Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Utrecht, 2 juli 2008

ECLI:NL:RBUTR:2008:4155Zaaknummer 226007 / HA ZA 07-292

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
2 juli 2008
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
226007 / HA ZA 07-292
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eisers vorderen een verklaring voor recht en vergoeding van schade nader op te maken bij staat. Het gaat om schade die zij als aandeelhouders hebben geleden door het gesteld onrechtmatig handelen van gedaagde. De rechtbank is niet bevoegd om de vorderingen van eisers te beoordelen. Artikel 5 sub 3 EEX geeft geen bevoegdheid omdat het schade toebrengende feit zich niet heeft voorgedaan in Nederland. Evenmin is er op basis van 5 sub 3 EEX bevoegdheid omdat de schade van eisers in Nederland zou worden geleden.

De rechtbank

in het incident

6.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

6.2.

veroordeelt Achmea c.s. in de kosten, aan de zijde van Republiek Polen c.s. tot op heden begroot op EUR 1.808,00.

6.3.

veroordeelt dat Achmea c.s. tot betaling van wettelijke rente over voormelde proceskosten vanaf 16 juli 2008.

Dit vonnis is gewezen door mrs A.A.T. van Rens. H.M.M. Steenberghe en J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 De vordering in de hoofdprocedure
  4. 4 De incidentele vordering
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handels- en familierecht

zaaknummer / rolnummer: 226007 / HA ZA 07-292

Vonnis in incident van 2 juli 2008

in de zaak van

1. de vereniging

VERENIGING ACHMEA,

gevestigd te Zeist,

2. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIE-KANTOOR ACHMEA.

gevestigd te Zeist.

eisers in de hoofdzaak.

verweerders in het incident.

procureur mr. J.M. van Noort.

tegen

1. de publiekrechtelijke rechtspersoon

REPUBLIEK POLEN (RZECZPOSPOLITA POLSKA).

zetelend te 00-583 Warschau,

2. de publiekrechtelijke rechtspersoon

STATE TREASURY VAN DE REPUBLIEK POLEN.

zetelend te 00-522 Warschau,

gedaagden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident.

procureur mr. P.J. Soede.

Partijen zullen hierna Achmea c.s. en Republiek Polen c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- akte houdende overlegging producties:

- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid;

- de incidentele conclusie van antwoord:

- de incidentele conclusie van repliek;

- de incidentele conclusie van dupliek:

- het proces verbaal van pleidooi van 17 april 2008 en de daaraan gehechte pleitnotities.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De feiten

2.1.

Achmea c.s. en de rechts- en natuurlijke personen waarvoor zij optreedt als lasthebber, te weten:

• Schweizerische Mobiliar Holding AG,

• Länsförsäkringar SAK Försäkringaktiebolag (publ),

• Länsförsäkringar Livförsäkringsaktiebolag (publ),

• [A],

• Dievropaiki Hellenic Enterprise of lnvestments Financial and Technical Surveys, Touristic and Commercial Enterprises S.A.,

• Gothaer Finanzholding AG,

• Gothaer Allgemeine Versicherung AG,

• Gothaer Lebensversicherung AG,

• Asstel Lebensversicherung AG en

• Friends Provident lnvestment Holdings Plc,

zijn aandeelhouders in de besloten vennootschap Eureko B.V., verder te noemen: Eureka.

2.2.

Eureko heeft samen met BIG Bank GDANSKI S.A., hierna te noemen BBG en verder gezamenlijk te noemen het Eureko Consortium. op 5 november 1999 een overeenkomst gesloten met de Republiek Polen c.s. Krachtens deze overeenkomst kocht Eureko 20% en BBG 10% van de aandelen in Powszechny Zaklad Ubezpieczen A.S.. hierna: PZU, van de Republiek Polen c.s. PZU beheerste in 1999 60% van de Poolse levensverzekeringmarkt en 70% van de markt voor overige verzekeringen in Polen. De achtergrond van deze overeenkomst was het (in 1999 genomen) besluit van de Republiek Polen om PZU. waarvan de Republiek Polen alle aandelen bezat. geheel of gedeeltelijk te privatiseren.

