Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Rotterdam, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14751Zaaknummer ROT 26/7449
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- ROT 26/7449
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef twijfel kon hebben aan de betrouwbaarheid en integriteit van verzoeker. Vervolgens moet de korpschef motiveren dat de intrekking van de toestemming in dit geval passend en noodzakelijk is. Zoals de gemachtigde van de korpschef op zitting heeft erkend, blijkt uit het bestreden besluit niet dat alle relevante belangen zijn meegewogen. Dit neemt echter niet weg dat zonder meer kan worden gezegd dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Foppen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 26/7449
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 oktober 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. Z.M. Nasir),
en
de korpschef van de politie, de korpschef
(gemachtigde: mr. J.B. van der Els).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een besluit waarin de toestemming aan verzoeker is ingetrokken om werkzaamheden als beveiliger te verrichten. Verzoeker is het hier niet mee eens.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 31 augustus 2026 heeft de korpschef de toestemming aan [bedrijf] ingetrokken op grond waarvan verzoeker beveiligingswerkzaamheden kan verrichten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de korpschef.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
Waar gaat deze zaak over?
3. Op 2 januari 2024 heeft de korpschef aan [bedrijf] toestemming verleend voor het verrichten van werkzaamheden door verzoeker. Bij onderzoek naar verzoekers betrouwbaarheid, waarbij onder meer politiegegevens en het justitieel documentatiesysteem (JDS) zijn geraadpleegd, is bij de korpschef het volgende naar voren gekomen. Op 24 november 2025 is er aangifte gedaan vanwege bedreiging. In de aangifte is vermeld dat er tijdens een voetbalwedstrijd tussen de clubs een vechtpartij uitbrak na een beslissing van een scheidsrechter. Na het staken van de wedstrijd kwam er iemand naar de voetbalclub met een vuurwapen en zouden er meerdere mensen zijn bedreigd. Verzoeker is als verdachte aangemerkt. Vanwege deze verdenking heeft de korpschef de toestemming ingetrokken. Het intrekken van de toestemming is volgens de korpschef nodig omdat de gedragingen niet passend zijn voor een beveiliger die dient te waken voor de veiligheid van personen en goederen. Verzoeker is het niet eens met het bestreden besluit en wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat hij voorlopig zijn werkzaamheden als beveiliger kan hervatten, totdat is beslist op zijn bezwaar.
Spoedeisend belang
4. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker aannemelijk gemaakt dat er een spoedeisend belang is bij de beoordeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij door het bestreden besluit zonder werk zit en heeft gemotiveerd onderbouwd dat het inkomen van zijn partner onvoldoende is om de vaste lasten te voldoen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
6. Een beveiligingsorganisatie mag verzoeker alleen beveiligingswerk laten verrichten als de organisatie daarvoor toestemming van de korpschef heeft gekregen.[_fb10afed-61c8-4847-9229-2569a3ee64b6] Deze toestemming wordt onthouden als de betreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.[_672d509f-ef49-49b0-8c84-60635f608871] De toestemming kan worden ingetrokken als zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.[_f13017e5-d193-4fb8-9f04-f62e6abaa2bf]
7. Volgens paragraaf 3.3, aanhef en onder b, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2019 (Bpbr), voor zover hier van belang, kan de toestemming worden geweigerd wanneer op grond van ‘omtrent een betrokkene bekende en relevante feiten’ kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten.
8. Volgens vaste rechtspraak is het intrekken van een verleende toestemming een bestuurlijke maatregel, die het maatschappelijk belang dat gediend is bij een betrouwbare veiligheidszorg ondersteunt. Daarvoor is van belang dat degenen die in de beveiliging werkzaam zijn betrouwbaar zijn en blijven. Intrekking van de verleende toestemming is op zichzelf geen onredelijk middel om het bovenstaande doel te bereiken. Daarbij blijft echter van belang dat de maatregel is afgestemd op een individueel geval. De korpschef moet daarom motiveren waarom de gekozen maatregel in het specifieke geval een passende en noodzakelijke maatregel is.[_0fc43066-10d5-4f5e-a04b-4387baead247]
9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de korpschef op grond van de processen-verbaal en de camerabeelden vooralsnog heeft mogen aannemen dat verzoeker onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. De korpschef heeft hiertoe kunnen stellen dat verzoekers gedragingen haaks staan op wat van een beveiliger mag worden verwacht. Daarbij heeft de korpschef mogen laten meewegen dat verzoeker als beveiliger een voorbeeldfunctie bekleedt waarbij hij dient te waken voor de veiligheid van personen en goederen.
