Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 16 juli 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:9531Zaaknummer C/10/716563 / JE RK 26-498

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 augustus 2026
Zaaknummer
C/10/716563 / JE RK 26-498
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Afwijzing van het verzoek tot ondertoezichtstelling omdat de noodzakelijke hulpverlening wordt geaccepteerd door de gezaghebbende ouder. Contactherstel tussen de minderjarigen en de vader is voorlopig niet in hun belang.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verdere verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het (aangehouden) verzoek
  4. 4 Het standpunt van de moeder
  5. 5 Het standpunt van de vader
  6. 6 De beoordeling
  7. 7 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/716563 / JE RK 26-498

Datum uitspraak: 16 juli 2026

Beschikking van de kinderrechter

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1],

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R.V. Paniagua, kantoorhoudende in Rotterdam,

[naam vader],

hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L.A. Alderlieste, kantoorhoudende in Rotterdam.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- de beschikking van 15 mei 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.

1.2.

Op 7 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder met haar advocaat;

- de vader met zijn advocaat;

- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A].

1.3.

De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] heeft hierover voorafgaand de zitting van 15 april 2026 een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Omdat dit gesprek nog kort geleden heeft plaatsgevonden, is besloten [voornaam minderjarige 1] niet opnieuw op te roepen voor een kindgesprek. [voornaam minderjarige 2] is vanwege zijn leeftijd ten tijde van het verzoek, toen nog 7 jaar, niet opgeroepen voor een kindgesprek.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2].

2.2.

[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

2.3.

Bij beschikking van 15 mei 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 17 juli 2026.

3 Het (aangehouden) verzoek

3.1.

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

Bij beschikking van 15 april 2026 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van een maand. Bij beschikking van 15 mei 2026 is de ondertoezichtstelling vervolgens verlengd voor twee maanden. Nu resteert een beslissing voor de duur van negen maanden, te weten tot 17 april 2027.

3.3.

De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. Er is sprake van veel wantrouwen tussen de ouders en onvoldoende ruimte voor een nieuwe start. Om in het belang van de kinderen te kunnen samenwerken, is een basis van vertrouwen noodzakelijk. Deze ontbreekt op dit moment. De uitvoering van de ondertoezichtstelling verloopt hierdoor moeizaam. Er is sprake van een dilemma. Enerzijds kan worden overwogen om de ondertoezichtstelling te beëindigen en de ouders de ruimte te geven om op een andere manier verder te gaan. Anderzijds bestaat het risico dat er niets gebeurt wanneer de ondertoezichtstelling wegvalt. Op dit moment is eerst therapie nodig om de negatieve ervaringen van de kinderen te verwerken. Daarna moet worden gekeken naar de mogelijkheid van contactherstel. Het uitoefenen van te veel druk op de kinderen om het contact te herstellen werkt vaak averechts. Het blijft zoeken naar een balans tussen het blijven stimuleren van contactherstel en het geven van ruimte aan de kinderen, met de mogelijkheid dat zij op een later moment alsnog openstaan voor contact met de vader.

4 Het standpunt van de moeder

4.1.

Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd. De ondertoezichtstelling komt niet van de grond. De GI wijst daarbij ten onrechte naar de ouders, terwijl blijkt dat de GI onvoldoende ruimte en capaciteit heeft om uitvoering te geven aan de ondertoezichtstelling. Al twee zittingen achtereen is sprake geweest van een korte verlenging van de ondertoezichtstelling, omdat geen jeugdbeschermer aanwezig was om het verzoek ter zitting toe te lichten. Ook vandaag is een zittingsvertegenwoordiger verschenen die zich baseert op informatie van maanden geleden. De noodzaak van de ondertoezichtstelling wordt onvoldoende gemotiveerd. De ondertoezichtstelling levert de moeder en de kinderen onrust op. Bovendien heeft de moeder zelfstandig therapie geregeld voor de kinderen en haarzelf. Daarmee heeft de moeder laten zien dat zij in staat is noodzakelijke hulpverlening te organiseren en in te zetten. Er bestaat daarom voldoende vertrouwen dat deze hulpverlening ook zonder ondertoezichtstelling zal worden voortgezet. Daarnaast loopt nog een familiezaak. Het ligt voor de hand om in dat kader afspraken te maken over een informatieregeling, zodat de vader geïnformeerd blijft over de hulpverlening aan de kinderen. Vervolgens kan gedurende de hulpverlening worden bezien of en wanneer ruimte bestaat voor contactherstel.

