Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 maart 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:2150Zaaknummer 26/1297

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
26/1297
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening niet ontvankelijk

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 24 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker], uit [plaats], verzoeker.
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 26/1297

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaats], verzoeker.

Inleiding

  • In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
  • Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een zitting achterwege gebleven.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder c, van de Awb dient een bezwaar- of beroepschrift in ieder geval een omschrijving van het besluit waartegen bezwaar of beroep is gericht te bevatten.

In artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb is bepaald, voor zover hier van belang, dat het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5.

Ingevolge artikel 8:81, vierde lid, van de Awb, zijn de hiervoor genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder zitting, indien het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

4. Uit het verzoekschrift blijkt niet met welk besluit verzoeker het niet eens is en of verzoeker bezwaar heeft gemaakt. De griffier heeft verzoeker op 6 maart 2026 in de gelegenheid gesteld om alsnog een kopie van het door hem bestreden besluit over te leggen. Verzoeker heeft binnen de gestelde termijn niet gereageerd. De griffier heeft daarna nog een aantal keren geprobeerd om telefonisch contact met verzoeker op te nemen, maar kreeg steeds geen gehoor. Omdat het hierdoor niet mogelijk is het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beoordelen, zal het verzoek niet-ontvankelijk verklaard worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.H. van der Linden, rechter, in aanwezigheid van

mr. A.J.M. van Hees, griffier, op 24 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.