Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24 januari 2025
ECLI:NL:RBZWB:2025:3098Zaaknummer C/02/429641 / JE RK 24-2211
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 24 januari 2025
- Publicatiedatum
- 23 mei 2025
- Zaaknummer
- C/02/429641 / JE RK 24-2211
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Ondertoezichtstelling. Het moet voor de ouders niet uitmaken hoe zij zich inzetten en hoe zij gaan meewerken. Zij zijn het door hun ouderlijke verantwoordelijkheid verplicht om aan zichzelf en hun ouderschap te werken. Daarbij moet het niet uitmaken of dit in een gedwongen of in een vrijwillig kader gebeurt. De vader zegt dat hij bereid is om mee te werken aan hulpverlening aan de minderjarigen, maar trekt daarbij wel meteen grenzen. Dit standpunt is juist waardoor er geen vertrouwen is, dat de ouders er in een vrijwillig kader samen uit zullen komen. Het voorstel van de vader is te ingewikkeld in een situatie waarin er geen sprake is van gelijkwaardig ouderschap. Daar komt bij dat de moeder hier niet voor open staat en zij wel graag een ondertoezichtstelling wil voor de minderjarigen. Anderzijds zal de bemoeienis van de GI beperkt zijn, als de ouders er in slagen de rust tussen beiden te bewaren.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 24 januari 2025 tot 24 januari 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025 in tegenwoordigheid van Joosen, als griffier. |
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/429641 / JE RK 24-2211
Datum uitspraak: 24 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2013 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. A.M.P.M. Adank te Utrecht,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. B. van Riel te Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
gecertificeerde instelling hierna te noemen: de GI.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 december 2024.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft, gelet op de nauwe samenhang tussen deze verzoeken, gelijktijdig plaatsgevonden met de behandeling van het verzoek van de moeder strekkende tot vaststelling van een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Dit verzoek is geregistreerd onder het zaaknummer C/02/404938 / FA RK 23-19. Op dit verzoek zal bij aparte beschikking beslist worden.
2 De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
Bij beschikking van 7 april 2023 heeft de rechtbank de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van de minderjarigen?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
De Raad is gevraagd daarover te rapporteren en te adviseren.
Bij vonnis van 9 november 2023 is bepaald dat de moeder en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig recht hebben op contact met elkaar:
- iedere dinsdagmiddag vanaf omstreeks 14.25 uur tot woensdagavond 18.30 uur. De vrouw haalt de minderjarigen op van school en zet ze woensdag ’s avonds af bij de voetbaltraining.
- iedere vrijdagmiddag vanaf omstreeks 14.45 uur tot 19.30 uur. De vrouw haalt de minderjarigen van school en brengt ze ’s avonds terug naar de man.
De voorzieningenrechter heeft aan de nakoming van deze contactregeling een dwangsom van € 250,00 verbonden. Tevens zijn partijen in het kader van het Uniform Hulpaanbod (UHA) verwezen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost voor een (jeugd)hulptraject.
De Raad heeft het onderzoek op 5 september 2024, naar aanleiding van een negatieve terugmelding van het UHA-traject, uitgebreid naar een beschermingsonderzoek.
De vader heeft de voorlopige contactregeling niet volledig uitgevoerd. In het weekend van 9 november 2024 heeft zich in de thuissituatie van de vader een escalatie voorgedaan tussen de vader en zijn partner, waarbij de politie heeft moeten interveniëren. De minderjarigen wonen sindsdien weer fulltime bij de moeder. De vader heeft aangegeven dat hij de minderjarigen voorlopig bij de moeder zal laten.
