Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 maart 2023
ECLI:NL:RBZWB:2023:1707Zaaknummer 346345_T14032023
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Datum uitspraak
- 14 maart 2023
- Publicatiedatum
- 3 april 2025
- Zaaknummer
- 346345_T14032023
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Rekestprocedure
- Zittingsplaats
- Breda
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststelling gelijke voorlopige verdeling zorg- en opvoedingstaken op basis van co-ouderschap. Wijziging hoofdverblijfplaats.
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2],
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders voorlopig, totdat de rechtbank definitief beslist, volgens een tweewekelijks schema in de ene week bij de man en in de andere week bij de vrouw verblijven, met als wisselmoment de woensdag uit school;
bepaalt dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] voortaan bij de man is gelegen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de zelfstandige verzoeken van de man over het inschrijfadres, de kinderbijslag en het kindgebonden budget betreffende [minderjarige 2] af;
houdt de beslissing op de (zelfstandige) verzoeken van beide ouders over de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen aan tot dinsdag 5 september 2023 PRO FORMA, in afwachting van de reacties van de ouders (via hun advocaten) en het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.16 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2023 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
| Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/346345 / FA RK 18-3265
Datum uitspraak: 14 maart 2023
Nadere beschikking van de rechtbank over vaststelling verdeling zorg- en opvoedingstaken, wijziging hoofdverblijf en inning kinderbijslag en kindgebonden budget
in de zaak van
[de vrouw],
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats],
advocaat: mr. W.H.P. de Jongh te Roosendaal,
tegen
[de man],
hierna te noemen: de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L.A.P. van Haperen te Breda,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De rechtbank merkt als informant in deze procedure aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de GI (Gecertificeerde Instelling).
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1 Het verdere procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van:
- de beschikking van deze rechtbank van 25 februari 2022 en alle daarin vermelde stukken;
- de beschikking van deze rechtbank van 20 juli 2022 en alle daarin vermelde stukken;
- het F9-formulier van 3 oktober 2022 van mr. De Jongh;
- het F9-formulier van 4 januari 2023 van mr. De Jongh;
- het F9-formulier van 9 januari 2023 van mr. Van Haperen;
- de brief van 17 januari 2023 van mr. Van Haperen, met producties;
- de brief van 24 januari 2023 van mr. De Jongh, met producties;
- de brief van 6 februari 2023 van mr. De Jongh, met producties;
- de brief van 7 februari 2023 van mr. Van Haperen, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met producties.
Op 14 februari 2023 heeft de rechtbank de verzoeken, met gesloten deuren, (nader) mondeling behandeld, gelijktijdig met de mondelinge behandeling bij de kinderrechter van het verzoek van de vrouw tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen (in de zaak met het zaaknummer: C/02/405393 / JE RK 23-98). In die zaak heeft de kinderrechter afzonderlijk beslist.
Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen en heeft de rechtbank gehoord:
- de vrouw, bijgestaan door mr. De Jongh;
- de man, bijgestaan door mr. Van Haperen;
- een vertegenwoordigster namens de GI (digitaal via MS Teams);
- een vertegenwoordigster namens de Raad.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling, op 13 februari 2022, heeft [minderjarige 1] zijn mening over het verzoek kenbaar gemaakt tijdens een gesprek met de kinderrechter.
2 De nadere beoordeling
De rechtbank verwijst naar de inhoud van de beschikking van 25 februari 2022. Hierbij is, onder wijziging van het tussen partijen op 15 oktober 2019 overeengekomen ouderschapsplan, bepaald dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Daarnaast is, samengevat, bepaald dat de minderjarigen om de dag belcontact hebben met de ouder bij wie ze op dat moment niet verblijven. De beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft de rechtbank pro forma aangehouden tot 20 december 2022 in afwachting van het verloop en het resultaat van de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen, het schriftelijke bericht van de GI en de reacties van de advocaten van de ouders hierop en hun standpunt over het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak. De beslissing over het vaststellen van een regeling over te betalen kinderalimentatie is ten slotte pro forma aangehouden tot 29 maart 2022, om apart te worden behandeld door het cluster familierecht van deze rechtbank.
Bij beschikking van 20 juli 2022 heeft de rechtbank de verzoeken van beide ouders om de andere ouder te veroordelen tot het betalen van kinderalimentatie, nadat partijen hierover overeenstemming hebben bereikt en zij hun verzoeken hebben ingetrokken, afgewezen.
