Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBZWB:2026:10029Zaaknummer 12047617 \ CV EXPL 26-201 (E)
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12047617 \ CV EXPL 26-201 (E)
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Bodemzaak
- Zittingsplaats
- Tilburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eiseres heeft twee monteurs uitgezonden aan gedaagde. In verband met de uren die die de monteurs hebben gemaakt, heeft eiseres twee facturen aan gedaagde gestuurd. Gedaagde heeft deze facturen onbetaald gelaten. Eiseres vordert daarom in deze procedure betaling van de facturen. De kantonrechter oordeelt dat gedaagde de facturen moet betalen, omdat eiseres voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er arbeid is verricht voor de gedeclareerde uren en er afspraken zijn gemaakt over het uurtarief. Aan het verweer dat gedaagde schade heeft geleden doordat de monteurs de werkzaamheden niet goed hebben uitgevoerd, gaat de kantonrechter voorbij omdat gedaagde dit verweer onvoldoende heeft onderbouwd.
6 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Flexgroup te betalen een bedrag van € 4.539,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Flexgroup te betalen een bedrag van € 578,93 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.546,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 12047617 \ CV EXPL 26-201
Vonnis van 14 oktober 2026
in de zaak van
CA FLEXGROUP PROJECT B.V.,
te Hurdegaryp,
eisende partij,
hierna te noemen: Flexgroup,
gemachtigde: Van Loon Incasso Advocaten,
tegen
[gedaagde] M.H.O.D.N. [bedrijf],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 De zaak in het kort
Flexgroup heeft twee monteurs uitgezonden aan [gedaagde]. In verband met de uren die die de monteurs hebben gemaakt, heeft Flexgroup twee facturen aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft deze facturen onbetaald gelaten. Flexgroup vordert daarom in deze procedure betaling van de facturen. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de facturen moet betalen, omdat Flexgroup voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er arbeid is verricht voor de gedeclareerde uren en er afspraken zijn gemaakt over het uurtarief. Aan het verweer dat [gedaagde] schade heeft geleden doordat de monteurs de werkzaamheden niet goed hebben uitgevoerd, gaat de kantonrechter voorbij omdat [gedaagde] dit verweer onvoldoende heeft onderbouwd.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 december 2025,- de conclusie van antwoord van 8 april 2026,
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Ten slotte is vonnis bepaald.
3 De feiten
Eind 2024 heeft Flexgroup twee monteurs aan [gedaagde] uitgezonden voor de uitvoering van elektrotechnische werkzaamheden. Deze monteurs hebben in week 39 en week 40 van 2024 werkzaamheden voor [gedaagde] verricht.
Flexgroup heeft aan [gedaagde] een tweetal facturen gestuurd voor de uitgevoerde werkzaamheden. De factuur van 10 oktober 2024 met factuurnummer [nummer 1] ter hoogte van € 2.951,80 ziet op de werkzaamheden die zijn uitgevoerd in week 39 van 2024. De factuur van 10 oktober 2024 met factuurnummer [nummer 2] ter hoogte van € 1.587,52 ziet op de werkzaamheden die zijn uitgevoerd in week 40 van 2024.
[gedaagde] heeft beide facturen onbetaald gelaten.
4 Het geschil
Flexgroup vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.539,32, vermeerderd met rente en kosten. Zij legt aan de vordering ten grondslag dat partijen een overeenkomst hebben gesloten waarbij zij hebben afgesproken dat Flexgroup monteurs ter beschikking stelt aan [gedaagde] tegen een uurtarief van € 41,00. Flexgroup heeft de door de monteurs gewerkte uren vervolgens via twee aparte facturen bij [gedaagde] in rekening gebracht. [gedaagde] heeft nagelaten de facturen te betalen.