De ouders voeren onderling een contactregeling uit, waarbij de man meerdere keren per week contact heeft met de minderjarigen.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De Raad baseert het verzoek op het volgende. De minderjarigen zijn al langere tijd getuige van conflictsituaties en spanningen tussen de ouders. De ouders maken zich zorgen over elkaars opvoedsituatie. De moeder maakt zich zorgen over de ruzies tussen de vader en zijn partner. De vader maakt zich zorgen om het mogelijk alcohol- en drugsgebruik bij de moeder en opa aan moederszijde. De ouders hebben de wens dat de communicatie tussen beiden verbetert en dat er zicht komt op de opvoedsituatie van de ander. De Raad heeft geen zicht kunnen krijgen op de opvoedsituaties van de ouders. De ouders uitten zich negatief over de ander en kijken weinig naar het eigen aandeel. De vader is zeer bepalend in het ouderschap en de beslissingen over de minderjarigen. De moeder heeft angst voor de vader, maar zoekt ook contact met hem. De vader is wantrouwend naar de hulpverlening en justitie. Hij stelt zelf zijn eisen in waar hij wel of niet aan meewerkt. Dit maakt dat ouders samen, ook niet met bemoeienis van de hulpverlening, tot (gelijkwaardige) afspraken kunnen komen voor de minderjarigen. De vader heeft immers de voorlopige contactregeling niet conform uitgevoerd, ook niet toen de minderjarigen aangaven daar wel behoefte aan te hebben. De minderjarigen wonen inmiddels weer bij de vrouw en de vader ziet de minderjarigen hier zowat dagelijks. De Raad maakt zich zorgen over de gemoedstoestand van de vader, omdat hij overvraagd lijkt. De vader voelt zich vaak onbegrepen en heeft een groot rechtvaardigheidsgevoel. Hij is strijdvaardig ten aanzien van zijn gezin en diens belangen. Dit maakt ook dat de vader zich zodanig vast bijt in strijd en belangenprincipes, waardoor het belang van de minderjarigen verloren gaat. Dit leidt tot conflicten tussen de ouders, maar ook tussen de vader en de hulpverlening. Het is wenselijk dat de vader meer rust vindt en leert te begrijpen waar zijn gevoelens vandaan komen. De minderjarigen zien dat de vader verdrietig is en [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij zich zorgen maakt om de vader. De minderjarigen vinden het fijn dat zij weer bij de moeder wonen en zij zijn tevreden over het contact met de vader. De minderjarigen benoemen evenwel dat er de laatste tijd minder ruzie is tussen de ouders. [minderjarige 2] sluit zich makkelijk af, is gesloten en stil. [minderjarige 1] laat meer externaliserend gedrag zien. Op school zijn er zorgen over [minderjarige 1]. Hij heeft moeite met autoriteit en gaat over grenzen heen. Recent is [minderjarige 1] een dag geschorst, vanwege verbaal agressief gedrag naar een leerkracht, de klas in- en uitlopen en op de tafels staan. [minderjarige 1] lijkt last te hebben van de problemen die op zijn schouders rusten en daardoor op hem drukken. De Raad maakt zich zorgen over wat er schuil gaat achter het gedrag van [minderjarige 1] en wat dit betekent voor zijn toekomstige ontwikkeling. Dit te meer nu [minderjarige 1] het volgende schooljaar zal starten op het voortgezet onderwijs. De ouders geven aan dat zij bereid zijn om samen met school en de hulpverlening te onderzoeken wat [minderjarige 1] nodig heeft om tot een positieve gedragsverandering te komen. Tegelijkertijd lukt het de ouders niet om het gevraagde psychologisch onderzoek uit te laten voeren. De school is op de hoogte van de situatie tussen de ouders en zij pakken de signalen rondom de minderjarigen goed op. Volgens de Raad is er sprake van een langdurige ontwikkelingsbedreiging bij de minderjarigen en lukt het de ouders niet om deze, samen met de hulpverlening, weg te nemen. Er moet volgens de Raad rust komen voor de minderjarigen. Daarvoor is nodig dat er duidelijkheid komt over de opvoedsituaties van de ouders. Daarnaast moet de opvoedsituatie van de minderjarigen stabiel worden. De minderjarigen moeten duidelijkheid krijgen over waar zij wonen en wanneer zij de andere ouder zien. Er moeten verder duidelijke afspraken komen, zodat er sprake is van gelijkwaardig ouderschap. Ook is van belang dat er zicht komt op de gevoelens en de gedragingen van de vader. Er ligt een verwijzing voor de vader bij [hulpverlening], die hem kunnen helpen bij zijn opvliegendheid, PTSS en de relatieproblematiek. Na onderzoek zal er voor de vader behandeling moeten worden ingezet. Volgens de Raad is de situatie tussen de ouders zodanig complex, dat het noodzakelijk is dat er in een gedwongen kader regie wordt gevoerd. Het vrijwillig kader is onvoldoende toereikend gebleken om de ontwikkelingsbedreiging van de minderjarigen af te wenden. Gezien de aard van de problematiek is een ondertoezichtstelling voor de duur van 12 maanden noodzakelijk. Volgens de Raad zijn de zorgen over de minderjarigen al langdurig aanwezig en zeer ernstig. Het is voor de minderjarigen dan ook van belang dat er meteen een ondertoezichtstelling komt. De Raad heeft er, gelet op het verleden, geen vertrouwen meer in dat de ouders in staat zijn om er samen in een vrijwillig kader uit te komen.