Aan de orde is nog het verzoek van de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere twee weken van donderdagmiddag na school/kinderopvang tot maandagochtend 8:30 uur (aanvang school/kinderopvang).
Daarnaast is bij voormelde brief van 7 februari 2023, namens de man, bij wijze van zelfstandige verzoeken, verzocht om te bepalen:
- dat de minderjarigen en de man gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij de minderjarigen in de ene week bij de man verblijven en in de andere week bij de vrouw, met als wisselmoment woensdag uit school;
- dat de minderjarigen in de oneven jaren de kerstdagen (24 december om 15:00 uur tot en met 26 december 19:00 uur) bij de man doorbrengen en oud en nieuw (31 december 15:00 uur tot 1 januari 19:00 uur) bij de vrouw doorbrengen en in de even jaren andersom. De zomervakantie wordt gelijkmatig verdeeld tussen de ouders, dat wil zeggen de man drie weken en de vrouw drie weken. De indeling van de weken gebeurt in onderling overleg. Indien één van de ouders op vakantie gaat met de minderjarigen kan dit voor een maximale periode van twee aansluitende weken, tenzij anders overeengekomen. In de oneven jaren heeft de man de eerste keus qua indeling van de weken en in de even jaren heeft de vrouw die keus. De ouders dienen uiterlijk op 31 januari in het betreffende jaar te communiceren met elkaar over de vakantie(data). De overige vakanties worden niet verdeeld; dan wordt de reguliere zorgregeling gevolgd;
- dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf/inschrijfadres bij de man zal hebben;
- dat de man gerechtigd is tot het innen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [minderjarige 2].
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan onder andere omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.
De rechtbank beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders en neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Namens en door de vrouw is, samengevat, primair verzocht om de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over de minderjarigen pro forma aan te houden in afwachting van het verdere verloop en het resultaat van het hulpverleningstraject dat de ouders zijn gestart bij [naam Praktijk]. Subsidiair ziet de vrouw geen aanleiding om de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waar de ouders uitvoering aan geven, te wijzigen.
De vrouw verzoekt daarnaast om het zelfstandige verzoek van de man om het hoofdverblijf van [minderjarige 2] te wijzigen af te wijzen, omdat de rechtbank bij beschikking van 25 februari 2022 het hoofdverblijf van [minderjarige 2] al bij haar heeft bepaald en er momenteel geen sprake is van gewijzigde omstandigheden die wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] rechtvaardigen.
Namens en door de man is, samengevat, verzocht om de wens van de minderjarigen te volgen en de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen gelijkelijk tussen de ouders te verdelen. De man stelt dat hij in staat is om een groter gedeelte van de zorg over de minderjarigen op zich te nemen. De man verzoekt om hierover een eindbeslissing te nemen, omdat de minderjarigen behoefte hebben aan duidelijkheid.
Indien de rechtbank een gelijke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststelt, is er volgens de man sprake van gewijzigde omstandigheden die wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de man rechtvaardigen. De man heeft er bovendien een financieel belang bij dat [minderjarige 2] op zijn adres ingeschreven blijft, omdat die inschrijving van invloed is op het vrij te laten bedrag dat is bepaald in het kader van het schuldhulpverleningstraject dat de man doorloopt.
[minderjarige 1] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, aangegeven dat hij het fijn heeft bij zijn beide ouders. De ouders zijn het echter niet altijd met elkaar eens, waardoor er miscommunicatie en soms akkefietjes ontstaan. [minderjarige 1] vindt het vervelend wanneer zijn ouders boos worden doordat zij zelf zaken niet goed hebben gecommuniceerd. [minderjarige 1] wil dat zijn ouders niet langer naar het verleden maar naar de toekomst kijken. Hij wil vooral dat het gedoe tussen zijn ouders stopt. In de afgelopen jaren heeft [minderjarige 1] speltherapie gevolgd en zijn er gezinscoaches betrokken geweest. [minderjarige 1] vindt het vervelend dat hij daar dingen heeft gezegd waar vervolgens niets mee is gedaan. Over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft [minderjarige 1] aangegeven dat hij wel een gelijke verdeling zou willen.
