Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 13 oktober 2026

ECLI:NL:RBZWB:2026:10031Zaaknummer 25/560

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
13 oktober 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
25/560
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

WIA. Heropening. Pas in beroep toereikende motivering. 6:22. Beroep ongegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 13 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats: Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/560 WIA

uitspraak van 13 oktober 2026 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats 1], eiser,

(gemachtigde: mr. R.S. Vriend),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV; kantoor [plaats 2] ), verweerder.

Inleiding

1. Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als chauffeur/toezichthouder. Voor dat werk is hij in september 2021 uitgevallen. Hij heeft per 30 september 2021 een uitkering ontvangen op grond van de Ziektewet (ZW). Op 5 juli 2023 heeft hij een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd. Het UWV heeft met een besluit van 11 september 2023 (primair besluit) geweigerd per 25 september 2024 aan eiser een WIA-uitkering toe te kennen, omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met een besluit van 12 december 2024 (bestreden besluit) is het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

1.1.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.2.

De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en namens het UWV [vertegenwoordiger].

1.3.

Bij beslissing van 9 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend om het UWV te laten beoordelen of er aanleiding is om een beperking aan te nemen op het aspect horen. Het UWV heeft bij brief van 18 februari 2026 gereageerd. Eiser heeft bij brief van 29 maart 2026 hierop gereageerd waarna het UWV op 9 juli 2026 een reactie heeft ingezonden.

1.4.

De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank op 7 oktober 2026 het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Zijn de beperkingen juist vastgesteld?

2. Over eiser is achtereenvolgens gerapporteerd door een verzekeringsarts en een verzekeringsarts bezwaar en beroep (verzekeringsarts b&b) van het UWV.

2.1.

De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd en eiser gezien tijdens het spreekuur op 10 augustus 2023. Hij heeft als diagnose gesteld: nekpijn, rugpijn aspecifiek chronisch en overige ischemische hartziekte. Er is sprake van beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren, aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen en werktijden. De beperkingen en de belastbaarheid van eiser zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 10 augustus 2023.

2.2.

De verzekeringsarts b&b heeft het dossier bestudeerd. Er heeft ook een hoorzitting plaatsgevonden met aansluitend een medisch onderzoek. Ook werd er informatie van de behandelend sector opgevraagd, verkregen en in de heroverweging betrokken.

De verzekeringsarts b&b heeft gerapporteerd dat eiser zichzelf niet in staat acht om te werken, maar wel een opleiding volgt tot fietsenmaker. Hij is op medische gronden niet volledig arbeidsongeschikt, want hij voldoet niet aan de uitzonderingscriteria van het Schattingsbesluit. Daarom is een FML opgesteld waarin de medisch objectiveerbare beperkingen zijn vastgelegd. Uit de informatie van de cardioloog blijkt dat sprake is van een stabiele cardiologische situatie waarbij er sprake is van een goede hartspierfunctie, NHYA klasse II, wat betekent dat er alleen klachten zijn bij matige inspanning. Er blijkt geen sprake te zijn van het plaatsen van een nieuwe stent in september 2023, zoals eiser vertelde tijdens de hoorzitting. De verzekeringsarts is terecht uitgegaan van een verminderde fysieke belastbaarheid en heeft rekening gehouden met alle andere klachten en beperkingen. De psychische klachten zijn niet van dien aard dat het aanleiding geeft voor aanvullende beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. Op grond van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid is er geen medische indicatie om een urenbeperking aan te nemen in passende arbeid.

3. Eiser heeft in beroep tegen het medisch oordeel van het UWV aangevoerd dat de medische rapportages onvolledig en onjuist zijn. Ten onrechte heeft het UWV geoordeeld dat er sprake is van benutbare mogelijkheden. De klachten die eiser heeft aan zijn linker onderarm en pols zijn ten onrechte niet meegenomen. Eiser is meer beperkt dan door het UWV is aangenomen. Eiser is onder meer beperkt op het aspect horen.

4. Naar aanleiding van eisers beroepschrift en de heropening van het onderzoek door de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b op 26 januari 2026 nader gerapporteerd. Daarbij is aangegeven dat eiser beperkt moet worden geacht vanwege zijn gehoor. De verzekeringsarts b&b heeft de FML op 26 januari 2026 aangepast.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV met de rapportages van 10 augustus 2023, 5 december 2024, 28 november 2025 en 26 januari 2026 genoegzaam en inzichtelijk gemotiveerd waarom eiser niet meer beperkt is dan door het UWV is aangenomen. Eiser heeft geen medische gegevens overgelegd die aanknopingspunten bieden om te twijfelen aan de belastbaarheid die het UWV (uiteindelijk in beroep) heeft aangenomen. Voor de verdere beoordeling gaat de rechtbank dan ook uit van de belastbaarheid die is neergelegd in de FML van 26 januari 2026.

6. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de rechtbank van oordeel dat eiser met inachtneming van de FML van 26 januari 2026 in staat moet worden geacht de geduide functies van inpakker (handmatig) (Sbc-code 111190), snackbereider (handmatig) (Sbc-code 111071) en telefonisch verkoper (outbound) (Sbc-code 315173) te vervullen. De rechtbank verwijst naar de rapportages van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (arbeidsdeskundige b&b) van 11 december 2024, 18 februari 2026 en 3 juli 2026. Daarin is inzichtelijk gemotiveerd dat, uitgaande van de vastgestelde beperkingen, eiser de werkzaamheden kan verrichten die verbonden zijn aan deze functies. De hiervoor genoemde functies mochten worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.

6.1.

Op basis van de inkomsten die eiser met de geduide functies kan verdienen, heeft het UWV een berekening gemaakt die leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 22,26%. Omdat eiser tegen deze berekening geen gronden naar voren heeft gebracht, gaat de rechtbank uit van deze mate van arbeidsongeschiktheid. Dit betekent dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 september 2024 heeft vastgesteld op 22,26%.

7. Het bestreden besluit is, gelet op de aanpassing van de FML door de verzekeringsarts b&b, pas in beroep voorzien van een toereikende medische onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat eiser hierdoor niet is benadeeld.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten worden begroot op € 1.868 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1) aan kosten van verleende rechtsbijstand in beroep. Daarnaast moet het UWV het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53,- aan eiser moet vergoeden;
  • veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, op 13 oktober 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.