Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 21 mei 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:8115Zaaknummer 11700698 CV EXPL 25-2055
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 mei 2026
- Publicatiedatum
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- 11700698 CV EXPL 25-2055
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Eindvonnis. Aanneming van werk. Aannemer heeft een kapschuur geplaatst. Eiser heeft last van lekkage en aannemer heeft dit niet opgelost. Een derde partij heeft hersteld. Er is sprake van een toerekenbare tekortkoming en de aannemer moet een schadevergoeding aan eiser betalen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
In conventie
veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen € 4.637,09 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.101,90 vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 1.083,02;
In reconventie
wijst de vorderingen van [bedrijf B] af;
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 135,00;
In conventie en in reconventie
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11700698 CV EXPL 25-2055
datum uitspraak: 21 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats],
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
gemachtigde: mr. S.S.R. Greven,
tegen
[bedrijf B],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
gemachtigde: mr. P.H. Huth.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf B] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 1 mei 2025, met bijlagen;
- het antwoord met eis in reconventie (tegeneis), met bijlagen;
- de brief van [persoon A] van 8 oktober 2025, met bijlage;
- de brief van [bedrijf B] van 4 maart 2026, met bijlage.
Op 26 maart 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A], met zijn echtgenote [persoon C] en zijn gemachtigde, [persoon D] en [persoon E] namens [bedrijf B] en haar gemachtigde.
2 De beoordeling
Wat is de kern?
[bedrijf B] heeft een kapschuur geplaatst bij [persoon A]. Na het plaatsen kreeg [persoon A] te maken met lekkage in de kapschuur. [bedrijf B] heeft de lekkage geprobeerd te herstellen, maar dat is niet gelukt. Nadat [bedrijf B] nog een laatste keer in de gelegenheid was gesteld om te herstellen, heeft [persoon A] een andere partij ingeschakeld, [bedrijf F]. (hierna ‘ [bedrijf F] ’). [bedrijf F] heeft de lekkage verholpen. [persoon A] eist in deze procedure € 4.101,90 van [bedrijf B] aan schadevergoeding voor het werk dat door [bedrijf F] is uitgevoerd, met rente en kosten.
[bedrijf B] voert als verweer aan dat zij niet verplicht is de (volledige) schade van [persoon A] te vergoeden, omdat de fundering onder de kapschuur de oorzaak is van de lekkage en zij die fundering niet heeft gemaakt. [bedrijf B] eist daarom van [persoon A] € 999,00 voor door haar uitgevoerde (herstel)werkzaamheden, met rente.
De kantonrechter wijst de eis van [persoon A] toe. De eis van [bedrijf B] wordt afgewezen. Deze beslissingen worden hierna uitgelegd.
[bedrijf B] moet € 4.101,90 schadevergoeding betalen
De lekkage in de kapschuur is een tekortkoming, want in de kapschuur hoefde [persoon A] geen lekkage te verwachten. Om bij een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis schadevergoeding te kunnen vorderen moet de schuldenaar schriftelijk in gebreke worden gesteld waarbij een redelijke mogelijkheid wordt geboden voor nakoming en nakoming binnen deze termijn uitblijft (artikelen 6:74 jo. 6:82 lid 1 BW), tenzij nakoming blijvend onmogelijk is.
[persoon A] heeft [bedrijf B] op 17 mei 2023 in gebreke gesteld, waarbij [bedrijf B] de redelijke mogelijkheid is geboden om binnen 15 dagen de lekkage te herstellen. [bedrijf B] heeft de lekkage niet verholpen. [bedrijf B] verkeerde daarom in verzuim. Omdat [bedrijf B] in verzuim was heeft [persoon A] recht op schadevergoeding in plaats van nakoming. In zijn brief van 21 november 2023 en in de dagvaarding heeft [persoon A] aan [bedrijf B] medegedeeld dat hij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. [persoon A] heeft de lekkage laten herstellen voor € 4.101,90. [bedrijf B] moet € 4.101,90 aan schadevergoeding aan [persoon A] betalen, tenzij haar verweer slaagt.
Tekortkoming wel toerekenbaar
[bedrijf B] voert als verweer aan dat de tekortkoming niet aan haar kan worden toegerekend omdat de fundering door een derde partij is gestort en de lekkage daardoor werd veroorzaakt.
[bedrijf F] heeft de lekkage opgelost. [bedrijf F] heeft schriftelijk verklaard dat tijdens het herstel bleek dat het water ook aan de binnenkant van het dak naar binnen liep en dat er onder andere aanpassingen aan de dakconstructie van de kapschuur zijn uitgevoerd. [bedrijf B] betwist niet dat de lekkage is opgelost door [bedrijf F]. Verder blijkt nergens uit dat de oorzaak van de lekkage was gelegen in de fundering. De tekortkoming moet daarom aan [bedrijf B] worden toegerekend.
[bedrijf B] heeft nog aangevoerd dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om het dak van de kapschuur te herstellen op het moment dat bleek dat daar de oorzaak van de lekkage zat. [bedrijf B] verkeerde al in verzuim voordat [bedrijf F] de herstelwerkzaamheden heeft uitgevoerd, zodat [persoon A] [bedrijf B] niet nog een keer de gelegenheid hoefde te geven om tot herstel over te gaan.
[persoon A] hoeft geen € 999,00 te betalen
[bedrijf B] heeft niet betwist dat aan de afspraak van het uitvoeren van (herstel)werkzaamheden voor € 999,00 door [persoon A] de voorwaarde was verbonden dat de lekkage daarmee verholpen zou zijn. Vaststaat dat de lekkage niet is verholpen door [bedrijf B]. Er is daarmee geen betalingsverplichting voor [persoon A] ontstaan.
[persoon A] hoeft de factuur van [bedrijf B] van € 999,00 niet te betalen en de tegeneis van [bedrijf B] wordt daarom afgewezen. Bij een afzonderlijke verklaring voor recht heeft [persoon A] dus geen belang.
[bedrijf B] moet incassokosten van € 535,19 betalen
De incassokosten van € 535,19 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[bedrijf B] moet rente betalen
[persoon A] vordert wettelijke rente vanaf 14 dagen vanaf het vonnis. Dat is toewijsbaar. De vordering onder ‘iv.’ vermeld geen andere ingangsdatum zodat deze vordering verder onbesproken kan blijven.
[bedrijf B] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [bedrijf B], omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [bedrijf B] aan [persoon A] moet betalen op:
In conventie:
- € 149,02 aan dagvaardingskosten;
- € 257,00 aan griffierecht;
- € 542,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,00); en
- € 135,00 aan nakosten.
In reconventie:
- € 135,00 € 135,00 aan salaris voor de gemachtigde (1 punt x € 135,00).
Dat is in totaal € 1.083,02 in conventie en in totaal € 135,00 in reconventie. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (zowel in conventie als in reconventie), omdat [persoon A] dat eist en [bedrijf B] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
In conventie
veroordeelt [bedrijf B] om aan [persoon A] te betalen € 4.637,09 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 4.101,90 vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 1.083,02;
In reconventie
wijst de vorderingen van [bedrijf B] af;
veroordeelt [bedrijf B] in de proceskosten, die aan de kant van [persoon A] worden vastgesteld op € 135,00;
In conventie en in reconventie
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. D. Greve en in het openbaar uitgesproken.
67379
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.