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat het nu rustig is in haar thuissituatie. Het gaat goed met de minderjarigen. De vader komt zowat dagelijks op bezoek bij de minderjarigen. [minderjarige 1] gaat sinds kort naar een psycholoog. Zijn gedrag is hierdoor al iets verbeterd. De moeder stemt in met het verzoek van de Raad. Zij zou met ondersteuning van de GI willen werken aan het maken van vaste afspraken met de vader. Volgens de moeder komt zij er samen met de vader niet uit. De moeder gaat inmiddels ook naar een psycholoog. Zij wil werken aan het meer weerbaar worden en sterker in haar schoenen staan. De moeder betwijfelt of de vader in staat zal zijn om de rust te bewaren. Zij is bang dat de vader terug zal vallen in zijn bepalende gedrag. Volgens de moeder blijkt uit het verleden ook dat de vader iemand nodig heeft, die bepaalt wat er gaat gebeuren. De moeder vertrouwt er niet op dat de vader blijvend zijn toestemming zal verlenen aan de hulpverleningstrajecten die nodig zijn voor de minderjarigen. De moeder woont met de minderjarigen in bij haar vader en de vader bezoekt de minderjarigen op dat adres. De moeder is bang dat, gelet op hun verstoorde verstandhouding, er een conflict komt tussen de vader en de vader van de moeder. Een regeling tussen de vader en de minderjarigen kan in dat geval niet meer worden uitgevoerd. Het is volgens de moeder belangrijk dat er tussen de ouders gelijkwaardigheid komt. De ouders moeten werken aan het herstel van het vertrouwen over en weer. Dit is in een vrijwillig kader niet gelukt, omdat de vader onder meer eist dat er vanuit wordt gegaan dat de moeder drugs gebruikt en te veel alcohol drinkt. Als dat niet gebeurt, dient de vader meteen een klacht in. Er loopt ook nog een strafrechtelijk onderzoek, in welk kader de moeder en haar vader als getuige zijn gehoord. De vader is bang dat de minderjarigen uit huis geplaatst zullen gaan worden en deelt die angst met de minderjarigen. Het is belangrijk dat er een onafhankelijk persoon komt, die de regie over de minderjarigen gaat voeren.
Door en namens de vader wordt aangegeven dat hij niet instemt met het verzoek van de Raad. Volgens de vader gaat het juist mis tussen de ouders, als anderen zich daarmee gaan bemoeien. Hij heeft geen vertrouwen in hulpverleners, die zich met de minderjarigen gaan bemoeien. Hij wil ook voorkomen dat de minderjarigen weer opnieuw hun verhaal moeten doen tegen nieuwe hulpverleners. Volgens de vader nemen hulpverleners niet eens de moeite om zich in te lezen over de minderjarigen. Volgens de vader staat het wel vast dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Het is volgens hem wel de vraag waar de minderjarigen het meest mee geholpen zijn. De moeder wil graag regie en hulp. De vader heeft door ervaringen in het verleden moeite met autoriteit. De vader vraagt zich dan ook af of het de beste keuze is om een GI in te zetten. Volgens de vader is de situatie tussen de ouders nu in relatieve rust. Hij vraagt de kinderrechter om het verzoek van de Raad voor drie maanden aan te houden, zodat de ouders de kans krijgen om te laten zien dat zij er, met vrijwillige hulpverlening, samen uit kunnen komen. In het kader van het UHA-traject hebben de ouders ondersteuning gehad vanuit de heer [naam 1], Sterk Huis, en van mevrouw [naam 2], [begeleiding]. De vader heeft vertrouwen in deze twee hulpverleners. Volgens de vader is het de verantwoordelijkheid van de ouders om een duidelijke opvoedsituatie en een duidelijke contactregeling af te spreken. De vader zou graag zien dat hij samen met de moeder weer wordt verwezen voor een traject in het kader van UHA, waarbij in een trajectvoorbespreking bij de jeugdprofessionals van de gemeente Breda besproken kan worden welk traject het meest passend is. Met de moeder is de vader van mening dat er regie moet komen, zodat er duidelijkheid en rust komt. Hij vindt echter niet dat deze regie in een gedwongen vorm noodzakelijk is, nu partijen in staat zijn om samen een regeling af te spreken. Volgens de vader zou een ondertoezichtstelling van de minderjarigen juist contraproductief werken, gezien de weerstand van de vader tegen de hulpverlening. De vader staat op het punt om bij [hulpverlening] behandeling te krijgen. In dit kader zal de vader werken aan zijn eigen problematiek. De vader verwacht dat een ondertoezichtstelling alleen maar escalaties gaat uitlokken en vertraging zal opleveren. De vader wil zich richten op de minderjarigen en niet op hulpverleners die niet goed functioneren. De vader is bereid om mee te werken aan hulpverlening, maar is wel kritisch op welke vorm van hulpverlening er wordt ingezet. De vader vindt het verder belangrijk dat er met de moeder wordt gezocht naar eigen woonruimte, omdat haar vader zich met de situatie bemoeit.
