Uitspraak · Insolventierecht

Rechtbank Rotterdam, 11 februari 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:6744Zaaknummer FT RK 25/1744

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
FT RK 25/1744
Rechtsgebied
Civiel recht, Insolventierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Dwangakkoord afgewezen. Aanbod niet goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 Het verzoek
  3. 3 Het verweer
  4. 4 De beoordeling
  5. 4 De beslissing

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 11 februari 2026

afwijzen gedwongen schuldregeling

in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [adres]

[postcode] [plaatsnaam],

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 22 september 2025, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om één schuldeiser, te weten:

- [schuldeiser] (hierna: [schuldeiser]);

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 3 februari 2026 zijn verschenen en gehoord:

  • verzoeker;
  • mevrouw E. van Krimpen, werkzaam bij gemeente Nissewaard (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw W. Balgobind, werkzaam bij Fresh Start Bewindvoering (hierna: beschermingsbewindvoerder);
  • mevrouw M. Vermeer, werkzaam bij Fresh Start Bewindvoering (hierna: assistent-beschermingsbewindvoerder).

De weigerende schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift één preferente schuldeiser met één vordering en negen concurrente schuldeisers met tien vorderingen. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 30.049,31van verzoeker te vorderen. Verzoeker heeft bij brief van 13 maart 2025 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 0,6% aan de preferente schuldeisers en 0,3% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Verzoeker heeft bij brief van 22 mei 2025 een nieuw aanbod gestuurd naar [schuldeiser], die inhoudt dat geen uitdeling zal plaatsvinden aan de schuldeisers. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat de overige schuldeisers niet op de hoogte zijn gesteld van het nulaanbod.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn PW-uitkering. Uit het overgelegde plan van aanpak van de gemeente Nissewaard van 23 juli 2025 en 12 november 2025 blijkt dat hij vooralsnog niet hoeft te solliciteren. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat hij momenteel een re-integratietraject volgt. Volgens schuldhulpverlening voorziet de aangeboden regeling van 13 maart 2025 en 22 mei 2025 in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Hoewel in het aanbod van 13 maart 2025 is opgenomen dat de aangeboden regeling een saneringskrediet betreft, is er in dit aanbod alsmede aangegeven dat op basis van het krediet dat beschikbaar is gesteld wordt verwacht dat het berekende bedrag kan worden betaald. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat hiermee wordt geïmpliceerd dat er sprake is van een prognoseaanbod en dat het aanboden bedrag nog kan veranderen. De overige schuldeisers konden er daardoor rekening mee houden dat het uiteindelijke resultaat nadeliger voor hen zou kunnen uitvallen dan aanbod van 13 maart 2025. Daarnaast heeft schuldhulpverlening te kennen gegeven dat de schuldenlast inmiddels is verlaagd naar € 25.000,-. Indien er op termijn sprake zou zijn van afloscapaciteit, zal er een hoger bedrag kunnen worden betaald aan de schuldeisers. In het voordeel van de schuldeisers zal er dan geen sprake meer zijn van een nulaanbod. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn beschermingsbewindvoerder voldaan.

Negen schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. [schuldeiser] heeft een vordering van € 9.000,- op verzoeker, welke 36% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In de contacten met schuldhulpverlening heeft [schuldeiser] te kennen gegeven dat zij, conform een gerechtelijke uitspraak, een betalingsregeling heeft getroffen met verzoeker. [schuldeiser] gaat dan ook niet akkoord met het aanbod aangezien zij deze betalingsregeling wil aanhouden.

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft [schuldeiser] geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Vooropgesteld wordt dat de vordering van [schuldeiser] een aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 36% daarvan). Gelet daarop zal niet snel kunnen worden geoordeeld dat [schuldeiser] in redelijkheid niet kon weigeren om met de schuldregeling in te stemmen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet kan worden vastgesteld dat het aanbod goed en controleerbaar is gedocumenteerd. Het aanbod van 13 maart 2025 waar de andere schuldeisers mee akkoord zijn gegaan, wijkt voor wat betreft de hoogte van het aanboden percentage af van het aanbod van 22 mei 2025. Schuldhulpverlening heeft ter zitting verklaard dat het nieuwe aanbod alleen aan de weigerende schuldeiser is voorgelegd. Schuldhulpverlening heeft aangevoerd dat het aanbod van 13 maart 2025 ziet op uitkering van een prognosepercentage waardoor de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. De rechtbank volgt schuldhulpverlening hierin niet. In de aanbodbrief is duidelijk opgenomen dat sprake is van een saneringskrediet, waarbij na akkoord van alle schuldeisers het afgesproken bedrag wordt terugbetaald. Dat er later in de aanbodbrief wordt aangegeven dat op basis van het krediet dat beschikbaar is gesteld wordt verwacht dat het berekende bedrag kan worden betaald, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om te kunnen spreken van een prognoseaanbod. Schuldhulpverlening heeft voorts aangevoerd dat door verlaging van de schuldenlast een hoger bedrag aan de schuldeisers kan worden betaald indien er op termijn sprake zou zijn van afloscapaciteit. In het voordeel van de schuldeisers zal er dan geen sprake meer zijn van een nulaanbod. De rechtbank is van oordeel dat niet vaststaat dat verzoeker in de komende periode een hoger inkomen zal genereren. Daarnaast hoefden de overige schuldeisers er ook geen rekening mee te houden dat het uiteindelijke resultaat nadeliger voor hen zou kunnen uitvallen dan het aanbod van 13 maart 2025. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het aanbod niet goed en controleerbaar is gedocumenteerd.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van [schuldeiser] als weigerende schuldeiser zwaarder wegen dan die van verzoeker of de overige schuldeisers. Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling wordt daarom afgewezen.

De rechtbank zal bij afzonderlijke beslissing op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling beslissen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek om een gedwongen schuldregeling te bevelen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van mr. J.A. Kuijvenhoven, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.