[gedaagde] voert diverse verweren. Hij stelt allereerst dat geen sprake was van een open regiebasis, maar dat een maximum van 64 uur is overeengekomen. Ook stelt hij dat de opdrachtbevestiging nooit is ondertekend en dat die pas is verstuurd na het uitvoeren van de werkzaamheden. De handtekeningen die op de urenbriefjes staan, zouden bovendien niet van [gedaagde] zijn. Verder stelt [gedaagde] dat Flexgroup twee onkundige monteurs ter beschikking heeft gesteld en dat hij daardoor schade heeft geleden doordat hij de werkzaamheden heeft moeten herstellen samen met een ingeschakelde derde. [gedaagde] doet verder nog een beroep op opschorting en verrekening en stelt dat de vordering in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
Tussen partijen bestaat een overeenkomst
Het meest verstrekkende verweer van [gedaagde] is dat de opdrachtbevestiging nooit is ondertekend, deze zou bovendien pas verstuurd zijn na het uitvoeren van de werkzaamheden. Volgens [gedaagde] is daarom geen sprake van een geldige overeenkomst. De kantonrechter overweegt hierover als volgt. De omstandigheid dat partijen geen schriftelijke overeenkomst hebben gesloten, maakt niet dat geen sprake is van een overeenkomst. Een overeenkomst kan op verschillende manieren tot stand komen, dat hoeft niet altijd schriftelijk te gebeuren. Uit de overlegde correspondentie blijkt dat in dit geval de opdracht telefonisch tussen partijen is besproken. Dit is door Flexgroup bevestigd in het Whatsapp-bericht van 20 september 2024: “Monteurs zijn zoals u aan mij vroeg goed geïnformeerd. U kunt ze a.s. maandag verwachten om 06:45 in Etten-Leur. De modelovereenkomst word dit weekend naar u verzonden door mijn collega. (documentnaam Sign Request). U treft in dit document ook de 16 uurs garantie etc. Ik wil u nogmaals bedanken en alvast een prettig weekend toewensen. Mocht er nog iets zijn, kunt u mij altijd bereiken.”. Dat de opdracht telefonisch is besproken wordt door [gedaagde] later in zijn e-mail van 4 september 2025 ook erkend. Daarin schrijft hij “Wij hebben destijds telefonische punten besproken, maar die zijn niet vastgelegd in een rechtsgeldige overeenkomst.”. Hieruit blijkt dat partijen het in ieder geval eens waren over het ter beschikking stellen van de monteurs.
Flexgroup stelt dat partijen een uurtarief van € 41,00 hebben afgesproken. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat dit niet het geval. Zijn verklaringen over het al dan niet overeenkomen van een uurtarief zijn wisselend en innerlijk tegenstrijdig. Zo heeft hij eerst ontkend dat een uurtarief was afgesproken, vervolgens verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren welk uurtarief zou zijn overeengekomen, en daarna alsnog aansluiting gezocht bij een berekening op basis van een uurtarief voor de toelichting van zijn standpunt dat een vaste prijs afgesproken zou zijn. Gelet op deze tegenstrijdige verklaringen, in samenhang met de omstandigheid dat partijen eerder met elkaar hebben samengewerkt en [gedaagde] bekend was met de werkwijze van Flexgroup, acht de kantonrechter voldoende aannemelijk dat partijen een uurtarief van € 41,00 zijn overeengekomen.
[gedaagde] moet de gewerkte uren betalen
Flexgroup heeft bij [gedaagde] 91,5 uur in rekening gebracht. [gedaagde] stelt dat hij de urenbriefjes niet heeft ondertekend. Ook stelt hij dat de urenbriefjes zouden zijn gemanipuleerd. De kantonrechter merkt ook hier op dat [gedaagde] ten aanzien van dit punt wisselend en innerlijk tegenstrijdig verklaart. In de Conclusie van Antwoord heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat hij de urenbriefjes nooit heeft gezien, laat staan ondertekend. Tijdens de zitting heeft [gedaagde] echter verklaard dat hij wel zijn naam onder de urenbriefjes heeft gezet, maar niet zijn handtekening. Hoewel de kantonrechter dit opmerkelijk vindt, acht hij het in dit geval voor het vaststellen van het aantal gewerkte uren niet noodzakelijk dat [gedaagde] de urenbriefjes heeft ondertekend, nu ook uit de Whatsapp-correspondentie volgt dat de uren daadwerkelijk zijn gemaakt. Dit is door [gedaagde] in zijn Whatsapp-bericht van 1 oktober 2024 namelijk nog aangegeven. Hij schrijft daarin – voor zover hier relevant - het volgende: “(…) Nu zijn wij met vandaag meegerekend 90 uur verder En de helft van de werk is niet eens af (…). Hieruit maakt de kantonrechter op dat er op 1 oktober 2024 ten minste 90 uur is gewerkt door de ingeschakelde monteurs. Omdat het hiervoor genoemde aantal uren bijna volledig overeenkomt met de uren op de urenbriefjes en de gefactureerde uren, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de gestuurde facturen.
