Uitspraak · Bestuursrecht

Rechtbank Rotterdam, 4 juni 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:7466Zaaknummer ROT 26/3141

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
ROT 26/3141
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Pw, vovo, vrijstelling, oproep voor gesprek, spoedeisend belang. Verzoeker is vrijstelling verleend van de arbeidsverplichtingen en de tegenprestatie. Verzoeker is uitgenodigd voor een voortgangs- en evaluatiegesprek en verzoekt nu om schorsing van de re-integratieverplichtingen, zoals het verschijnen op dit gesprek. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af wegens het ontbreken van (spoedeisend) belang. Verzoeker is alsnog op het gesprek verschenen. Daarbij is schorsing van een oproep om op gesprek te verschijnen niet mogelijk, want geen besluit in de zin van de Awb.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/3141

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker

(gemachtigde: mr. O.C. Bozbiyik),

en

het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee

(gemachtigde: R. Achahbar).

Inleiding

1. Verzoeker heeft het college op 3 december 2025 verzocht om hem vrijstelling te verlenen van de verplichtingen van artikel 9 van de Participatiewet (Pw).

2. Met het besluit van 6 januari 2026[_92583bbd-3b4e-45bb-b2b7-7b5db74eb63f] heeft het college verzoeker een plan van aanpak toegestuurd en hem ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen en tegenprestatie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Pw voor de duur van zes maanden, tot 30 juni 2026. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 20 januari 2026 bezwaar gemaakt.

3. Met de brief van 7 april 2026 heeft het college verzoeker opgeroepen voor een gesprek op 15 april 2026 om 11.00 uur, over de voortgang van zijn re-integratie.

4. Op 13 april 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in verband met de brief van 7 april 2026. De voorzieningenrechter vat het verzoek ambtshalve op als mede gericht tegen het besluit van 6 januari 2026.

5. Het college heeft met het verweerschrift van 22 april 2026 op het verzoek gereageerd.

6. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

7. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.

8. Het spoedeisend belang is er volgens verzoeker in gelegen dat hem een maatregel zal worden opgelegd, indien hij geen gevolg geeft aan de verplichtingen die voortvloeien uit het plan van aanpak en niet op het gesprek van 15 april 2026 verschijnt. Verzoeker meent echter dat hij gezien zijn klachten en beperkingen niet in staat is om gevolg te geven aan de oproep van 7 april 2026. Verzoeker heeft aanhoudende medische klachten (pijnklachten en een hernia), waardoor hij niet in staat is (geweest) om te participeren. Vanwege zijn medische situatie is hij ontheven van de arbeidsverplichtingen.

9. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker met het besluit van 6 januari 2026 ontheffing is verleend van de arbeidsverplichtingen en de tegenprestatie voor de duur van zes maanden. Uit het verweerschrift van 22 april 2026 blijkt als reden voor de ontheffing dat verzoeker een (hernia)operatie moest ondergaan. Het gesprek op 15 april 2026 was vooral bedoeld om de voortgang van verzoekers re-integratie te bespreken. Dit volgt ook met zoveel woorden uit de oproepingsbrief van 7 april 2026. De re-integratie is erop gericht om verzoeker te ondersteunen bij de sociale activering, een ontwikkeltraject, werkervaring of het vinden van een baan. Er is op dit moment dus geen sprake van een verplichting tot het verrichten van betaalde arbeid (of vrijwilligerswerk).

10. Verzoeker heeft het spoedeisend belang bij zijn verzoek uitsluitend gebaseerd op het vermeende risico dat hem een maatregel zal worden opgelegd als hij niet op de afspraak van 15 april 2026 zou verschijnen. Uit de stukken blijkt dat verzoeker er uiteindelijk voor heeft gekozen toch op het gesprek van 15 april 2026 te verschijnen.[_61b7e4ea-113a-4e7f-a979-760673406acd] Omdat verzoeker hiermee alsnog aan de oproep van 7 april 2026 gehoor heeft gegeven is van een concreet en actueel dreigend nadeel geen sprake. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat de brief van 7 april 2026 met de oproep om op gesprek te verschijnen geen besluit is in de zin van de Awb. Schorsing van deze brief, dan wel de verplichting om op een gesprek te verschijnen, is daarom niet alleen praktisch, maar ook juridisch gezien niet mogelijk.

11. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat verzoeker geen (spoedeisend) belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

12. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V. van Dorst, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.