10. Uit het dossier komt naar voren dat verzoeker na een bericht van zijn neef de keuze heeft gemaakt om naar de voetbalclub te gaan met een ijzeren voorwerp bij zich om anderen schrik te geven. Verzoekers stelling, dat hij het voorwerp niet heeft getoond, maar enkel heeft gepakt terwijl hij weg draaide van de in de kantine aanwezige personen, volgt de voorzieningenrechter niet. Verzoeker heeft op de vraag van de politie of hij het voorwerp heeft getoond aan de mensen in de kantine geantwoord: “Ja, ik heb gepakt en gevraagd waar zijn ze”[_1a95ccb8-86e8-4fed-bef0-763836a1a39c]. Op camerabeelden, vanuit de kantine van de voetbalclub (die onderdeel uitmaken van het dossier), is ook te zien dat verzoeker een voorwerp, lijkend op een vuurwapen, uit zijn tasje pakt en kort daarna weer terug in zijn tasje stopt. De scheidsrechter, die als getuige is gehoord, heeft bovendien verklaard dat een hem onbekende man in de kleedkamer iets uit zijn tasje pakte wat op een vuurwapen leek[_90188bb1-e2d8-4e0b-bb3c-4339c028ee60]. Dat verzoeker het ijzeren voorwerp heeft getoond blijkt dus voldoende uit het dossier. Dat verzoeker, zoals hij zelf stelt, de-escalerend te werk is gegaan door een gesprek met de scheidsrechter aan te gaan en vervolgens zijn neef mee te nemen om samen te vertrekken van de voetbalclub, volgt de voorzieningenrechter niet. Door met een ijzeren voorwerp, lijkend op een vuurwapen, naar de voetbalclub te gaan en dat voorwerp te tonen, heeft hij de zaak juist op de spits gedreven. Dat hij vervolgens na een kort gesprek in de kleedkamer weg is gegaan met zijn neef, maakt het voorgaande niet minder ernstig.
11. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de korpschef twijfel kon hebben aan de betrouwbaarheid en integriteit van verzoeker. Vervolgens moet de korpschef motiveren dat de intrekking van de toestemming in dit geval passend en noodzakelijk is. Zoals de gemachtigde van de korpschef op zitting heeft erkend, blijkt uit het bestreden besluit niet dat alle relevante belangen zijn meegewogen. Dit neemt echter niet weg dat zonder meer kan worden gezegd dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. De voorzieningenrechter verwacht dat de korpschef de relevante belangen in de beslissing op bezwaar alsnog zal afwegen en daarbij ook zal betrekken of het mogelijk is om te volstaan met een minder ingrijpende maatregel. Vooralsnog vindt de voorzieningenrechter de door verzoeker genoemde belangen, namelijk de omstandigheid dat hij door het bestreden besluit zonder werk zit, het tijdsverloop van negen maanden tussen het incident en het bestreden besluit en het tijdsverloop van 25 jaar waarin verzoeker heeft gesteld niet in aanraking te zijn geweest met de politie niet opwegen tegen de ernst van het incident en het maatschappelijke belang van betrouwbare veiligheidszorg. De door verzoeker aangehaalde uitspraken leiden niet tot een andere conclusie, omdat daarin naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake is van situaties die niet vergelijkbaar zijn met deze zaak.
Conclusie en gevolgen
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Dat houdt in dat de intrekking van de toestemming voor beveiligingswerkzaamheden vooralsnog in stand blijft.
13. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.N. Foppen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
- Artikel 7, tweede lid, van de Wpbr.
- Artikel 7, vierde lid, van de Wpbr.
- Artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr.
- ECLI:NL:RVS:2026:2429 en ECLI:NL:RVS:2022:564.
- Proces-verbaal van verhoor van 27 november 2025 ( [proces-verbaalnummer 1])
- Proces-verbaal van verhoor van 27 november 2025 ( [proces-verbaalnummer 2])
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.