2.3.

Op 3 april 2001 hebben Republiek Polen c.s. en het Eureka Consortium een aanvullende overeenkomst gesloten, verder te noemen: het First Addendum. In artikel 5 van het First Addendum is bepaald dat partijen streven naar een beursgang van PZU vóór 31 december 2001 en dat Eureko in dat kader nog 21% van de aandelen in PZU zou mogen kopen. waarmee zij - samen met BBG - over een meerderheid van de aandelen zou gaan beschikken. Voorts is bepaald dat voor het geval de beursgang niet vóór 31 december 2001 zou zijn voltooid. partijen zich in zouden spannen om de beursgang op een later tijdstip te laten plaatsvinden.

2.4.

Op 4 oktober 2001 hebben Republiek Polen c.s. en het Eureko Consortium een tweede aanvullende overeenkomst gesloten, verder te noemen: het Second Addendum. Krachtens het Second Addendum verkocht Republiek Polen c.s. 21% van de aandelen in PZU aan Eureka. In het Second Addendum is onder meer bepaald dat partijen het Second Addendum kunnen opzeggen als niet vóór 31 december 2001 twee vergunningen zouden worden verleend door verschillende Poolse Ministeries. waaronder de goedkeuring van de transactie door het Ministerie van Binnenlandse Zaken.

2.5.

De beursgang van PZU is niet gerealiseerd vóór 31 december 2001. Op 2 april 2002 heeft de Poolse Ministerraad besloten het Second Addendum op te zeggen. nu de betreffende vergunningen niet waren verleend.

2.6.

De beursgang van PZU is ook thans nog niet gerealiseerd. Eureko heeft geen extra 21% van de aandelen in PZU verworven.

2.7.

Op 11 februari 2003 heeft Eureko een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt tegen Republiek Polen c.s. op basis van het Verdrag tussen Nederland en Polen over bevordering en wederzijdse bescherming van investeringen, verder te noemen het Verdrag. Op 14 augustus 2005 hebben arbiters - in meerderheid - vastgesteld dat Republiek Polen c.s. ten opzichte van Eureko heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3.1, 3.5 en 5 van het Verdrag. Voor de vaststelling van de (door Eureko van Republiek Polen c.s. gevorderde) schade wordt verwezen naar een tweede arbitrageprocedure. De door Republiek Polen c.s. tegen deze uitspraak aangewende rechtsmiddelen, hebben (nog) niet geleid tot vernietiging van deze beslissing.

3 De vordering in de hoofdprocedure

3.1.

In de hoofdprocedure vordert Achmea c.s.

1. een verklaring voor recht dat Republiek Polen c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens haar;

2. veroordeling van Republiek Polen c.s. hoofdelijk tot voldoening aan Achmea

c.s. van alle schade die daaruit voortvloeit, nader op te maken bij staat;

3. veroordeling van Republiek Polen c.s. in de proceskosten.

4 De incidentele vordering

4.1. Republiek Polen c.s. vordert in het incident

1. dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van Achmea c.s. kennis te nemen:

2. veroordeling van Achmea c.s. in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over die kosten vanaf de veertiende dag na de dag van vonnis wijzing.

4.2.

Achmea c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

De beoordeling van de vraag in hoeverre de rechtbank bevoegd is, vindt plaats op grondslag van de door Achmea c.s. ingestelde vordering in de hoofdzaak en de daarbij door Achmea c.s. gegeven onderbouwing.

5.2.

De bevoegdheid van deze rechtbank is volgens de dagvaarding gebaseerd op artikel 5 sub 3 van de Verordening 44/2001 d.d. 22 december 2000, verder te noemen: EEX. Republiek Polen c.s. heeft zich primair op het standpunt gesteld dat artikel 5 sub 3 EEX - waarin is bepaald dat (mede) bevoegd is het gerecht van de plaats waar het schade toebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen - niet van toepassing is.