De GI heeft, samengevat, aangegeven dat het van belang is dat de rechtbank duidelijkheid schept over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders betreffende de minderjarigen. De GI adviseert in dat verband om de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken waar de ouders al enkele jaren uitvoering aan geven vast te stellen als definitieve verdeling. De GI vindt het namelijk van belang dat de structuur die de minderjarigen al jarenlang ervaren, wordt doorgezet. De GI maakt zich ook zorgen of de man in staat is om een groter gedeelte van de zorg over de minderjarigen op zich te nemen.
De GI heeft geen standpunt ingenomen over het verzoek van de man tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2], omdat dat verzoek voornamelijk een financiële grondslag heeft.
De Raad vindt het vooral van belang, zoals [minderjarige 1] ook heeft aangegeven, dat door goede communicatie en met duidelijke afspraken tussen de ouders wordt voorkomen dat er miscommunicatie en akkefietjes ontstaan. De Raad heeft het vertrouwen dat beide ouders hun verantwoordelijkheid zullen nemen en dat zij de noodzakelijk geachte hulpverlening blijvend zullen accepteren.
Aangezien de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders de basis vormt van de beslissing van de GI om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen niet te verlengen, adviseert de Raad om die verdeling nu definitief vast te stellen.
Omdat het verzoek van de man tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] voornamelijk een financiële grondslag heeft, refereert de Raad zich aan het oordeel van de rechtbank hierover.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De rechtbank overweegt, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, als volgt. Op basis van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken verblijven de minderjarigen volgens een tweewekelijks schema gedurende 9 dagen bij de vrouw en 5 dagen bij de man. De ouders zijn inmiddels gestart met het voeren van individuele gesprekken in het kader van het traject parallel ouderschap bij [naam Praktijk]. Tijdens dat traject zullen de ouders werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en zal er worden gesproken over het vaststellen van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Naar aanleiding van de individuele gesprekken zal het verdere verloop van het traject worden bepaald.
Gelet op de slechte verstandhouding en (ouder)communicatie tussen de ouders, de langdurige hulpverleningsgeschiedenis en omdat het traject parallel ouderschap dat de ouders bij [naam Praktijk] zullen doorlopen pas onlangs is gestart, vindt de rechtbank het op dit moment te risicovol om zowel de ondertoezichtstelling van de minderjarigen niet te verlengen als een eindbeslissing te nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen. De rechtbank heeft er namelijk onvoldoende vertrouwen in dat het de ouders, wanneer zij tijdens het traject parallel ouderschap onverhoopt worden geconfronteerd met een tegenslag, zonder enige vorm van toezicht zal lukken om in goed onderling overleg tot een oplossing te komen waarbij zij de belangen van de minderjarigen voorop stellen.
De rechtbank heeft voornoemde zorgen tijdens de mondelinge behandeling gedeeld met partijen. Namens beide ouders, de GI en de Raad is aangegeven dat zij instemmen met afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling van de minderjarigen en het aanhouden van de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De rechtbank overweegt dat zij - in haar hoedanigheid als kinderrechter - bij beschikking van 14 februari 2023 het verzoek van de vrouw tot verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen heeft afgewezen. Die maatregel is daardoor geëindigd op 18 februari 2023.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de definitieve beslissing over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, in afwachting van het verdere verloop en het resultaat van het traject parallel ouderschap dat de ouders doorlopen bij [naam Praktijk], pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum.
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om voor de komende periode een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen. De rechtbank zal, in aansluiting op het verzoek van de man, bepalen dat de minderjarigen voorlopig volgens een tweewekelijks schema in de ene week bij de man en in de andere week bij de vrouw verblijven, met als wisselmoment de woensdag uit school. De rechtbank vindt het namelijk belangrijk om de wens die de minderjarigen herhaaldelijk hebben geuit in het kader van de speltherapie, bij de betrokken gezinscoaches en zoals [minderjarige 1] heeft aangegeven tijdens het gesprek met de kinderrechter, vooralsnog te volgen.
De minderjarigen verblijven momenteel 5 van de 14 dagen bij de man. Op basis van voormelde voorlopige verdeling zullen zij voortaan 7 van de 14 dagen bij de man verblijven. Hoewel de structuur van de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders die de minderjarigen al jarenlang ervaren hierdoor wordt doorbroken, ziet de rechtbank vooralsnog geen redenen waarom de minderjarigen die verandering van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet zouden aankunnen. De rechtbank overweegt daarnaast dat is gebleken dat de man de huidige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, waarbij hij 5 van de 14 dagen verantwoordelijk is, goed aankan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van de man dat hij ook een groter gedeelte van de verzorging en opvoeding van de minderjarigen aankan. Doordat voormelde regeling als voorlopige regeling zal worden vastgesteld, is het aan de man om in de komende periode de zorgen van de GI hierover te ontkrachten en te laten zien dat hij inderdaad daartoe in staat is.
