Uitspraak · Insolventierecht
Rechtbank Rotterdam, 7 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14814Zaaknummer NL:TZ:2612850:R-RK
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 7 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL:TZ:2612850:R-RK
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Insolventierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek WSNP toegewezen. Eerdere ingangsdatum van 18 maanden. Er is afgedragen onder beslag sinds maart 2025.
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder mr. P.A. Loeff,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 8 april 2025 en de duur op 18 maanden;
- stelt vast dat er ook na de materiële looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht gelden;
- draagt de bewindvoerder op om uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- stelt de datum van de verificatievergadering vast op 1 december 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.[_b698333f-f0d5-42b2-9ed7-a1b220ea00bd]
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team Insolventie
Rekestnummer: [nummer]
vonnis van: 7 oktober 2026
op het verzoek van
[verzoeker],
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats].
Waar deze zaak over gaat
De heer [verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor zijn schulden te komen heeft de heer [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt de heer [verzoeker] om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen vanaf maart 2025. Dit verzoek wordt toegewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.
1 De procedure
De heer [verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de Wsnp en om een eerdere ingangsdatum te bepalen.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 23 september 2026. Op de zitting zijn verschenen:
- de heer [verzoeker],
- de heer G.J. van Rossen, beschermingsbewindvoerder.
2 De beoordeling
De toelating
De heer [verzoeker] kan worden toegelaten tot de Wsnp als hij zich in een problematische schuldensituatie bevindt en hij te goeder trouw was bij het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden. De rechtbank kijkt daarbij vooral naar de afgelopen drie jaar. Ook moet de verwachting bestaan dat de heer [verzoeker] aan de verplichtingen van de Wsnp zal voldoen.
Voorgeschiedenis en minnelijk traject
Gebleken is dat de heer [verzoeker] vanaf 25 oktober 2013, kort na zijn pensionering, onder beschermingsbewind staat. Het beschermingsbewind is uitgesproken op geestelijke en/of lichamelijke gronden maar zag, zo verklaart de beschermingsbewindvoerder, feitelijk op de problematische schuldenlast van de heer [verzoeker]. Het beschermingsbewind heeft daarmee ruim 13 jaar bestaan en dat is ongebruikelijk lang.
De beschermingsbewindvoerder verklaart dat de toezichthoudend kantonrechter in 2024 de stand van zaken van het schuldenbewind met hem heeft besproken. Tijdens dat gesprek zou zijn afgesproken dat zo spoedig mogelijk een schuldbemiddelingspoging zou worden ondernomen. De beschermingsbewindvoerder heeft in juli 2025 een aanbod gedaan aan een deel van de schuldeisers, namelijk degenen die op de lijst van schuldeisers staan vermeld. Die lijst was, en is nog steeds, niet compleet, want de twee grootste schulden, beide ontstaan voor 2013, zijn niet opgenomen in de crediteurenlijst die als bijlage bij het verzoekschrift artikel 284 Fw is gevoegd. Deze twee schulden bedragen in totaal een bedrag van € 270.000,00 maar de schuldeisers hebben geen aanbod ontvangen. Deze schulden zijn pas ter zitting meegedeeld aan de rechtbank. Conclusie moet zijn dat de beschermingsbewindvoerder de mogelijkheden om tot een regeling met alle schuldeisers te komen dan ook niet heeft benut.
Verder lijkt er sprake te zijn van langdurige instabiliteit tussen de inkomsten en uitgaven van de heer [verzoeker], zonder dat daarvoor een duidelijke verklaring is gegeven. Die instabiliteit lijkt tot de dag van vandaag te bestaan gelet op enkele recente achterstanden in de betaling van de vaste lasten en de stelling van de beschermingsbewindvoerder dat gelet op het hierna te bespreken beslag een negatief gat bestaat tussen inkomsten en uitgaven. De netto-inkomsten van de heer [verzoeker] bestaan uit een AOW- en een pensioenuitkering, aangevuld met toeslagen, van in totaal € 1.582,00. De beslagvrije voet van de heer [verzoeker] bedroeg 95% van de toepasselijke bijstandsnorm en is € 1.278,00 (norm januari 2025). Nu er maandelijks € 451,63 onder het beslag wordt afgedragen is het feitelijk beschikbare inkomen van de heer [verzoeker] sinds maart 2025, als gevolg van het gelegde beslag, beduidend lager dan zijn beslagvrije voet. De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting verklaard zich dat te realiseren maar niettemin hiertegen geen actie te hebben ondernomen omdat dat hij voornemens was om zo spoedig mogelijk een Wsnp-verzoek in te dienen. Gebleken is dat de indiening van dit verzoek nog bijna twee jaar op zich heeft laten wachten.
De rechtbank is van oordeel dat deze bedenkelijke gang van zaken er niet aan in de weg staat om de heer [verzoeker], die 79 jaar oud is en er op heeft vertrouwd dat de beschermingsbewindvoerder zijn schuldenproblematiek zou helpen oplossen, toe te laten. Door de toelating zal het beslag vervallen en bestaat er voldoende financiële ruimte om de vaste lasten en het leefgeld van de heer [verzoeker] te kunnen voldoen. De heer [verzoeker] voldoet aan alle eisen en wordt daarom toegelaten tot de Wsnp.
Bevoegdheid
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van de heer [verzoeker] in Nederland ligt.
Duur
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) vast op 18 maanden.