[gedaagde] heeft weliswaar nog aangevoerd dat een urenmaximum van 64 uur zou zijn afgesproken, maar heeft dit onvoldoende onderbouwd. [gedaagde] is in beginsel dan ook gehouden de door Flexgroup gestuurde facturen voor de gewerkte uren te betalen.
[gedaagde] heeft geen recht op verrekening of opschorting
[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat de door Flexgroup ter beschikking gestelde monteurs de opgedragen werkzaamheden ondeugdelijk zouden hebben uitgevoerd. [gedaagde] stelt daardoor schade te hebben geleden doordat hij de werkzaamheden heeft moeten herstellen samen met een ingeschakelde derde. De kantonrechter begrijpt dit verweer zo dat [gedaagde] meent dat hij om die reden een vordering heeft op Flexgroup. Verder begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] meent dat hij die vordering kan verrekenen met de facturen van Flexgroup, of dat hij betaling van de facturen van Flexgroup kan opschorten totdat zij de vordering betaald heeft.
De kantonrechter overweegt dat voor zover [gedaagde] een beroep op verrekening op opschorting wil doen, allereerst vastgesteld moeten worden dat [gedaagde] een opeisbare vordering heeft op Flexgroup. Het is aan [gedaagde] om te stellen dat dat het geval is en om die stelling te onderbouwen. Kan [gedaagde] niet aantonen dat hij een opeisbare vordering heeft op Flexgroup, dan kan hij ook niet verrekenen of opschorten.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft [gedaagde] een verklaring van de heer [persoon] overgelegd, die herstelwerkzaamheden zou hebben verricht, evenals een factuur van de heer [persoon]. De kantonrechter acht deze stukken in dit geval onvoldoende. Daarbij weegt mee dat de zeer gedetailleerde verklaring van de heer [persoon] is opgesteld anderhalf jaar nadat de gestelde werkzaamheden zouden zijn verricht. [gedaagde] heeft verder geen objectieve stukken overgelegd, zoals foto’s, waaruit blijkt dat de monteurs van eiser de werkzaamheden onjuist hebben uitgevoerd. In het WhatsApp-bericht van 1 oktober 2025 maakt [gedaagde] bovendien geen melding van verkeerd uitgevoerde werkzaamheden, maar slechts van het feit dat het werk nog maar voor de helft is uitgevoerd. Dat [gedaagde] vervolgens iemand heeft moeten inschakelen om het werk af te maken, is dus op zichzelf niet gek. Dat brengt echter nog niet mee dat Flexgroup gehouden is die kosten te vergoeden. Daarvoor moet vaststaan dat Flexgroup toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat de door [gedaagde] gestelde schade het gevolg is van die tekortkoming. [gedaagde] heeft onvoldoende gesteld om dat aan te nemen.
Op grond van het bovenstaande kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] een tegenvordering heeft op Flexgroup. Daarom kan [gedaagde] niet met succes een beroep doen op verrekening of opschorting.
De vordering is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid
Tot slot voert [gedaagde] verweer door zich op het standpunt te stellen dat het vorderen van betaling van de facturen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Dit is er volgens [gedaagde] in gelegen dat een garantie van 64 uur is afgegeven, het werk gebrekkig en onaf is achtergelaten, de opdrachtbevestiging pas na het uitvoeren van de werkzaamheden is verstuurd en de handtekeningen op de urenbriefjes zijn vervalst. De kantonrechter constateert dat [gedaagde] hier feitelijk een opsomming geeft van zijn eerdere verweren. Nu die weren tot dusver geen succes hebben gehad en [gedaagde] geen andere aanvullende omstandigheden heeft gesteld, is de kantonrecht van oordeel dat van strijd met de redelijkheid en billijkheid geen sprake is.
[gedaagde] moet buitengerechtelijke incassokosten en gevorderde rente betalen
Flexgroup vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Flexgroup heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Flexgroup heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 578,93 worden toegewezen.
Flexgroup vordert ook wettelijke handelsrente. [gedaagde] heeft de verschuldigde facturen onbetaald gelaten en daarom is hij wettelijke handelsrente verschuldigd. De rente wordt daarom toegewezen zoals gevorderd.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Flexgroup worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 123,73 | |
| - griffierecht | € | 559,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 720,00 | (2 punten × € 360,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.546,73 |
6 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan Flexgroup te betalen een bedrag van € 4.539,32, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan Flexgroup te betalen een bedrag van € 578,93 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.546,73, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Goossens en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.