Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 27 februari 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:2810Zaaknummer C/02/402219 / FA RK 22-4537

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
C/02/402219 / FA RK 22-4537
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Rekestprocedure
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Overeenstemming na uniform hulpaanbod tussen voogd (opa mz) en de moeder over omgangsafspraken.

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de onderlinge regelingen uit de aangehechte vaststellingsovereenkomst genaamd ‘omgangsafspraken’ deel uitmaken van deze beschikking;

4.2

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.3

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Sumner, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort als griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het nadere procesverloop
  2. 2 De feiten
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/402219 / FA RK 22-4537

Datum uitspraak: 27 februari 2026

nadere beschikking betreffende omgang

in de zaak van

[de vrouw],

hierna: de vrouw of de moeder

wonende in [woonplaats],

advocaat: mr. E.M.A. Leijser in Tilburg,

tegen

[de voogd],

hierna: de voogd of de opa

wonende in [woonplaats],

advocaat: voorheen mr. B.P.J. van Riel uit Breda, thans mr. M.C.F.Y. de Vleesschauwer uit Breda

over de minderjarige:

- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008, hierna [minderjarige]

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1 Het nadere procesverloop

1.1

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de beschikking van 22 december 2023 en alle daarin genoemde stukken;

- de rapportage van het Uniform Hulpaanbod van 16 december 2025;

- het op 23 december 2025 ontvangen F9-formulier met bijlage van mr. Leijser;

- het op 24 december 2025 ontvangen F9-formulier van mr. Van Riel;

- het op 29 december 2025 ontvangen F2-formulier van mr. De Vleesschauwer.

2 De feiten

2.1

Bij beschikking van 22 december 2023 heeft de rechtbank partijen en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant in het kader van het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA).

2.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage van het UHA van 16

december 2025 waaruit, samengevat, volgt dat de gestelde doelen zijn behaald. Uit de

rapportage blijkt dat een maatwerktraject vanuit Prisma is ingezet. Partijen zijn een

omgangsregeling overeengekomen. Deze regeling is op dit moment het maximaal haalbare

en sluit aan bij wat zowel praktisch als emotioneel mogelijk is. De vrouw en [minderjarige] zullen de

komende periode ondersteuning blijven ontvangen om deze regeling goed te kunnen blijven

uitvoeren en verder te versterken.

2.3.

In reactie op de UHA-rapportage laten partijen de rechtbank weten dat zij geen

behoefte hebben aan een zitting en de zaak schriftelijk kan worden afgedaan met een

bekrachtiging van de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst genaamd

‘omgangsafspraken’.

3 De beoordeling

3.1.

Blijkens de inhoud van het UHA-rapport en de door partijen overgelegde F9-formulieren hebben zij overeenstemming bereikt, welke zij hebben vastgelegd in de overgelegde vaststellingsovereenkomst genaamd ‘omgangsafspraken’. Partijen geven beide aan dat de zaak verder schriftelijk kan worden afgedaan.

3.2.

De door partijen gemaakte afspraken in de vaststellingsovereenkomst genaamd ‘omgangsafspraken’ alsmede hun verzoek om die overeenkomst aan deze beschikking te hechten, komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat als na te melden zal worden beslist. De oorspronkelijke verzoeken beschouwt de rechtbank, gelet op de overeenstemming, als ingetrokken.

3.3.

Nu partijen overeenstemming hebben bereikt en het geschil betrekking heeft op hun beider (klein)kind, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de onderlinge regelingen uit de aangehechte vaststellingsovereenkomst genaamd ‘omgangsafspraken’ deel uitmaken van deze beschikking;

4.2

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.3

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door mr. Sumner, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort als griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

  • door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.