Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 15 april 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:7866Zaaknummer C/10/705750 / HA ZA 25-718

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
C/10/705750 / HA ZA 25-718
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Vraag of gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door naar stelling van eisers niet handhavend te hebben opgetreden.

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser en eiseres] af,

5.2.

veroordeelt [eiser en eiseres] in de proceskosten, aan de kant van de gemeente vastgesteld op € 14.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser en eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.M. Fruytier, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

2111/3194

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/705750 / HA ZA 25-718

Vonnis van 15 april 2026

in de zaak van

1. [eiser],

2. [eiseres],

beiden wonend in [woonplaats],

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eiser en eiseres],

advocaat: mr. M.F.J. Martens,

tegen

GEMEENTE PIJNACKER-NOOTDORP,

zetelend in Pijnacker-Nootdorp,

gedaagde partij,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. E.C. Smith.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 13 augustus 2025, met producties;- de conclusie van antwoord, met producties;- de aanvullende productie tevens houdende akte wijziging van eis;

- de spreekaantekeningen van de gemeente voor de mondelinge behandeling, gehouden op 12 februari 2026.

1.2.

Na de mondelinge behandeling is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser en eiseres] waren tot voor kort eigenaren en bewoners van een perceel met een woning met aanhorigheden, waaronder een wagenschuur, aan het adres [adres 1] in Pijnacker.

2.2.

Op het aangrenzende perceel staat een woning met adres [adres 2]. Dit perceel is eigendom van een zoon van [eiser en eiseres], de heer [persoon A].

2.3.

Op dit laatste perceel is gevestigd [naam bedrijf] (hierna: het dierenpension), dat wordt gedreven door [persoon A], samen met zijn echtgenote en zijn dochter.

2.4.

Op het perceel aan de [adres 2] rust op grond van het toepasselijke bestemmingsplan de bestemming 'Wonen'. Daaronder valt niet het houden van een dierenpension en hondenschool.

2.5.

In 2017 hebben de gemeente en [persoon A] verschillende pogingen gedaan om samen een alternatieve locatie te zoeken voor het dierenpension.

2.6.

In 2018 heeft de gemeente onderzocht of het mogelijk was het dierenpension te legaliseren. Dat bleek niet het geval te zijn.

2.7.

In 2019 is het bestemmingsplan 'Tuindershof 2019' vastgesteld ten behoeve van een nieuwe woonwijk in de directe omgeving van de [adres 2].

2.8.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente (hierna: het college) heeft op 19 februari 2019 een voornemen tot handhavend optreden verstuurd aan het dierenpension om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het dierenpension te staken.

2.9.

Tegen dat voornemen is namens het dierenpension een zienswijze ingediend, waarbij is verzocht om bij handhavend optreden een begunstigingstermijn van twee jaar toe te passen.

2.10.

Bij besluit van 2 augustus 2019 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd om de overtreding voor 31 december 2020 te beëindigen.

2.11.

Op 31 december 2020 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 31 december 2021 naar aanleiding van een verzoek tot uitstel van het dierenpension, omdat een nieuwe locatie voor het dierenpension was gevonden nabij de Oude Polder in Pijnacker.

2.12.

Op 17 juni 2021 heeft het college naar aanleiding van een verzoek daartoe van het dierenpension de begunstigingstermijn nogmaals verlengd, nu tot en met 1 juli 2023.

2.13.

Op 26 juni 2023 heeft het college de begunstigingstermijn voor een derde keer verlengd, tot en met 1 juli 2024. De begunstigingstermijn is daarna niet meer verlengd.

2.14.

Op 2 juli 2024 hebben de gemeente en het dierenpension/ [persoon A] een intentieovereenkomst gesloten om zich over en weer in te spannen om het dierenpension naar een andere locatie te verplaatsen. Ook is overeengekomen dat de handhavingsmaatregen feitelijk worden opgeschort.

2.15.

Voor de nieuwe locatie van het dierenpension is door de gemeente een bestemmingsplan in ontwerp ter inzage gelegd en ten behoeve daarvan zijn ook verschillende andere voorbereidingshandelingen getroffen.

2.16.

