigster van GI. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/02/445356 / JE RK 26-308. De beslissing op dit verzoek volgt in een aparte beschikking.

1.4. [minderjarige] heeft, gezien haar leeftijd, het recht om haar mening in deze zaak te geven. Zij is daarom per brief uitgenodigd om aan te geven of zij behoefte heeft om haar mening tijdens een gesprek met de kinderrechter of schriftelijk te geven. [minderjarige] heeft echter niet gereageerd.

2 De feiten

2.1.

In de beschikking van deze rechtbank van 24 december 2025 heeft de rechtbank de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en daarover te rapporteren en te adviseren, ter beantwoording van de vragen:

- Welke omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] past het beste bij de belangen van [minderjarige] ? Dient de omgang begeleid of onbegeleid te zijn? Behoort een overnachting bij de man tot de mogelijkheden?

- Zijn er contra-indicaties voor omgang en zo ja, welke?

- In hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; zo ja, hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?

- Is hulpverlening nodig voor partijen of voor [minderjarige] ? Zo ja, welke hulpverlening zouhet meest passend zijn?

- Zijn er aanvullende opmerkingen van de Raad?

In afwachting van het rapport van de Raad is de behandeling van het verzoek van de man aangehouden voor de duur van negen maanden.

2.2.

De kinderrechter heeft bij mondelinge beschikking met zaaknummer C/02/445356 / JE RK 26-308 op 14 april 2026 [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twaalf maanden, zijnde tot 14 april 2027.

3 Het voorliggende verzoek

3.1.

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:

- te bepalen dat de man iedere week omgang heeft met [minderjarige], afhankelijk van het werkrooster van de man ten minste een middag op maandag, dinsdag of vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur, alsmede iedere woensdagmiddag van 12.00 uur tot 19.00 uur en, afhankelijk van het werkrooster van de man, ten minste een dag op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 19.00 uur;

- voormelde regeling uit te breiden wanneer de man een andere, passende huurwoning vindt en [minderjarige] kan overnachten in een eigen slaapkamer, waarbij de man en [minderjarige] iedere week contact met elkaar hebben, afhankelijk van het werkrooster van de man ten minste een middag op maandag, dinsdag of vrijdag van 15.00 uur tot 19.00 uur, alsmede iedere woensdagmiddag van 12.00 uur tot 19.00 uur, alsmede om het weekend van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur;

- kosten rechtens.

3.2.

De vrouw voert verweer tegen voormeld verzoek van de man en verzoekt om dit

verzoek af te wijzen.

4 De standpunten

4.1.

De Raad adviseert de rechtbank om de omgang tussen de man en [minderjarige] aan te houden voor de duur van negen maanden, in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling. Tijdens de zitting heeft de Raad het advies gewijzigd, in die zin dat de aanhouding wordt verzocht voor de duur van een jaar, gelet op de bestaande wachtlijsten bij de GI. Gedurende het onderzoek is gebleken dat partijen een andere visie hebben op hoe het contact tussen [minderjarige] en de man eruit moet komen te zien. De man wenst dat hij [minderjarige] een keer in de twee weken een weekend bij zich kan hebben. Ook is de man van mening dat de omgang tussen hem en [minderjarige] niet begeleid hoeft te worden. De vrouw heeft daarentegen grote zorgen over de omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man. Zij wenst dat er eerst zicht moet komen op de opvoedvaardigheden van de man en duidelijkheid of hij aan kan sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft. De vrouw vreest dat het zonder begeleiding misgaat tijdens de omgang. De Raad heeft gedurende het onderzoek waargenomen dat de begeleide omgangsmomenten tussen [minderjarige] en haar de man uitgebreid zijn; eerst naar twee uur in de week, daarna naar twee uur in de week gedeeltelijk begeleid. Inmiddels is de omgang uitgebreid naar wekelijks op zaterdag van 14.00 uur tot 19.00 uur, onbegeleid. De Raad vindt het dan voor nu ook nog te vroeg om de rechtbank gedegen te kunnen adviseren over een omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man. Hiervoor dient eerst te worden bekeken hoe de uitbreiding van de omgang verloopt, en hoe [minderjarige] deze contactmomenten ervaart. De Raad vindt het nodig dat er zicht verkregen wordt op hoe de man de contactmomenten met [minderjarige] vormgeeft als zij gedurende een langere periode bij elkaar zijn. Ook moet er in het kader van de ondertoezichtstelling onderzocht worden waar het dwingende gedrag van de man vandaan komt en wat hij nodig heeft om dit in te perken. De Raad adviseert de rechtbank dan ook om de uitspraak over de omgangsregeling aan te houden in afwachting van de resultaten van de ondertoezichtstelling. De GI dient de rechtbank te adviseren over de mogelijkheden voor het vaststellen van een omgangsregeling.