5 Het standpunt van de vader

5.1.

Door en namens de vader wordt ingestemd met een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van zes maanden en wordt verzocht het overige verzochte aan te houden om de vinger aan de pols te houden. Het is wel dubbel, omdat in een jaar en vier maanden niets is gebeurd. De vader heeft gedurende deze tijd de kinderen niet meer gezien. Tegelijkertijd bestaat het risico dat de moeder zich na het wegvallen van de ondertoezichtstelling niet meer aan de afspraken zal houden. In de bodemzaak heeft de rechtbank bepaald dat er nu geen omgang is, maar dat binnen de ondertoezichtstelling moet worden gewerkt aan contactherstel. De moeder geeft aan hulpverlening te hebben geregeld, maar hiervan zijn geen stukken overgelegd.

6 De beoordeling

Ernstige ontwikkelingsbedreiging

6.1.

De kinderrechter overweegt het volgende. Er is nog steeds sprake van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2]. De kinderen zijn belast met de gevolgen van traumatische ervaringen en stress vanuit het verleden, mede als gevolg van de spanningen tussen de ouders. Er is al bijna anderhalf jaar geen contact tussen de kinderen en de vader. De kinderen staan hier ook niet voor open en geven – net als moeder – aan dat zij bang zijn voor de vader. Contactverlies met de vader kan een risico vormen voor hun verdere ontwikkeling.

6.2.

Uit de overgelegde stukken en hetgeen op de zitting is besproken, volgt dat het de komende periode nog niet in het belang van de kinderen is om contactherstel met de vader te realiseren. Voordat aan contactherstel gewerkt kan worden is het allereerst van belang dat de kinderen zelf verder zijn in de verwerking van hun trauma’s en dat hun stress vermindert. Daarvoor moeten zij de tijd en ruimte krijgen die zij nodig hebben. Ten tweede is het van belang dat beide ouders werken aan hun onderliggende spanningen en communicatie.[_bf6cb831-959f-44c2-888b-39ed4f05d875]

De noodzakelijke zorg wordt voldoende geaccepteerd door de gezaghebbende ouder

6.3.

De noodzakelijk geachte hulpverlening voor de kinderen is inmiddels ingezet door de moeder zelf. De moeder laat verder zien aan zichzelf te werken, doordat zij in therapie is gegaan voor traumaverwerking. Verwerking van de eigen trauma’s kan ervoor gaan zorgen dat de moeder beter gaat communiceren met de vader en meer vertrouwen kan geven aan de kinderen voor contactherstel met hun vader. Zij kan daarmee een positieve invloed op hen hebben.

6.4.

De belangrijkste stap die op dit moment gezet moet worden om te komen tot contactherstel, moet van de vader komen. Hij moet zelf hulp gaan accepteren en de kinderen rust en ruimte geven, zodat er een opening kan gaan ontstaan bij de kinderen om weer in contact te willen komen. De vader heeft ter zitting aangegeven geen noodzaak te zien om zelf hulpverlening te accepteren, ondanks het advies hiertoe van de GI. Omdat de vader geen gezag heeft, heeft de GI geen juridische mogelijkheden om de vader te bewegen tot verandering (bijvoorbeeld door middel van een schriftelijke aanwijzing).

6.5.

Gelet op het voorgaande is aan het vereiste van artikel 1:255, eerste lid, onder a, Burgerlijk Wetboek, dat alleen ziet op de gezaghebbende ouder, niet langer voldaan.Conclusie

6.6.

Gelet op het voorgaande is aan de voorwaarden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling niet voldaan. Dit betekent dat het verzoek wordt afgewezen.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.