Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Rotterdam, 29 april 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:4930Zaaknummer ROT 26/2185

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
ROT 26/2185
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft het spoedeisend belang niet aannemelijk gemaakt. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker], uit Hoogvliet Rotterdam, verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 26/2185

uitspraak van de voorzieningenrechter van 29 april 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit Hoogvliet Rotterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigde: mr. S. Roodenburg).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 11 februari 2026 heeft het UWV bepaald dat verzoeker vanaf 12 juli 2024 een WGA-vervolguitkering zal ontvangen van € 896,10 bruto per maand. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

2. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als ‘onverwijlde spoed’ dat vereist.

4. Met het besluit van 30 januari 2026 is aan verzoeker vanaf 27 oktober 2023 een WGA-uitkering toegekend van € 3.712,15 bruto per maand. Door het bestreden besluit is de uitkering van verzoeker fors verlaagd. Volgens verzoeker kan hij met de huidige uitkering zijn vaste lasten niet meer betalen en is er sprake van een acute financiële noodsituatie.

5. Uit het dossier komt naar voren dat verzoeker op enig moment zijn huurwoning is kwijt geraakt en dat hij nu bij zijn zus verblijft. Dit betekent dat verzoeker (mogelijk) geen woonlasten meer heeft. De rechtbank heeft daarom aan verzoeker bij brief van 18 maart 2026 onder meer gevraagd om inzicht te geven in zijn vaste lasten. Verzoeker heeft op 20 maart 2026 gereageerd op de brief van de rechtbank, maar is daarbij niet ingegaan op de vraag over de vaste lasten. Verzoeker heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat zijn huidige uitkering onvoldoende is om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

Daarbij komt dat verzoeker op 18 december 2025 en 23 januari 2026 van het UWV een bedrag heeft ontvangen van respectievelijk € 2.651,63 en € 2.710,63. Daarnaast heeft het UWV op 2 april 2026 besloten dat verzoeker een toeslag krijgt, waardoor zijn inkomen wordt aangevuld tot het sociaal minimum.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er daarom geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

7. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.