Voor wat betreft de toepasselijkheid van artikel 5 sub 3 EEX heeft Achmea c.s. zich allereerst op het standpunt gesteld dat de onrechtmatige daad door Republiek Polen c.s. in Nederland is en nog steeds wordt gepleegd. Republiek Polen c.s. heeft volgens Achmea c.s. onrechtmatig gehandeld en handelt nog steeds onrechtmatig ten opzichte van Achrmea c.s. als aandeelhouders van Eureko, doordat zij haar verplichtingen uit de overeenkomsten met Eureko - in het bijzonder de verplichtingen om een beursgang van PZU te realiseren en om nog 21% van de aandelen in PZU over te dragen - niet is nagekomen en nog steeds niet nakomt, waardoor de beursgang van Eureko in Amsterdam (nog steeds) geen doorgang heeft kunnen vinden.

5.3.

De handeling of het nalaten van Republiek Polen c.s. waarvan Achmea c.s. stelt dat het onrechtmatig is, betreft het niet realiseren van de beursgang van PZU en het niet verkopen van 21% van de aandelen van PZU aan Eureko. Tussen partijen staat vast dat die handelingen, zowel de beursgang als de verkoop van aandelen aan Eureko, in Polen dienden plaats te vinden. Dat als gevolg daarvan - zoals Achmea c.s. stelt en Republiek Polen c.s. betwist - de beursgang van Eureko in Nederland geen doorgang heeft kunnen vinden en dat Republiek Polen c.s. zich daarvan bij het onrechtmatig handelen bewust (moet) zijn geweest, maakt niet dat het schadetoebrengende handelen en/of nalaten in Nederland heeft plaatsgevonden en/of plaatsvindt. De plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan en - naar gesteld - nog voordoet, blijft Polen.

Achmea c.s. heeft in dit kader een beroep gedaan op een door Republiek Polen c.s. verzonden brief 22 mei 2002 waarin Republiek Polen c.s. mededeelde dat Eureko de aandelen in PZU slechts zou kunnen verwerven als aan nieuwe voorwaarden zou worden voldaan. Volgens Achmea c.s. heeft Republiek Polen c.s. zich met het stellen van deze nieuwe voorwaarden feitelijk onttrokken aan de afspraken van het First en Second Addendum. Het doen van deze mededeling beschouwt zij reeds op zich als onrechtmatig. Met een beroep op Bus/Chemconserve (HR 21 september 2001, NJ 2002, 254) stelt Achmea c.s. dat Nederland als plaats van de onrechtmatige handeling moet worden beschouwd, omdat de brief in Nederland door Achmea c.s. is ontvangen. Nu echter - anders dan in genoemd arrest vaststaat dat de handeling waarvan Achmea c.s. stelt dat het nalaten daarvan onrechtmatig is, in Polen moe(s)t plaatsvinden. is de enkele ontvangst in Nederland door Eureko van de mededeling van Republiek Polen c.s. onvoldoende om te kunnen concluderen tot een in Nederland gepleegde onrechtmatige daad, nog daargelaten dat ook na ontvangst van de brief tussen Republiek Polen c.s. en Eureko nog is gesproken over (een vorm van) uitvoering van de tussen hen gesloten overeenkomst(en). Daaruit kan worden afgeleid dat Achmea c.s. de brief destijds niet heeft opgevat als een weigering om uitvoering te geven aan het First en Second Addendum.

5.4.

Subsidiair heeft Achmea c.s. zich op het standpunt gesteld dat deze rechtbank bevoegd is. nu alhier de door haar geleden schade is ingetreden.

Achmea c.s. heeft daarbij aangevoerd dat de door haar als aandeelhouder geleden schade geen schade betreft die (ook) door Eureko is geleden. In concreto heeft Achmea c.s. twee schadeposten aangevoerd.