Op 9 september 2024 is het maximumbedrag aan dwangsommen op grond van het lastbesluit van 2 augustus 2019 verbeurd. Het college heeft geen invorderingsbeschikking genomen. De bevoegdheid van het college tot het innen van de verbeurde dwangsommen is inmiddels komen te vervallen.

2.17.

Bij overeenkomst van 13 oktober 2025 hebben [eiser en eiseres] de woning verkocht voor € 580.000,00. De wagenschuur staat nog steeds te koop.

3 Het geschil

3.1.

[eiser en eiseres] vorderen – samengevat, na eiswijziging bij akte en eisvermindering ter zitting – de gemeente bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 415.000,00 en van de proceskosten.

3.2.

De gemeente concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser en eiseres] in hun vorderingen, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [eiser en eiseres] in de kosten van deze procedure.

4 De beoordeling

eiswijziging

4.1.

De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling beslist dat zij recht zal doen op de gewijzigde vordering, omschreven in 3.1.

schadevergoeding

4.2.

[eiser en eiseres] gronden hun vordering tot schadevergoeding op onrechtmatige daad (artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek). Daartoe stellen zij dat de gemeente niet bestuursrechtelijk handhavend tegen het dierenpension is opgetreden, althans dit optreden niet heeft doorgezet, ondanks dat dit dierenpension in strijd met het bestemmingsplan aan de [adres 2] is gevestigd. Van de opgelegde last onder dwangsom is steeds de begunstigingstermijn verlengd en ten slotte is de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen verjaard. Als gevolg van dat handelen en nalaten lijden [eiser en eiseres] schade. Hun woning heeft geruime tijd te koop gestaan. Er waren veel geïnteresseerden, maar zodra die merkten dat er een dierenpension en hondenschool naast de woning is gelegen haakten zij af, zo is ook door de behandelend makelaar aangegeven. Uiteindelijk is de woning verkocht voor € 580.000,00, terwijl de makelaar de reële marktwaarde heeft bepaald op € 995.000,00. Het verschil tussen deze bedragen, € 415.000,00, is de schade die van [eiser en eiseres] hebben geleden door het onrechtmatig handelen van de gemeente.

4.3.

Het verst strekkende verweer van de gemeente is dat de rechtbank niet bevoegd is van deze vordering kennis te nemen. De gemeente voert daartoe aan dat het hier in wezen een publiekrechtelijk geschil betreft. De burgerlijke rechter dient zich te onthouden van een oordeel over de rechtmatigheid van een vordering als de daaraan ten grondslag gelegde handelingen deel uitmaken van bestuursrechtelijke besluitvorming waartegen een met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat of heeft opengestaan. Datzelfde geldt voor handelen (of nalaten) van bestuursorganen van de gemeente die samenhangen met de totstandkoming van die besluiten en die in die rechtsgang (hadden) kunnen worden getoetst. De vordering stuit daarom af op de formele rechtskracht van de door het college genomen besluiten, aldus de gemeente.

4.4.

De rechtbank acht zich bevoegd om van de vordering tot schadevergoeding kennis te nemen. Op grond van artikel 8:89 lid 2 van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter in een geval als het onderhavige bevoegd te oordelen over een verzoek om schadevergoeding indien de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000,00 bedraagt, met inbegrip van de tot aan de dag van het verzoek verschenen rente, en onverminderd het recht van de belanghebbende om op grond van andere wettelijke bepalingen schadevergoeding te vragen. De door [eiser en eiseres] gevorderde schadevergoeding bedraagt meer dan € 25.000,00. Er staat voor [eiser en eiseres] dus geen bestuursrechtelijke rechtsgang open om betaling van dit bedrag af te dwingen en die rechtsgang heeft voor hen ook niet opengestaan.

4.5.

Met betrekking tot het gestelde onrechtmatig handelen heeft de gemeente het volgende aangevoerd. In het bestuursrecht geldt de beginselplicht tot invordering. Dit beginsel houdt in dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geeffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. In bijzondere omstandigheden kan echter geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. In dit geval is sprake van zulke bijzondere omstandigheden: er is concreet zicht op legalisatie van het dierenpension, er zijn contractuele afspraken tussen de gemeente en het dierenpension en invordering van de dwangsommen is in dit concrete geval dusdanig onevenredig dat daarvan mocht worden afgezien.

