Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 maart 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:2855Zaaknummer C/02/445477 / JE RK 26-338

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
C/02/445477 / JE RK 26-338
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek machtiging gesloten jeugdhulp. Omdat de GI (in haar hoedanigheid van jeugdreclasseerder) betrokken is in het kader van vrijwillige toezicht en begeleiding, is de GI niet bevoegd om dit verzoek in te dienen. Niet-ontvankelijk.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/445477 / JE RK 26-338

Datum uitspraak: 11 maart 2026

Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),

gevestigd te Middelburg,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: [minderjarige],

advocaat: mr. H. Mink te Oost-Souburg.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats],

[de vader],

hierna te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats].

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,

hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over het verzoek te adviseren.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 februari 2026;
  • het e-mailbericht met bijlage van de GI, ontvangen op 9 maart 2026.
1.2.

Op 11 maart 2026 heeft de kinderrechter deze zaak, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk met de verzoeken van de Raad in de zaken met kenmerk C/02/445471 / JE RK 26-336 en C/02/445935 / JE RK 26-419, tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld. In die zaken is afzonderlijk beslist.

1.3.

Verschenen en gehoord zijn:

  • [minderjarige], bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vader;
  • de moeder;
  • een vertegenwoordiger van de Raad;
  • een vertegenwoordigster van de GI.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij zijn moeder, maar verblijft op dit moment in Rijks Justitiële [jeugdinrichting] te [plaats].

3 Het verzoek

3.1.

De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden.

4 De beoordeling

4.1.

De kinderrechter staat allereerst voor de vraag of de GI bevoegd is om het ter beoordeling voorliggende verzoek in te dienen, nu de schorsing van de voorlopige hechtenis van [minderjarige] op 26 januari 2026 is opgeheven en [minderjarige] sindsdien in een RJJI verblijft.

4.2.

De GI stelt zich op het standpunt bevoegd te zijn het voorliggende verzoek in te dienen omdat zij op dit moment vanuit het kader van vrijwillige toezicht en begeleiding betrokken zijn bij [minderjarige].

4.3.

De Raad is van mening dat de GI op dit moment niet bevoegd is om het onderhavige verzoek in te dienen.

4.4.

De kinderrechter overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de zitting volgt dat [minderjarige] op 1 december 2025 is aangehouden op verdenking van een strafbaar feit. Vervolgens is de voorlopige hechtenis van [minderjarige] op 3 december 2025 geschorst onder verschillende voorwaarden, waarbij aan de GI de opdracht is gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en [minderjarige] ten behoeve daarvan te begeleiden. Op 22 januari 2026 heeft de GI [minderjarige] negatief terug gemeld vanwege het overtreden van de schorsende voorwaarden, waarna de schorsing van de voorlopige hechtenis op 26 januari 2026 is opgeheven. Sindsdien verblijft [minderjarige] in RJJI [jeugdinrichting] te [plaats]. Er is opnieuw een schorsingsplan opgesteld en onderdeel van dit plan is dat de voorlopige hechtenis van [minderjarige] geschorst kan worden als hij in de gesloten jeugdhulp van [accommodatie] wordt geplaatst. Om die reden heeft de jeugdreclassering op 27 februari 2026 onderhavig verzoek gesloten jeugdhulp ingediend.

4.5.

De kinderrechter overweegt dat aldus is gebleken dat de jeugdreclassering ten tijde van indiening van het verzoek niet langer betrokken was in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis van [minderjarige], maar in het kader van vrijwillig toezicht & begeleiding op grond van artikel 6:1:25 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering jo. artikel 2 lid 2 sub c van de Regeling vrijwillige begeleiding jeugdreclassering. Op grond van deze artikelen kan de Raad voor de Kinderbescherming een gecertificeerde instelling inschakelen voor vrijwillige begeleiding van een jeugdige indien een jeugdige in voorlopige hechtenis is gesteld. Een dergelijke betrokkenheid is gelet op dit vrijwillige karakter naar het oordeel van de kinderrechter niet gelijk te stellen met de betrokkenheid van de jeugdreclassering in het kader van schorsende of bijzondere voorwaarden. De kinderrechter is daardoor van oordeel dat de GI niet bevoegd is om een verzoek op grond van artikel 6.1.8 lid 3 van de Jeugdwet in te dienen en zal de GI daarom niet-ontvankelijk verklaren.

5 De beslissing

De kinderrechter:

5.1.

verklaart de GI niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier, en op schrift gesteld op 19 maart 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.