1. Illiquiditeitschade: doordat de beursgang van Eureko geen doorgang kon vinden, kunnen de aandelen van Eureko niet worden verhandeld op de beurs en kan er dus ook geen prijsvorming plaatsvinden op basis van het eenvoudig kunnen verhandelen van beursgenoteerde aandelen. Daardoor zijn de aandelen thans minder waard dan zij zouden zijn als wel beursgang had kunnen plaatsvinden.

2. Schade omdat de paneuropese strategie van Eureko niet kon worden uitgevoerd door het niet kunnen verwerven van een meerderheid in PZU.

De schade van Eureko wordt door Eureko gevorderd in de arbitrale procedure (zie 2.7).

5.5.

Uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, verder te noemen het Hof van Justitie, van 30 november 1976 (Bier/Mines de Potasse d’Alsace, NJ 1977, 494) en meer recentelijk 5 februari 2004 (DFDS Torline, NJ 2006, 322, overweging 40) volgt dat wanneer de plaats waar zich een feit heeft voorgedaan dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad kan meebrengen, en de plaats waar door dit feit schade is ontstaan, niet samenvallen, de uitdrukking 'plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan' in artikel 5 sub 3 EEX aldus moet worden verstaan dat zowel de plaats waar de schade is ingetreden, als de plaats van de veroorzakende gebeurtenis is bedoeld, zodat de verweerder ter keuze van de eiser voor de rechter van de ene dan wel de andere plaats kan worden geroepen.

Uit het arrest Marinari/Lloyd’s Bank (Hof van Justitie 19 september 1995, NJ 1997, 52) volgt dat de plaats waar de schade is ingetreden niet zo ruim mag worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. In het arrest Dumez France/Haleba (Hof van Justitie 11 januari 1990, NJ 1991, 573) is overwogen het begrip “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan" in art. 5 sub 3 EEX kan doelen op de plaats waar de schade is ingetreden, maar dat deze laatste uitdrukking slechts aldus mag worden verstaan dat zij verwijst naar de plaats waar het veroorzakende feit dat aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad meebrengt, rechtstreeks schadelijke gevolgen heeft gehad voor degene die er rechtstreeks door is gelaedeerd. De plaats waar de oorspronkelijke schade zich heeft voorgedaan heeft in het algemeen ook een nauw verband met de andere bestanddelen van de aansprakelijkheid. Een dergelijk verband is er meestal niet met de woonplaats van de indirect gelaedeerde (overwegingen 20 en 21, zie ook Hof van Justitie, 27 oktober 1998 Réunion Européenne/Spliethoff, NJ 2000, 156 voor een samenvatting van de jurisprudentie van het Hof in dezen).

5.6.

Bij de beantwoording van de vraag of de rechtbank bevoegd is op grond van artikel 5 sub 3 EEX, is uitgangspunt dat dit artikel een uitzondering vormt het algemene beginsel van artikel 2 EEX dat moet worden geprocedeerd voor de rechter van de woonplaats van de verweerder (zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 27 oktober 1998, als voormeld, overweging 29) en dat deze uitzondering volgens het Hof van Justitie is gerechtvaardigd om redenen van goede rechtsbedeling en procesinrichting en het bestaan van een bijzonder nauw verband met een andere rechter dan de rechter van de woonplaats van de verweerder (zie bijvoorbeeld Hof van Justitie 27 oktober 1998, als voormeld, overweging 27). Aan deze bijzondere bevoegdheidsregels moet volgens het Hof van Justitie een strikte uitlegging worden gegeven. die niet verder gaat dan door de EEX uitdrukkelijk voorziene gevallen (Hof van Justitie, 27 september 1988, Kalfelis/Bank Schröder, NJ 1990, 425, overweging 19). Dit is onder meer in voormeld arrest Marinari/Lloyds Bank verder uitgewerkt in die zin dat niet iedere plaats waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat al elders schade heeft veroorzaakt. ook een bevoegde rechter oplevert.

5.7.

