Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14760Zaaknummer 12270843 CV EXPL 26-15069
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12270843 CV EXPL 26-15069
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Geldlening, niet betwist.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiser] te betalen € 12.500,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 11.450,- vanaf 27 mei 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.210,77 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
44487
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12270843 CV EXPL 26-15069
datum uitspraak: 2 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser], die handelt onder de naam [horecagelegenheid X],
woonplaats: [woonplaats 1],
eiser,
gemachtigde: mr. C.A.M.H. Vink,
tegen
[gedaagde], die handelt onder de naam [bedrijf Y], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A],
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘de bewindvoerder’ genoemd. [persoon A] wordt ‘ [persoon A] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 3 juni 2026, met bijlagen;
- de e-mail van de bewindvoerder van 17 juni 2026, met één bijlage;
- de rolbeslissing van 10 juli 2026;
- de akte van [eiser], met één bijlage;
- de e-mail van de bewindvoerder van 1 september 2026.
2 De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
[eiser] heeft meerdere geldbedragen aan [persoon A] geleend. Vanaf januari 2023 heeft [eiser] daarvoor verschillende schuldbekentenissen laten tekenen door [persoon A], waarin telkens de hoogte van het geleende bedrag is vastgelegd en een afbetalingsregeling is afgesproken. Na oktober 2024 heeft [persoon A] niets meer afbetaald. De (toekomstige) goederen van [persoon A] zijn vanaf 8 februari 2025 onder bewind gesteld. Volgens [eiser] staat in totaal nog een bedrag van € 11.450,- open. [eiser] maakt ook aanspraak op rente (berekend tot en met 26 mei 2026: € 266,02) en buitengerechtelijke kosten van € 889,50. In deze zaak eist [eiser] dat de bewindvoerder wordt veroordeeld tot betaling, waarbij hij zijn vordering heeft beperkt tot een bedrag van € 12.500,-, met behoud van zijn recht op het meerdere.
De bewindvoerder heeft de vordering van [eiser] niet betwist, maar aangevoerd dat zij de vordering in de kader van een (minnelijk) schuldsaneringstraject heeft aangemeld bij IJsselgemeenten. Volgens de bewindvoerder heeft deze procedure dan ook geen enkel nut. Ook voert de bewindvoerder aan dat [eiser] [persoon A] enkele maanden geleden zou hebben bedreigd en eigendommen van [persoon A] zou hebben meegenomen.
De kantonrechter wijst de eis van [eiser] toe. Hierna wordt uitgelegd waarom.
De bewindvoerder moet de hoofdsom betalen
De stelling van de bewindvoerder dat [eiser] [persoon A] zou hebben bedreigd en zijn eigendommen zou hebben meegenomen, is door [eiser] betwist en daarna niet meer (nader) onderbouwd door de bewindvoerder. Voor zover hiermee bedoeld was aan te voeren dat (de waarde van) die spullen in mindering moet komen op het bedrag dat [persoon A] nog aan [eiser] moet betalen, heeft de bewindvoerder dat onvoldoende onderbouwd.
De bewindvoerder heeft (verder) niet aangevoerd dat de feiten die in de dagvaarding staan, niet kloppen. Die staan daarom in deze zaak vast. De bewindvoerder moet daarom het totale nog openstaande bedrag van de aan [persoon A] verstrekte leningen van € 11.450,- aan [eiser] betalen.
De buitengerechtelijke incassokosten zijn toewijsbaar
De incassokosten van € 889,50 zijn toewijsbaar, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
De rente is toewijsbaar
De rente is toewijsbaar, omdat [eiser] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en de bewindvoerder dat niet heeft betwist.
De bewindvoerder moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van de bewindvoerder, omdat zij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). Dat het schuldendossier van [persoon A] – waarvan de vordering van [eiser] deel uitmaakt – door de bewindvoerder is overgedragen aan IJsselgemeenten voor het starten van een minnelijk schuldsaneringstraject, betekent niet zonder meer dat [eiser] niet tot dagvaarding had kunnen of mogen overgaan. In dit geval is van belang dat de bewindvoerder in haar e-mail van 17 november 2025 aan de gemachtigde van [eiser] heeft medegedeeld dat zijn vordering meegenomen zal worden bij het bespreken van het schuldendossier met de IJsselgemeenten. Volgens de bewindvoerder zijn alle partijen (de kantonrechter neemt aan dat daarmee bedoeld wordt “alle schuldeisers”) vervolgens op 17 maart 2026 aangeschreven maar was er op 1 september 2026 (het moment van indienen van de laatste reactie van de bewindvoerder in deze procedure) nog geen akkoord. Van een concrete aanwijzing wanneer wel een akkoord valt te verwachten, of wat de bewindvoerder van plan is te doen (en wanneer) als een of meer schuldeisers het aanbod weigeren dan wel of en wanneer een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsanering is/wordt ingediend, is niets gebleken. Van [eiser] kan niet verwacht worden om, zonder concrete informatie, te blijven wachten zonder zelf actie te (mogen) ondernemen.
De kantonrechter begroot de kosten die de bewindvoerder aan [eiser] moet betalen op € 153,77 aan dagvaardingskosten, € 265,- aan griffierecht, € 648,- aan salaris voor de gemachtigde (1,5 punten x € 432,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.210,77. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en de bewindvoerder daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de bewindvoerder om aan [eiser] te betalen € 12.500,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 11.450,- vanaf 27 mei 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
veroordeelt de bewindvoerder in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.210,77 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag nadat dit vonnis is betekend tot de dag dat volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
44487
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.