Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Rotterdam, 22 januari 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:8116Zaaknummer 11705575 CV EXPL 25-2091

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
11705575 CV EXPL 25-2091
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Dordrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Zakelijke leaseovereenkomst. Auto in bezit gekregen, maar geen enkele leasetermijn betaald. Gevorderde verklaring voor recht dat de overeenkomst mocht worden ontbonden wordt toegewezen. Ook moeten de achterstallige en toekomstige leasetermijnen woden betaald, minus de verkoopopbrengst van de auto.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen de partijen over de auto met het kenteken [kentekennummer] is ontbonden;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen € 36.309,42, te vermeerderen met de contractuele rente van 18% per jaar over € 28.618,29 vanaf 12 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hiltermann worden vastgesteld op € 3.349,16;

3.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.

67379 / 60669

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Dordrecht

zaaknummer: 11705575 CV EXPL 25-2091

datum uitspraak: 22 januari 2026 (bij vervroeging)

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Hiltermann Lease B.V.,

vestigingsplaats: Hoofddorp,

eiseres,

gemachtigde: Janssen & Janssen c.s. Gerechtsdeurwaarders B.V.,

tegen

[gedaagde],

h.o.d.n. [handelsnaam],

woonplaats: [woonplaats],

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘Hiltermann’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 12 mei 2025, met bijlagen;
  • het antwoord;
  • de akte van Hiltermann, met bijlagen.
1.2.

Op 8 januari 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren (via een digitale verbinding) aanwezig: de heer [persoon A] namens Hiltermann en mr. J. Jansen namens de gemachtigde. [gedaagde] was niet aanwezig, ondanks een correcte oproeping.

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] heeft op 11 oktober 2024 een zakelijke leaseovereenkomst met Hiltermann (hierna: de overeenkomst) gesloten ter financiering van een Volkswagen Golf met kenteken [kentekennummer] (hierna: de auto). [gedaagde] heeft de auto in bezit gekregen, maar heeft geen enkele maandelijkse leasetermijn betaald. Om die reden heeft Hiltermann de overeenkomst op 29 april 2025 ontbonden. De auto is, na een procedure in kort geding tussen partijen, door Hiltermann ingenomen op 17 november 2024. Op 10 december 2024 is de auto verkocht. Hiltermann eist in deze procedure een verklaring voor recht dat de overeenkomst is ontbonden.

Verder eist Hiltermann, na vermindering van eis, betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 28.618,29 aan achterstallige leasetermijnen. Ook eist Hiltermann, na vermindering van eis, betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 7.204,03 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast eist Hiltermann betaling door [gedaagde] van een bedrag van € 487,10 aan rente tot 12 mei 2025 en rente vanaf 12 mei 2025, omdat [gedaagde] niet op tijd heeft betaald.

2.2.

[gedaagde] heeft het bestaan van de overeenkomst en de hoogte van de vordering niet betwist. In reactie op de dagvaarding heeft [gedaagde] aangevoerd dat ontbinding van de overeenkomst een te vergaande maatregel is. De financiële situatie van [gedaagde] is verbeterd waardoor hij de betalingsachterstand kan inhalen en toekomstige termijnen kan betalen, aldus [gedaagde].

2.3.

De kantonrechter wijst alle eisen van Hiltermann toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.

Hiltermann heeft de overeenkomst mogen ontbinden

2.4.

Op 29 april 2025 heeft Hiltermann de overeenkomst ontbonden vanwege de betalingsachterstand van [gedaagde]. Hiltermann had dat recht op basis van de algemene voorwaarden (artikel 43) en de wet (artikel 6:265 BW). Op 30 juli 2025 heeft [gedaagde] verweer gevoerd en gesteld dat ontbinding van de overeenkomst een te vergaande maatregel is. [gedaagde] heeft aangevoerd dat hij in staat en bereid is om zijn betalingsverplichting alsnog na te komen. Toch heeft [gedaagde] na 30 juli 2025 niets betaald en is hij op 8 januari 2026 ook niet naar de zitting gekomen om zijn standpunt nader toe te lichten. [gedaagde] heeft dan ook onvoldoende gesteld en daarom slaagt zijn verweer niet. Hiltermann mocht de overeenkomst ontbinden. De door Hiltermann geëiste verklaring voor recht wordt toegewezen.

[gedaagde] moet € 28.618,29 betalen

2.5.

Ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding bedroeg de openstaande hoofdsom ten aanzien van achterstallige en toekomstige leasetermijnen € 72.040,29. Hiltermann heeft de verkoopopbrengst van € 43.422,00 afgetrokken van de hoofdsom en haar eis verminderd tot € 28.618,29.

2.6.

Hiltermann heeft voldoende gesteld voor haar vordering. Omdat [gedaagde] de verschuldigdheid en de hoogte van de hoofdsom niet heeft betwist, wordt de door Hiltermann gevorderde hoofdsom van € 28.618,29 wordt toegewezen.

[gedaagde] moet incassokosten van € 7.204,03 betalen

2.7.

In artikel 53 van de algemene voorwaarden is bepaald dat Hiltermann aanspraak kan maken op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van 10% van het openstaande bedrag aan achterstallige en toekomstige leasetermijnen. [gedaagde] heeft dit punt niet betwist.

2.8.

Hoewel Hiltermann haar eis heeft verminderd, worden de buitengerechtelijke incassokosten over de oorspronkelijke hoofdsom van € 72.040,29 toegewezen.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn namelijk de kosten die al zijn gemaakt voor het incasseren van de oorspronkelijke hoofdsom en worden daarom niet geraakt door de vermindering van de hoofdsom. Het door Hiltermann gevorderde bedrag van € 7.204,03 zal worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).

[gedaagde] moet rente betalen

2.9.

In artikel 15 van de algemene voorwaarden is bepaald dat Hiltermann bij te late betaling aanspraak kan maken op rente. Hiltermann heeft genoeg gesteld waaruit volgt dat deze rente moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. De door Hiltermann geëiste contractuele rente van 18% per jaar wordt dan ook toegewezen. Berekend tot 12 mei 2025 bedraagt het toegewezen bedrag aan rente € 487,10.

2.10.

In totaal moet [gedaagde] dus € 28.618,29 + € 7.204,03 + € 487,10 = € 36.309,42 betalen aan Hiltermann.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.11.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Hiltermann moet betalen op € 123,16 aan dagvaardingskosten, € 1.461,00 aan griffierecht, € 1.630,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 815,00) en € 135,00 aan nakosten. Dat is in totaal € 3.349,16. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.12.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Hiltermann dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

verklaart voor recht dat de overeenkomst tussen de partijen over de auto met het kenteken [kentekennummer] is ontbonden;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen € 36.309,42, te vermeerderen met de contractuele rente van 18% per jaar over € 28.618,29 vanaf 12 mei 2025 tot de dag dat volledig is betaald;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Hiltermann worden vastgesteld op € 3.349,16;

3.4.

verklaart dit vonnis ten aanzien van de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. uitvoerbaar bij voorraad en wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.

67379 / 60669

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.