Achmea c.s. stelt als aandeelhouder van Eureko schade te hebben geleden, omdat Eureko niet naar de beurs kon en kan worden gebracht. Volgens Achmea c.s. is dat het feitelijke gevolg van het door Republiek Polen c.s. niet verkopen van 21 % van de aandelen in PZU aan Eureka.

Deze verkoop (had) moet(en) plaatsvinden in Polen en het niet doorgaan daarvan heeft primair schade toegebracht aan Eureko. Over deze schade wordt door Eureko ook al in Brussel geprocedeerd op grond van het Verdrag.

5.8.

Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat Achmea c.s. schade lijdt, die niet door Eureko kan worden geclaimd bij Republiek Polen c.s. is in het licht van voormelde jurisprudentie het feit dat voor Achmea c.s. de gevolgen van dit nalaten van Republiek Polen c.s. zelfstandig voelbaar zijn. onvoldoende voor een beroep op artikel 5 sub 3 EEX als uitzondering op het algemene uitgangspunt dat de Poolse rechter - als rechter van de plaats waar Republiek Polen c.s. zetelt - bevoegd is. Er is sprake van een onvoldoende rechtstreeks verband tussen het nalaten van Republiek Polen c.s. en het feit dat Eureko niet naar de beurs is gebracht. Het nalaten van Republiek Polen c.s. betreft immers het niet verkopen van 21% van de aandelen van PZU aan Eureko. Achmea c.s. hebben vervolgens zelf besloten dat Eureko onder die omstandigheden niet naar de beurs kon worden gebracht. Nu de - mogelijke schade ook een gevolg is van dit besluit van Achmea c.s., is er in zoverre geen sprake van rechtstreekse schadelijke gevolgen zoals aangegeven in voormeld arrest Dumez France/Haleba.

Voorts is van belang dat bij de beoordeling van de vordering van Achmea c.s. zal moeten worden vastgesteld dat Republiek Polen c.s. op basis van de tussen Republiek Polen c.s. en Eureka gesloten overeenkomsten gehouden was en eventueel nog is om 21% van de aandelen in PZU over te dragen aan Eureko. Pas dan kan vervolgens worden beoordeeld of inbreuk op de tussen Republiek Polen c.s. en Eureko geldende overeenkomst(en) tevens een onrechtmatige daad is ten opzichte van Achmea c.s. Het is tussen partijen niet in discussie dat in ieder geval een vordering van Eureko gebaseerd op de aansprakelijkheid van Republiek Polen c.s. ten opzichte van Eureko niet in Nederland in rechte kan worden ingesteld. Daarover wordt door partijen een arbitrage gevolgd op grond van het Verdrag en bij gebreke daarvan is contractueel overeengekomen dat daarover in Polen moet worden geprocedeerd. Op deze overeenkomsten is ook Pools recht van toepassing verklaard door partijen. Ook om die reden is van een (bijzonder) nauw verband tussen de door Achmea c.s. ingestelde vordering en de Nederlandse rechtssfeer geen sprake.

5.9.

Resumerend is de rechtbank van oordeel dat zij op grond van artikel 5 sub 3 EEX onbevoegd is om kennis te nemen van de vordering van Achmea c.s. in de hoofdzaak. De hoofdregel van artikel 2 EEX geldt in dezen, terwijl er geen andere grondslag is voor bevoegdheid van de rechtbank. De incidentele vordering zal daarom worden toegewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering kunnen dragen. '

5.10.

Achmea c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van Republiek Polen c.s. op:

- salaris procureur 1.808.00 (4 punten x tarief EUR 452.00)

Totaal EUR 1.808,00.

6 De beslissing

De rechtbank

in het incident

6.1.

verklaart zich onbevoegd van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen,

6.2.

veroordeelt Achmea c.s. in de kosten, aan de zijde van Republiek Polen c.s. tot op heden begroot op EUR 1.808,00.

6.3.

veroordeelt dat Achmea c.s. tot betaling van wettelijke rente over voormelde proceskosten vanaf 16 juli 2008.

Dit vonnis is gewezen door mrs A.A.T. van Rens. H.M.M. Steenberghe en J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2008.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.