Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 21 juli 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:9720Zaaknummer ROT 25/5497

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21 juli 2026
Publicatiedatum
10 augustus 2026
Zaaknummer
ROT 25/5497
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Varia. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die is opgelegd aan eiseres omdat zij het ventverbod zou hebben overtreden met de straatverkoop van krantenabonnementen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte een last onder dwangsom aan eiseres heeft opgelegd. Voor het aanbieden van krantenabonnementen is geen vergunning vereist omdat dit onder de uitzondering in artikel 5:17 van de Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel 2018 (de APV) valt.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 10 december 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres
  2. Samenvatting
  3. Procesverloop
  4. Beoordeling door de rechtbank
  5. Conclusie en gevolgen
  6. Beslissing
  7. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/5497

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.D. David),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die is opgelegd aan eiseres omdat zij het ventverbod zou hebben overtreden met de straatverkoop van krantenabonnementen. Eiseres is het daar niet mee eens en voert aan dat zij daarvoor geen vergunning nodig heeft. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de last onder dwangsom.

1.1.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte een last onder dwangsom aan eiseres heeft opgelegd. Voor het aanbieden van krantenabonnementen is geen vergunning vereist omdat dit onder de uitzondering in artikel 5:17 van de Algemene plaatselijke verordening Capelle aan den IJssel 2018 (de APV) valt. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft de last onder dwangsom met een besluit van 10 december 2024 opgelegd. In het bestreden besluit van 10 juni 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij het opleggen van de last onder dwangsom gebleven.

2.1.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

2.2.

De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en mr. S. Boots namens eiseres en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding voor en totstandkoming van het bestreden besluit

3. Niet in geschil is dat twee opdrachtnemers van eiseres op 25 oktober 2024 op een openbare plaats krantenabonnementen aanboden aan het winkelend publiek. Volgens het college heeft eiseres daarmee artikel 5:16 van de APV overtreden. Het college heeft op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een last onder dwangsom opgelegd die ertoe strekt dat eiseres niet opnieuw zonder vergunning mag (laten) venten. Bij een nieuwe overtreding verbeurt eiseres een dwangsom van € 1.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 10.000,-.

4. Het college heeft het bezwaar van eiseres, in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie, ongegrond verklaard. De commissie overwoog dat de APV onvoldoende aanknopingspunten biedt om een onderscheid te maken tussen het aanbieden van een abonnement en het venten met fysieke producten. Het college volgt het advies van de commissie niet en stelt zich op het standpunt dat het aanbieden van krantenabonnementen wel onder de definitie van venten valt, maar dat de uitzondering van artikel 5:17 van de APV niet van toepassing is. Het college stelt dat het werven van abonnees voor een betaalde dienst niet het verspreiden van een meningsuiting zelf is.

Toetsingskader

5. Op grond van artikel 5:15 van de APV wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis. Op grond van artikel 5:16, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van het college te venten. Op grond van artikel 5:17 van de APV is het verbod bedoeld in artikel 5:16, eerste lid, van de APV niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet (Gw).

Heeft eiseres een overtreding begaan?

6. Eiseres voert aan dat het college ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd. Zij betoogt dat ook het aanbieden en verkopen van abonnementen op dagbladen valt onder de uitzondering op de vergunningplicht. Eiseres stelt dat het college een onduidelijk onderscheid maakt tussen het verkopen van een losse krant en het verkopen van een abonnement waarbij meerdere kranten op een later moment worden geleverd. Diverse andere gemeenten hebben in hun APV expliciet opgenomen dat het verkopen van abonnementen op kranten of tijdschriften onder de bescherming valt van artikel 7, eerste lid, van de Gw.

6.1.

Het college blijft erbij dat de uitzondering van artikel 5:17 van de APV niet van toepassing is omdat er een verschil zit tussen het verkopen van een losse krant en het verkopen van een abonnement. Op het moment dat een burger een abonnement afsluit wordt er enkel een overeenkomst gesloten. Er is dan geen sprake van het leveren van een krant en dus ook niet van het leveren van een meningsuiting. Dat er later alsnog kranten worden geleverd, is volgens het college daarbij niet van belang. Het verkopen van een losse krant valt wel onder de uitzondering, maar het aanbieden van een abonnement niet.

6.2.

De rechtbank overweegt het volgende. Vast staat dat de (digitale) krant die eiseres aanbiedt een meningsuiting is in de zin van artikel 7 van de Gw. Eiseres heeft ter zitting gesteld dat een afnemer van het abonnement de papieren krant van die dag meteen mee kon nemen en ook direct toegang kreeg tot de digitale omgeving waar de afnemer de krant van die dag kan lezen. Het college heeft dat niet betwist. Alleen al om deze reden gaat de verkoop van een abonnement in dit geval ook direct met een meningsuiting gepaard. Maar ook als niet direct bij het afsluiten van het abonnement van een meningsuiting kennis kon worden genomen, is de rechtbank van oordeel dat het venten met een krantenabonnement onder de uitzondering van artikel 5:17 van de APV valt. Er wordt namelijk een dienst aangeboden die uit niets anders bestaat dan het tegen betaling leveren van een meningsuiting voor een bepaalde periode. Als voor het aanbieden van die dienst een vergunning vereist zou zijn, zou dat een belemmering zijn op het verspreiden van een meningsuiting. Dat beoogt artikel 5:17 van de APV nu juist te voorkomen. Dat het afsluiten van het abonnement niet de meningsuiting zelf is, is op zichzelf juist maar dat geldt ook bij de verkoop van een fysieke krant op straat. Ook dan is het venten primair gericht op het afsluiten van een verkoopovereenkomst, maar is die overeenkomst zelf niet de meningsuiting. Dit door het college gemaakte onderscheid is dus onvoldoende voor de door het college gegeven uitleg aan artikel 5:17 van de APV.

6.3.

Gelet op het voorgaande heeft eiseres geen overtreding begaan omdat zij geen vergunning nodig had voor het venten. Het college was daarom niet bevoegd om handhavend op te treden en heeft ten onrechte een last onder dwangsom opgelegd.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 5:32 van de Awb in samenhang met artikel 5:17 van de APV. De rechtbank zal het besluit van 10 december 2024 herroepen.

8. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 10 december 2024 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2026.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.