Rechtmatig handelen van een bestuursorgaan kan in uitzonderingsgevallen onrechtmatig zijn jegens een derde. Daartoe heeft [eiser en eiseres] enkel aangevoerd dat de waarde van hun woning is gedaald door de aanwezigheid van het dierenpension. Zij hebben deze stelling echter onvoldoende concreet onderbouwd. [eiser en eiseres] heeft in het verleden geen bezwaar gemaakt tegen de aanwezigheid van het dierenpension en bovendien is er zicht op verhuizing van het dierenpension.

4.6.

De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze vordering voorop dat gesteld noch gebleken is dat [eiser en eiseres] ooit bestuursrechtelijke procedures hebben gevoerd tegen het college om bestuursrechtelijke handhaving of invordering van de dwangsommen jegens het dierenpension af te dwingen.

4.7.

Anders dan [eiser en eiseres] stellen, is het niet zo dat de gemeente eenvoudigweg niet jegens het dierenpension is opgetreden. De gemeente is juist al geruime tijd – sinds 2017 – met [persoon A] bezig om een alternatieve locatie te vinden voor het dierenpension. Inmiddels is er concreet zicht op legalisatie van het dierenpension op een andere locatie.

4.8.

Daar komt bij dat de gemeente heeft gesteld dat er in de achttien jaar dat het dierenpension inmiddels wordt geëxploiteerd aan de [adres 2] bij de gemeente nooit geluidhindermeldingen zijn gedaan, ook niet door [eiser en eiseres] zelf. Pas toen [eiser en eiseres] en hun (andere) kinderen problemen ondervonden bij het verkopen van de woning, hebben zij op verschillende manieren contact gezocht met de gemeente over de aanwezigheid van het dierenpension. Ter zitting is gesteld dat er wel degelijk een melding of meldingen zijn gedaan door derden, maar die stelling is onvoldoende nader onderbouwd.

4.9.

Daar komt verder bij dat de gemeente, volgens haar eigen stellingen, waarde hecht aan het belang van een dierenpension en hondenschool binnen de gemeentegrenzen, omdat dit het enige dierenpension in de gemeente is. De rechtbank acht het niet onrechtmatig dat de gemeente dit belang bij haar afwegingen heeft betrokken.

4.10.

De rechtbank acht niet onaannemelijk de stelling van de gemeente dat met het innen van de dwangsommen alleen zou zijn bewerkstelligd dat het dierenpension financieel nadeel had geleden, zonder dat dit de situatie voor [eiser en eiseres] had veranderd. Nu de beoogde nieuwe locatie van het dierenpension nog niet klaar is voor ingebruikneming, kan het dierenpension nergens anders heen. Het dierenpension heeft de gemeente voorgehouden dat het de bedrijfsactiviteiten ook niet tijdelijk kan staken, omdat dat te grote financiële gevolgen zou hebben voor het voortbestaan van het bedrijf. De exploitatie zal daarom, ondanks de dwangsommen, voortgezet worden. Ook de belangen van het dierenpension heeft de gemeente bij haar afwegingen kunnen betrekken.

4.11.

Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, is het te rechtvaardigen dat (het college van) de gemeente heeft afgezien van (verder) handhavend optreden, bijvoorbeeld in de vorm van invordering van de onder de last van 2 augustus 2019 verbeurde dwangsommen. De gemeente heeft dus niet onrechtmatig gehandeld jegens [eiser en eiseres]. De vordering tot schadevergoeding wordt dus bij gebreke van een deugdelijke grondslag afgewezen. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van (de hoogte van) de gestelde schade.

proceskosten

4.12.

[eiser en eiseres] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van gemeente worden begroot op:

- griffierecht€6.861,00
- salaris advocaat€7.446,00(2 punten* × € 3.723,00)
- nakosten€189,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal€14.496,00

* conclusie van antwoord (1), mondelinge behandeling (1)

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser en eiseres] af,

5.2.

veroordeelt [eiser en eiseres] in de proceskosten, aan de kant van de gemeente vastgesteld op € 14.496,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser en eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M.M. Fruytier, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.

2111/3194

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.