De ingangsdatum
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande schuldhulpverleningstraject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijke voortraject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op zijn schulden en dat hij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
De rechtbank stelt vast dat gedurende het voorafgaande schuldhulpverleningstraject sinds maart 2025 niet is gespaard voor de (gezamenlijke) schuldeisers, omdat door een schuldeiser beslag is gelegd op de inkomsten van de heer [verzoeker]. Daardoor is sinds maart 2025 een deel van de inkomsten alleen betaald aan deze schuldeiser. Naar het oordeel van de rechtbank is het feit dat er gedurende die periode niet is gespaard voor de gezamenlijke schuldeisers in dit geval niet toe te rekenen aan de heer [verzoeker]. Daarom telt die periode wel mee bij het bepalen van een eerdere ingangsdatum.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald. De ingangsdatum zou – gelet op het onderhavige verzoek – in beginsel meer dan achttien maanden terug liggen nu de heer [verzoeker] sinds maart 2025 heeft afgedragen onder beslag. De schuldsaneringsregeling duurt volgens artikel 349a Fw echter – in beginsel – achttien maanden. Het voorgaande betekent dat de schuldsaneringsregeling niet eerder dan achttien maanden voor datum vonnis kan ingaan. Verder dient de boedel gefixeerd te worden zodat de looptijd niet eerder kan eindigen dan de dag na die waarop dit vonnis wordt gewezen. De rechtbank zal daarom de ingangsdatum vaststellen op 8 april 2025. Dat is achttien maanden voor deze fixeringsdatum.
3 De (controle van) verplichtingen in de Wsnp
De verplichtingen waaraan de heer [verzoeker] tijdens de looptijd (ex artikel 349a Fw) van de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting (van inkomen boven het vtlb en van goederen die in de boedel vallen).
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of de heer [verzoeker] de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
De bewindvoerder bekijkt ook of de verplichtingen uit het minnelijk traject zijn nagekomen. Voor zover het gaat om de verplichting tot afdracht van inkomen boven het vtlb en de inspanningsverplichting, die bij de toelatingszitting al zijn beoordeeld, verzoekt de rechtbank de bewindvoerder om uiterlijk bij het eindverslag ook verslag uit te brengen over de vraag of van materiële onjuistheden is gebleken (vergelijk r.o. 3.6.4. van het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1913). Dit kan eventueel aanleiding geven tot verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling.
De bewindvoerder zal bij het eindverslag ook een advies uitbrengen over de vraag in hoeverre aan de andere verplichtingen in het minnelijk traject is voldaan. Het gaat hier bijvoorbeeld om de informatieverplichting, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de verplichting geen nieuwe schulden te maken. De rechtbank kan nu niet beoordelen of binnen het minnelijk traject aan die verplichtingen is voldaan. Deze vraag zal later worden beoordeeld aan de hand van het verslag van de bewindvoerder (artikel 351a Fw) en hetgeen tijdens de eindzitting blijkt (artikel 352 Fw). Op dat moment zal ook worden beoordeeld of na de toelating aan alle verplichtingen van de Wsnp is voldaan.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die de heer [verzoeker] nu heeft en wat hij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt (artikel 295 Fw). De heer [verzoeker] heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan (artikel 296 Fw). De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan de heer [verzoeker].
De looptijd van de regeling van de heer [verzoeker] is veel eerder ingegaan dan de datum van dit vonnis. De bewindvoerder kan nu pas starten met zijn taken, terwijl de looptijd van de regeling (vooralsnog) verstrijkt op 8 oktober 2026. De boedel wordt per die datum gefixeerd. Van belang is dat de heer [verzoeker] ook na die datum verplicht blijft om mee te werken aan de afwikkeling. Hij is ook verplicht om daarvoor informatie aan de bewindvoerder aan te leveren. Tot de boedel behorende goederen moeten nog worden afgedragen. Na de materiële looptijd geldt er geen inspanningsverplichting (artikel 288 Fw) en ook geen verplichting om inkomsten boven het vtlb af te dragen (artikel 295 Fw).
De rechtbank draagt de bewindvoerder op om – in afwijking van artikel 351a Fw – uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen.
Als de heer [verzoeker] zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op de heer [verzoeker] kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden (het formele einde).
4 De beslissing
De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
wonende te [straatnaam],
[postcode] [woonplaats];
- benoemt tot rechter-commissaris mr. M. Aukema
en tot bewindvoerder mr. P.A. Loeff,
gevestigd te Postbus 136,
2990 AC Barendrecht;
- stelt de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling vast op 8 april 2025 en de duur op 18 maanden;
- stelt vast dat er ook na de materiële looptijd een medewerkingsplicht en een informatieplicht gelden;
- draagt de bewindvoerder op om uiterlijk binnen vijf maanden na de datum van dit vonnis eindverslag uit te brengen;
- stelt de datum van de verificatievergadering vast op 1 december 2026;
- draagt de bewindvoerder op de post van de heer [verzoeker] in te zien;
- bepaalt dat de bewindvoerder een voorschot op de vergoeding mag nemen volgens het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering. Dit kan alleen voor zover de boedel toereikend is.
Dit is de beslissing van mr. M. Aukema, rechter, in samenwerking met I. van Gemerde, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026.[_b698333f-f0d5-42b2-9ed7-a1b220ea00bd]
De griffier is buiten staat dit vonnis
mede te ondertekenen.
Voetnoten
- Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 284 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 349a Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 351a Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 352 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 316 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 295 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 296 Fw meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 288 Fw meer uitspraken over dit artikel
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.