Namens de GI wordt ingestemd met het verzoek van de Raad. Het gezin zal eerst door het Provinciaal Instroom Team ondersteund worden, waarna er een jeugdbeschermer ingezet zal worden, zodra deze beschikbaar is. De verwachting is dat dat geen weken zal gaan duren. Net als de Raad vindt de GI het voor de minderjarigen noodzakelijk dat er een ondertoezichtstelling uitgesproken wordt. Het is voor hen belangrijk dat er een jeugdbeschermer komt die opkomt voor hun belangen. De minderjarigen zijn lange tijd opgegroeid in een instabiel opvoedklimaat. Daarnaast is er sprake van ongelijkwaardigheid tussen de ouders. De GI heeft daar nu ook zorgen over, al lijkt de situatie nu stabiel te zijn. De tussenkomst van de GI neemt niet weg dat de ouders samen het gezag blijven uitoefenen. De GI gaat met de ouders kijken waarom het hen niet lukt om samen tot afspraken te komen.
5 De beoordeling
In artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een GI, als een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat zijn te dragen.
Uit de inhoud van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat de minderjarigen ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De minderjarigen zijn al jaren getuige van spanningen en conflicten tussen hun ouders. Ook hebben de minderjarigen al lange tijd instabiliteit in hun opvoedsituatie en in het contact met de ouders. [minderjarige 1] laat inmiddels op school forse gedragsproblemen zien. De minderjarigen verkeren niet in een situatie, waarin zij toe kunnen komen aan het verwerken van hun trauma’s. In tegenstelling tot het standpunt van de vader, is de kinderrechter van oordeel dat de ouders niet in staat zijn om in een vrijwillig kader de bedreiging weg te nemen en de hulpverlening te accepteren. Het verleden heeft laten zien dat, wat daarvan de reden ook is, hulpverleningstrajecten op niets zijn uitgelopen. Dat de ouders in de laatste twee maanden zelf een contactregeling uitvoeren, maakt dit niet anders. Het is aan de ouders om dit zo voort te zetten. Gezien het gedrag dat [minderjarige 1] laat zien, is het vanzelfsprekend dat hij daarvoor hulp krijgt. De ouders hebben deze hulp inmiddels gerealiseerd, maar zitten verder in een impasse, zonder dat er een duidelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is. Deze situatie kan niet blijven voortduren. De minderjarigen hebben behoefte aan duidelijkheid. De medewerking van de ouders is echter nog zeer pril van aard en nog niet bestendig gebleken. Voorkomen moet worden dat er een terugval komt naar de oude situatie. Het is voor de minderjarigen en ook voor de ouders belangrijk dat er een jeugdbeschermer van de GI komt, die de regie gaat voeren en die de ouders gaat begeleiden naar een proces van duidelijkheid voor het gezinssysteem, wederzijds vertrouwen, en wederzijds respect. De inzet van de ouders in het vrijwillig kader is ontoereikend gebleken. De GI heeft als taak om samen te werken met de ouders en om te kijken welke hulpverlener geschikt is om voor deze ouders in te zetten. De vader heeft hierbij de voorkeur uitgesproken voor de inzet van de heer [naam 1], Sterk Huis, en van mevrouw [naam 2], [begeleiding]. De GI kan deze voorkeur in ogenschouw nemen, maar het is niet zo dat de GI moet doen wat de ouders of een van hen zegt. De GI is er om te bezien wat er nodig is in het belang van de minderjarigen. Het moet voor de ouders niet uitmaken hoe zij zich inzetten en hoe zij gaan meewerken. Zij zijn het door hun ouderlijke verantwoordelijkheid verplicht om aan zichzelf en hun ouderschap te werken. Daarbij moet het niet uitmaken of dit in een gedwongen of vrijwillig kader gebeurt. De vader zegt dat hij bereid is om mee te werken aan hulpverlening aan de minderjarigen, maar trekt daarbij wel meteen grenzen. Dit standpunt is juist waardoor er geen vertrouwen is, dat de ouders er in een vrijwillig kader samen uit zullen komen. Het voorstel van de vader is te ingewikkeld in een situatie waarin er geen sprake is van gelijkwaardig ouderschap. Daar komt bij dat de moeder hier niet voor open staat en zij wel graag een ondertoezichtstelling wil voor de minderjarigen. Anderzijds zal de bemoeienis van de GI beperkt zijn, als de ouders er in slagen de rust tussen beiden te bewaren.
De kinderrechter stelt daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van twaalf maanden.
In dat kader zal er gewerkt moeten worden aan het bereiken van de volgende doelen:
- het verkrijgen van zicht op de minderjarigen;
- het creëren van rust en stabiliteit in de opvoedsituatie van de minderjarigen;
- het verkrijgen van duidelijkheid over de opvoedsituaties van de ouders;
- het maken van duidelijke afspraken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, zodat er sprake is van gelijkwaardig ouderschap;
- het verkrijgen van zicht op de gevoelens en gedragingen van de man.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 24 januari 2025 tot 24 januari 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
| Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2025 in tegenwoordigheid van Joosen, als griffier. |
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.