Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 15 april 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:3113Zaaknummer 11802082 \ CV EXPL 25-2498

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
11802082 \ CV EXPL 25-2498
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Het gaat in deze zaak over gedeclareerde zorgkosten. Zorgverzekering vordert teveel betaalde vergoeding terug, omdat er voor de desbetreffende maand geen machtiging zou zijn afgegeven. Zorgverzekering heeft dit onvoldoende onderbouwd, nu er volgens gedaagde budget beschikbaar was t/m 31 mei 2023. Vordering in conventie wordt dan ook afgewezen. Gedaagde vordert in reconventie betaling van het niet-uitgekeerde deel van zijn declaratie. Deze vordering wordt eveneens afgewezen. Zorgverzekering heeft aan gedaagde gecommuniceerd dat hij een eigen bijdrage verschuldigd is voor de gedeclareerde zorgkosten. Gedaagde heeft dit niet betwist. Daarmee heeft zorgverzekering de vordering in reconventie voldoende gemotiveerd weersproken.

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

wijst de vordering van CZ af;

5.2.

veroordeelt CZ in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als CZ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

veroordeelt CZ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.5.

wijst de vordering van [verzekerde] af;

5.6.

veroordeelt [verzekerde] in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzekerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Middelburg

Zaaknummer: 11802082 \ CV EXPL 25-2498

Vonnis van 15 april 2026

in de zaak van

CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,

te Tilburg,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: CZ,

gemachtigde: GGN Brabant,

tegen

[verzekerde],

te [plaats],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: [verzekerde],

gemachtigde: drs. [gemachtigde].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 26 juni 2025 met producties;

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens eis in reconventie met producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie met producties;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek en vermindering van eis in reconventie met producties;

- de akte van CZ in conventie en in reconventie met productie;

- de akte van [verzekerde] in conventie en in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[verzekerde] heeft een zorgverzekering afgesloten bij CZ.

2.2.

[verzekerde] heeft over de maand december 2022 € 1.816,92 gedeclareerd voor thuiszorg/wijkverpleging. Daarvan heeft CZ op 26 januari 2023 € 1.540,56 vergoed.

2.3.

Op 2 februari 2024 heeft CZ na een correctie op een eerdere declaratie € 970,20 teruggevorderd van [verzekerde].

3 Het geschil

in conventie

3.1.

CZ vordert – samengevat – dat [verzekerde] wordt veroordeeld tot betaling van € 864,12, te vermeerderen met rente en kosten.

3.2.

Voor zover van belang legt CZ aan de vordering ten grondslag dat [verzekerde] over de maand april 2023 kosten heeft gedeclareerd die achteraf gezien niet voor vergoeding in aanmerking kwamen, omdat er voor de periode van 1 januari t/m 31 mei 2023 geen machtiging voor die kosten was afgegeven. CZ heeft de desbetreffende declaratie van € 970,20 dus onterecht aan [verzekerde] vergoed. Op het oorspronkelijke bedrag zijn de deelbetalingen van 24 mei en 24 juni 2024 in mindering gebracht, zodat de resterende hoofdsom € 864,12 bedraagt. [verzekerde] moet dat bedrag aan CZ terugbetalen.

3.3.

[verzekerde] betwist dat een machtiging over de periode van 1 januari t/m 31 mei 2023 ontbrak. Het beschikbare budget waaruit de declaratie werd vergoed, liep nog tot 30 mei 2023. Daarnaast is zijn declaratie over de maand mei 2023 ook gewoon vergoed.

in reconventie

3.4.

[verzekerde] vordert – samengevat en na wijziging van eis – dat CZ wordt veroordeeld tot betaling van € 276,36, te vermeerderen met rente en kosten.

3.5.

[verzekerde] legt aan de vordering ten grondslag dat hij over de maand december 2022 € 1.816,92 gedeclareerd heeft, waarvan CZ slechts € 1.540,56 heeft vergoed. [verzekerde] heeft recht op vergoeding van het verschil van € 276,36. [verzekerde] heeft bovendien aanzienlijke kosten moeten maken voor (juridische) bijstand door zijn gemachtigde.

3.6.

CZ voert verweer tegen de vordering. Het ingehouden bedrag van € 276,36 betreft de eigen bijdrage die [verzekerde] verschuldigd is. Dit is op 26 januari 2023 schriftelijk aan hem gecommuniceerd.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vordering door [verzekerde], had het op de weg van CZ gelegen om nader te onderbouwen dat er voor de periode van 1 januari t/m 31 mei 2023 geen machtiging was verleend voor de gedeclareerde kosten. Dat heeft zij niet gedaan. De kantonrechter wijst de vordering van CZ daarom af.

4.2.

CZ is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzekerde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde€360,00(2,5 punten × € 144,00)
- nakosten€72,00(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€432,00
4.3.

[verzekerde] heeft over de proceskosten de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW gevorderd. Nu artikel 6:119a BW ziet op de wettelijke handelsrente, is het voor de kantonrechter niet duidelijk welke rente [verzekerde] precies heeft bedoeld. Nu er tussen partijen geen sprake is van een handelsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 6:119a BW, is de wettelijke handelsrente sowieso niet toewijsbaar. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

in reconventie

4.4.

Bij de beoordeling zullen de stellingen die [verzekerde] in zijn laatste akte in reconventie heeft ingenomen, buiten beschouwing worden gelaten. Uit de brief van de griffier van 10 december 2025 volgt namelijk dat [verzekerde] in zijn akte alleen mocht reageren op de nieuwe producties die CZ bij akte in conventie had overgelegd.

4.5.

[verzekerde] heeft niet weersproken dat hij een eigen bijdrage van € 276,35 verschuldigd is over de kosten die hij over de maand december 2022 heeft gedeclareerd. De kantonrechter stelt vast dat CZ dit bedrag dus terecht heeft ingehouden op de vergoeding. De vordering wordt daarom afgewezen.

4.6.

[verzekerde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:

- salaris gemachtigde€217,50(2,0 punten × € 87,00)
- nakosten€43,50(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€217,50

5 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

5.1.

wijst de vordering van CZ af;

5.2.

veroordeelt CZ in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als CZ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;

5.3.

veroordeelt CZ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

5.5.

wijst de vordering van [verzekerde] af;

5.6.

veroordeelt [verzekerde] in de proceskosten van € 217,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzekerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Burgt en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.