De rechtbank verzoekt aan de ouders om uiterlijk op hierna te noemen pro forma datum, via hun advocaten, (kort) schriftelijk verslag uit te brengen over de actuele stand van zaken, waarbij zij met name dienen in te gaan op het verdere verloop (en eventueel resultaat) van het traject parallel ouderschap bij [naam Praktijk] en het verloop van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De ouders worden daarnaast verzocht om het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure kenbaar te maken.
Wijziging hoofdverblijf en bepaling inschrijfadres [minderjarige 2]
De rechtbank stelt allereerst vast, gelet op de overgelegde stukken en wat er tijdens de mondelinge behandeling is besproken, dat overeenstemming tussen de ouders over het hoofdverblijf van [minderjarige 2] niet mogelijk is.
De rechtbank overweegt dat zij bij beschikking van 25 februari 2022 het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de vrouw heeft bepaald. Deze bepaling was in de situatie dat [minderjarige 2] de meeste tijd bij de vrouw doorbracht. Aangezien de rechtbank, zoals zij hiervoor heeft overwogen, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders over de minderjarigen voorlopig een gelijke verdeling zal vaststellen, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 2] rechtvaardigt. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat [minderjarige 2], ondanks dat zijn hoofdverblijf bij voormelde beschikking bij de vrouw is bepaald, vanwege voornamelijk financiële motieven met instemming van de vrouw nog steeds op het adres van de man staat ingeschreven en dat de ouders die inschrijving vooralsnog zullen handhaven. Met het bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] voortaan bij de man is gelegen, zijn het hoofdverblijf en die inschrijving dan ook weer met elkaar in overeenstemming.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het zelfstandige verzoek van de man om te bepalen dat [minderjarige 2] zijn hoofdverblijf/inschrijfadres bij de man zal hebben toewijzen in die zin dat zij zal bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] voortaan bij de man is gelegen. Het belang van [minderjarige 2] staat hierbij voorop. Omdat [minderjarige 2] al op het adres van de man staat ingeschreven, is het afzonderlijk bepalen daarvan niet nodig. Daarnaast kan de ouder bij wie het kind zijn of haar hoofdverblijfplaats heeft dat kind op zijn of haar adres laten inschrijven bij de gemeente. Het zelfstandige verzoek van de man voor zover het ziet op het bepalen van het inschrijfadres van [minderjarige 2] zal dan ook worden afgewezen.
Kinderbijslag en kindgebonden budget
De rechtbank zal, zoals zij hiervoor heeft overwogen, het hoofdverblijf van [minderjarige 2] bij de man bepalen. In die situatie is de man gerechtigd tot het ontvangen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [minderjarige 2]. Het afzonderlijk bepalen dat de man gerechtigd is tot het innen van de kinderbijslag en het kindgebonden budget voor [minderjarige 2] is dan ook niet nodig. Het daartoe strekkende verzoek van de man zal daarom worden afgewezen.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissingen over de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en het hoofdverblijf, gelet op de aard daarvan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat de beslissingen alvast moeten worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.
3 De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2012 te [geboorteplaats 1];
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2015 te [geboorteplaats 2],
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders voorlopig, totdat de rechtbank definitief beslist, volgens een tweewekelijks schema in de ene week bij de man en in de andere week bij de vrouw verblijven, met als wisselmoment de woensdag uit school;
bepaalt dat het hoofdverblijf van [minderjarige 2] voortaan bij de man is gelegen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst de zelfstandige verzoeken van de man over het inschrijfadres, de kinderbijslag en het kindgebonden budget betreffende [minderjarige 2] af;
houdt de beslissing op de (zelfstandige) verzoeken van beide ouders over de definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen aan tot dinsdag 5 september 2023 PRO FORMA, in afwachting van de reacties van de ouders (via hun advocaten) en het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.16 is overwogen;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2023 door mr. Van Triest, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Wallerbos als griffier.
| Mededeling van de griffier: Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld: - door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak, - door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.