Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14691Zaaknummer C/10/725922 / JE RK 26-1758

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/725922 / JE RK 26-1758
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.. Gesloten plaatsing is niet passend gebleken en minderjarige zal worden teruggeplaatst naar een open groep.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van de GI met ingang van 25 september 2026 tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 september 2026 tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld op 6 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/725922 / JE RK 26-1758

Datum uitspraak: 25 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,

gevestigd in Dordrecht, hierna te noemen: de GI,

[naam moeder] en [naam stiefvader],

hierna te noemen: de moeder en de stiefvader,

wonende in [woonplaats 1],

advocaat mr. H.J. Ruysendaal, kantoorhoudende in Rotterdam,

[naam vader] en [naam stiefmoeder]

hierna te noemen: de vader en de stiefmoeder,

wonende in [woonplaats 2].

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 4 september 2026;

- het rapport van de Raad, ontvangen op 11 september 2026.

1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 25 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader en de stiefmoeder;

- de moeder en de stiefvader;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad];

- een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] verblijft bij [zorg instelling 1]

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 juli 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 oktober 2026. Bij deze beschikking heeft de kinderrechter ook een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 3 juli 2026 tot 31 juli 2026;

2.4.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 juli 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 7 juli 2026 tot 3 oktober 2026.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1.

De Raad handhaaft ter zitting het verzoek en licht dit als volgt toe. De Raad heeft moeten concluderen dat [minderjarige] binnen een gesloten setting niet de rust en veiligheid ervaart waar de Raad op had gehoopt. Ze zit nu bij [zorg instelling 1] niet op haar plek. Binnen de geslotenheid valt op dat [minderjarige] steeds verder ontregelt. Het is van groot belang dat [minderjarige] verdere behandeling zal krijgen, maar de beperkte therapeutische beschikbaarheid binnen de gesloten setting maakt dat haar psychische klachten niet worden opgevangen. [minderjarige] heeft een omgeving nodig waarin zij dagstructuur, voorspelbaarheid en begrenzing ervaart. Een terugkeer naar [zorg instelling 2] biedt [minderjarige] op de langere termijn het meeste perspectief. De Raad vindt het een spannende keuze, die niet zonder risico’s is, maar het is duidelijk dat [zorg instelling 1] niet de juiste plek is voor [minderjarige] en er moet daarom een andere weg worden ingeslagen. De keuze is alleen verantwoord als er duidelijke veiligheidsafspraken worden gemaakt, intensieve hulpverlening van [hulpverlening] wordt ingezet en [minderjarige], de ouders en [zorg instelling 2] samen optrekken om risico’s te monitoren en te begrenzen. De Raad acht het verder van belang dat er onderzoek wordt gedaan naar haar intelligentie en haar weerbaarheid. Ook acht de Raad het noodzakelijk dat [minderjarige] gesprekken gaat voeren met een psycholoog. Alles overwegende lijkt [zorg instelling 2] op dit moment dus de meest passende optie.

4.2.

De GI brengt ter zitting de volgende informatie naar voren. In [zorg instelling 1] heeft [minderjarige] EMDR-therapie positief afgerond. Ze liep daar wel vaak weg. De GI denkt daarom ook dat [zorg instelling 2] een betere plek is voor [minderjarige], maar dan wel met de begeleiding van [hulpverlening]. [hulpverlening] helpt [minderjarige] bij haar boosheid, maar ook bij haar dagstructuur. De moeder zal ook betrokken worden in de hulpverlening van [hulpverlening]. Bij [zorg instelling 2] kan [minderjarige] ook na haar achttiende verjaardag blijven. De GI heeft wel nog altijd zorgen over de vriend van [minderjarige]. Er is recent ook nog sprake geweest van fysiek geweld. Er moet vooral gewerkt worden aan haar zelfbeeld en weerbaarheid. Voor een psycholoog lijkt op dit moment [pscholoog] een passende aanbieder.

4.3.

De vader en de stiefmoeder brengen ter zitting het volgende naar voren. De vader heeft nog altijd vertrouwen in [minderjarige]. De verkeerde keuzes die zij maakt, komen vooral voort uit naïviteit, waarmee de vader met name doelt op haar vriend. De vader denkt dat het leven van [minderjarige] er, zonder deze vriend in haar leven, een stuk beter uit zou zien. De vader vindt het wel een spannende keuze om [minderjarige] in een open setting te plaatsen, omdat dat eerder ook niet goed ging. De vader is wel blij dat [hulpverlening] nu acht uur per dag betrokken zal zijn, maar dat betekent dat er nog zestien uur op een dag zonder [hulpverlening] zijn. De vader ziet wel ook de positieve signalen en hoopt dat het [minderjarige] lukt om de juiste keuzes te blijven maken.

