Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 3 mei 2021

ECLI:NL:RBZWB:2021:2188Zaaknummer BRE-20_9792

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
3 mei 2021
Publicatiedatum
13 juni 2022
Zaaknummer
BRE-20_9792
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats
Breda
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is niet voorzien van een samenvatting.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is op 3 mei 2021 gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

(de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen)

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Motivering
  2. Beslissing
  3. Rechtsmiddel

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, enkelvoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer BRE 20/9792

uitspraak van 3 mei 2021

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

Motivering

Belanghebbende heeft een beroepschrift ingediend betreffende de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2018 met aanslagnummer [aanslagnummer].H.86.01.

De uitspraak op bezwaar heeft als dagtekening 13 oktober 2020. Er zijn geen aanwijzingen dat verzending aan belanghebbende pas na die dagtekening heeft plaatsgevonden.

De wettelijke termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn eindigde op 24 november 2020. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ook is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Het beroepschrift is niet-tijdig ingediend. Het beroepschrift is weliswaar op 27 november 2020, dus binnen een week na afloop van de termijn, ontvangen bij de rechtbank, maar het is gelet op de datum van de dagtekening (25 november 2020) en de datum van de aangetekende poststempel (26 november 2020) niet aannemelijk dat het beroepschrift voor het einde van de termijn ter post is bezorgd.

De beroepstermijn is van openbare orde. Dit betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen. Dat is alleen anders indien “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is.

Belanghebbende heeft redenen aangevoerd voor de overschrijding van de beroepstermijn. De rechtbank begrijpt dat belanghebbende het moeilijk heeft met het overlijden van zijn echtgenote vorig jaar en dat het al een langere periode niet goed gaat. Inmiddels krijgt belanghebbende ook begeleiding van Zorgplus GGZ. De rechtbank heeft begrip voor de situatie, echter is er hier geen sprake van een plotselinge omstandigheid maar van een al gedurende enige tijd aanwezige omstandigheid. In een dergelijk geval mag redelijkerwijs van iemand verwacht worden dat voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat, zoals hier, te laat wordt gereageerd. Niet is gebleken dat belanghebbende niet in staat was maatregelen te treffen om een termijnoverschrijding te voorkomen door bijvoorbeeld een ander in te schakelen om dit voor hem te doen. De termijnoverschrijding moet daarom aan belanghebbende worden toegerekend. De rechtbank is dus van oordeel dat de aangevoerde redenen de overschrijding niet verschoonbaar maken.

Het beroep is daarom, gelet op de artikelen 6:7 tot en met 6:11 van de Awb, kennelijk niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is op 3 mei 2021 gedaan door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van N. Plasman, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak alsnog in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De rechter,

(de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen)

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de datum van verzending verzet worden gedaan bij de rechtbank (artikel 8:55 Awb). De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.