4.2.

De man handhaaft zijn standpunt. Hij heeft inmiddels een zelfstandige woonruimte. De man bevestigt dat hij [minderjarige] elke week op zaterdag ziet. Daarnaast belt de man dagelijks met [minderjarige]. De man maakt zich grote zorgen over de veiligheid van [minderjarige], als zij bij de vrouw is. Volgens de man gaat de vrouw om met drugsdealers. In het verleden zijn twee andere kinderen uit het gezin van de vrouw gehaald. De man wil voorkomen dat [minderjarige] hetzelfde overkomt. De man vindt het belangrijk dat er een duidelijke en meer uitgebreide omgangsregeling wordt vastgesteld. Hij stemt in met het advies van de Raad, om de behandeling van het verzoek voor de duur van een jaar aan te houden.

4.3.

De vrouw stemt in met het advies van de Raad en aanhouding van de behandeling van het verzoek van de man. De vrouw ontvangt dagelijks vervelende berichten van de man. Ook haar familie en vrienden krijgen deze berichten. Mevrouw [persoon] heeft wekelijks contact met partijen over het verloop van de omgangsregeling. De vrouw vindt het vervelend dat de man zich niet aan de afspraken voor de omgangsregeling houdt. Hij brengt [minderjarige] eerder dan het afgesproken tijdstip terug en staat dan onverwacht bij de vrouw aan de deur. Ook belt de man op andere momenten dan het afgesproken tijdstip. Volgens de vrouw veroorzaakt de man problemen die niet nodig zijn. Zij is niet tegen omgang tussen de man en [minderjarige], maar alleen als dit veilig is en niet belastend voor [minderjarige].

4.4.

De GI staat achter het advies van de Raad. Volgens de GI is het belangrijk dat de ouders niet meer rechtstreeks met elkaar communiceren, zonder dat er een derde meekijkt. De GI vindt het belangrijk dat [minderjarige] een vertrouwenspersoon krijgt, bij wie zij haar verhaal kan doen. Daarnaast moeten er een ouderschapstraject en opvoedondersteuning worden ingezet in de opvoedsituaties bij de ouders. De GI zal zich inzetten om in het kader van de ondertoezichtstelling zo snel mogelijk een MASIC af te nemen, waarin de patronen tussen de ouders zichtbaar zullen worden. Daarna kan pas beslist worden hoe het ouderschapstraject vormgegeven moet worden. De GI heeft niet meteen een vaste jeugdbeschermer beschikbaar. [minderjarige] wordt eerst gekoppeld aan een monitormedewerker, die haar binnen vijf dagen zal bezoeken. Deze medewerker zal in die periode ook contact opnemen met de ouders. De ondersteuning zal in de eerste periode minder intensief zijn.

5 De beoordeling

5.1.

In artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat een ouder zonder gezag over het kind recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:

  • omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
  • de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
  • het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
  • er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
5.2.

Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat het nog te vroeg is om een definitieve beslissing te geven op het verzoek van de man. De omgangsregeling tussen [minderjarige] en de man is nog maar kort geleden uitgebreid. Daarnaast is [minderjarige] nog maar net onder toezicht gesteld van de GI. De GI moet de tijd en de gelegenheid krijgen om allereerst bij partijen een MASIC af te nemen en om zicht te krijgen op beide opvoedsituaties. Daarna zullen de benodigde hulpverleningstrajecten nog moeten worden opgestart. Het is dan niet gepast om hier op vooruit te lopen en op het verzoek van de man te beslissen. De rechtbank zal de behandeling van het verzoek dan ook aanhouden voor de duur van twaalf maanden, in afwachting van een verslag van de GI, over het verloop van de ondertoezichtstelling, de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] en een advies over welke omgangsregeling het meest passend is voor [minderjarige] en de man. De advocaten van partijen krijgen vervolgens de gelegenheid om het standpunt van partijen ten aanzien van dat verslag kenbaar te maken en hoe zij de verdere afdoening van de zaak zien.

5 De beslissing

De rechtbank

houdt de behandeling van deze zaak aan tot 14 april 2027 PRO FORMA, in afwachting van het verslag van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling, de omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] en een advies over welke omgangsregeling het meest passend is voor [minderjarige] en de man en vervolgens het bericht van de advocaten van partijen in reactie op dat verslag en de manier waarop de zaak verder moet worden afgedaan;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leuven, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.