4.4.

De moeder en de stiefvader brengen ter zitting het volgende naar voren. De moeder heeft dezelfde twijfels als de vader over een open groep, maar de gesloten groep heeft [minderjarige] ook geen goed gedaan. De moeder heeft vertrouwen in de hulpverlening van [hulpverlening]. De moeder heeft gezien dat [minderjarige] al andere en betere keuzes heeft gemaakt, dan toen [hulpverlening] nog niet betrokken was. De moeder vindt de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend ook zorgelijk. Het is echter belangrijk dat [minderjarige] aan haar eigenwaarde werkt, zodat zij op relationeel gebied leert om de juiste keuzes te maken. De moeder hoopt dat een psycholoog kan helpen met het zelfbeeld van [minderjarige]. Diagnostiek en therapie lijken de moeder heel belangrijk. [minderjarige] geeft zelf aan geen diagnostiek te willen, maar de moeder ziet dit niet als iets slechts en dit kan haar juist helpen. Ook voor [minderjarige] zelf is het fijn als zij weet hoe haar brein werkt, zodat zij zichzelf en haar keuzes beter kan begrijpen. Op die manier kun je tot veranderingen komen. De stiefvader vindt dat er bij [zorg instelling 1] slechts sprake is van schijnveiligheid. De stiefvader denkt daarom dat [zorg instelling 2] de juiste keuze is, omdat [hulpverlening] daar kan helpen. Die zijn dan tijdens de belangrijkste uren van de dag bij [minderjarige].

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_4808eda7-71d6-489e-ab8e-f96ecd87c8ab] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.2.

De ontwikkeling van de nu 17-jarige [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. De zorgen over [minderjarige] zijn groot. [minderjarige] balanceert voortdurend in kwetsbaarheid. Een belangrijk onderdeel van haar (psychische) kwetsbaarheid is de relatie tussen [minderjarige] en haar vriend. De zorgen worden vergroot door [minderjarige] middelengebruik. [minderjarige] blowt structureel en heeft onlangs (toen zij na verlof niet terugkeerde naar de groep) ook cocaïne gebruikt. Dit maakt [minderjarige] kwetsbaar voor impulsief gedrag, het vermindert haar beoordelingsvermogen en het vergoot de kans dat zij in risicovolle situaties belandt. Een zorgelijke ontwikkeling is ook dat de plaatsing van [minderjarige] bij [zorg instelling 1] haar somberheid heeft vergroot, haar motivatie heeft verminderd, en de patronen van terugtrekken en ontregeling die haar ontwikkeling onder druk zetten, heeft versterkt. De Raad is verder bezorgd over [minderjarige] zelfbeeld en haar emoties, die ze niet goed kan reguleren. Daarnaast heeft zij verschillende trauma’s uit het verleden onvoldoende verwerkt. [minderjarige] heeft bij [zorg instelling 1] niet de intensieve hulp gekregen die zij nodig heeft. Het is daarom belangrijk dat er zo snel mogelijk passende hulpverlening voor [minderjarige] wordt ingezet. De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat de zorgen over [minderjarige] vragen om een jeugdbeschermer die nauw betrokken is, zicht houdt op haar dagelijks functioneren en kan ingrijpen als haar veiligheid in het geding komt.

5.3.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027.

5.4.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_dd0b1401-4531-4006-a53a-348dc56433c9]

5.5.

De afgelopen periode heeft [minderjarige] binnen een gesloten setting verbleven. Daar is gezien dat [minderjarige] steeds verder is ontregeld. Alle betrokkenen zijn het erover eens dat [minderjarige] (ook) niet naar huis kan. De uithuisplaatsing van [minderjarige] blijft daarom nodig. Ter zitting is gebleken dat [minderjarige] naar [zorg instelling 2] kan terugkeren. Zij kan daar intensieve begeleiding krijgen van [hulpverlening]. De kinderrechter hoopt dat [minderjarige] bij [zorg instelling 2] weer tot rust komt, aan zichzelf kan werken en haar mooie toekomstplannen, die zij met de kinderrechter heeft gedeeld, kan waarmaken. De machtiging wordt afgegeven tot [minderjarige] meerderjarig wordt. Dit betekent ook dat de GI tijdig de benodigde stappen moet zetten om een passende plek te vinden voor na haar achttiende verjaardag.

5.6.

De kinderrechter verleent daarom de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] onder toezicht van de GI met ingang van 25 september 2026 tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 september 2026 tot haar meerderjarigheid, te weten tot [geboortedatum] 2027;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026 door mr. D.G.J. Roset, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. J. Korshuize als griffier, en op schrift gesteld op 6 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:255 BW.
  2. Artikel 1:265b, eerste lid, BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.