Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 24 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14636Zaaknummer C/10/719575 / FA RK 26-3770

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/719575 / FA RK 26-3770
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Voorlopige voorziening, Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

voorlopige voorzieningen mondeling aanvullend verzoek tardief, toevertrouwing in geschil

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [straatnaam] te [locatie];

4.2

beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt de man deze verder te betreden;

4.3

bepaalt dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;

4.4

bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

[minderjarige] verblijft in de oneven weken bij de man van maandagochtend tot maandagmiddag 16:00 uur, waarna de vrouw [minderjarige] ophaalt en hij tot en met donderdagmiddag 16:00 uur bij de vrouw verblijft, waarna de man [minderjarige] ophaalt en hij tot en met zondag bij de man verblijft. In de even weken verblijft [minderjarige] van maandagochtend tot en met donderdagmiddag 16:00 uur bij de man, waarna de vrouw [minderjarige] ophaalt en hij bij haar verblijft tot en met zondagmiddag 16:00 uur, waarna de man [minderjarige] zal ophalen en hij bij hem verblijft.

4.5

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de kinderbijdrage hebben getroffen, te weten dat de man aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 300,- per maand;

4.6

bepaalt dat de bijdrage onder 4.5. zal ingaan per 15 september 2026

4.7

bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2027 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;

4.8

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.9

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.10

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 24 september 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De vaststaande feiten
  3. 3 De beoordeling
  4. 4 De beslissing

Rechtbank Rotterdam

Team familie

Zaaknummer / rekestnummer: C/10/719575 / FA RK 26-3770

Beschikking van 24 september 2026 over voorlopige voorzieningen

in de zaak van:

[naam vrouw], hierna: de vrouw,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam,

t e g e n

[naam man 1], hierna: de man,

wonende te [woonplaats 2],

advocaat mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 08 mei 2026;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift, met bijlagen, ingekomen op 27 juli 2026;
  • het bericht met bijlagen van de vrouw van 11 mei 2026;
  • de berichten met bijlagen van de man van 1 en 7 september 2026;
  • het bericht tevens wijziging verzoek met bijlagen van de vrouw van 3 september 2026.;
  • het bericht van de vrouw van 8 september 2026 met bijlage.
1.2

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 10 september 2026. Daarbij zijn verschenen:

  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en mr. J.J. Sloot;
  • de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), als adviseur, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad].

2 De vaststaande feiten

2.1

Partijen zijn op [huwelijks datum] met elkaar gehuwd.

2.2

Het minderjarige kind van partijen is:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 te [geboorteplaats], hierna ook: [minderjarige].

2.3

De vrouw heeft inmiddels een verzoek tot echtscheiding ingediend (kenmerk: C/10/724939 FA RK 26-6653).

2.4

De vrouw heeft de Taiwanese nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

3 De beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.1

Deze zaak heeft een internationaal privaatrechtelijk karakter. Om die reden ligt zowel de rechtsmacht van deze rechtbank als het toe te passen recht ambtshalve ter beoordeling voor. De rechtbank stelt op grond van de omstandigheden van partijen vast dat zij bevoegd is op alle verzoeken te beslissen en dat op elk verzoek Nederlands recht moet worden toegepast.

Woning

3.2

De vrouw verzoekt te bepalen dat zij met uitsluiting van de man gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [straatnaam] te [locatie] met het bevel aan de man deze te verlaten en niet meer te betreden en met machtiging aan de vrouw om deze beschikking ten uitvoer te doen leggen met behulp van de sterke arm van politie en

justitie.

3.3

De man weerspreekt het verzoek niet.

3.4

Het verzoek van de vrouw ten aanzien van het uitsluitend gebruik van de woning wordt, als niet weersproken en op de wet gegrond, toegewezen.

Toevertrouwing / zorgregeling

3.5

Beide partijen verzoeken de toevertrouwing van de minderjarige.

3.6

De vrouw verzoekt - zoals gewijzigd op 3 september 2026 - te bepalen dat er een voorlopige zorgregeling wordt vastgesteld inhoudende:

Oneven weken: [minderjarige] verblijft van maandagmiddag 16:00 uur tot en met donderdagmiddag 16:00 uur en op zondag van 16:00 uur tot maandagochtend bij de vrouw;

Even weken: [minderjarige] verblijft van donderdagmiddag 16:00 uur tot en met zondagmiddag 16:00 uur bij de vrouw, waarna de man [minderjarige] zal ophalen en hij bij hem verblijft.

Tevens wenst de vrouw een verdeling van de vakanties en feestdagen bij helfte waarbij [minderjarige] in de oneven jaren gedurende de eerste helft van de vakantie bij de vrouw en gedurende de tweede helft van de vakantie bij de man verblijft. In de even jaren geldt de omgekeerde verdeling: de eerste helft van de vakantie bij de man en de tweede helft bij de vrouw.

3.7

De vrouw heeft vervolgens op 10 september 2026 in de loop van de mondelinge behandeling een aanvullend verzoek gedaan tot wijziging van de huidige zorgregeling bij toevertrouwing van de minderjarige aan haar. De man heeft hiertegen gemotiveerd bezwaar gemaakt.

Op grond van artikel 283 Rv kan een verzoeker het verzoek of de gronden daarvan verminderen, schriftelijk veranderen of vermeerderen tot het moment dat de rechter een eindbeschikking heeft gegeven. Op grond van artikel 130 Rv geldt als maatstaf of de verandering of vermeerdering van het verzoek in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Op de zitting is beslist het aanvullend verzoek van de vrouw niet in behandeling te nemen, omdat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval sprake is van strijd met de goede procesorde gelet op het tijdstip waarop het aanvullend verzoek is gedaan.

3.8

De man verzoekt een zorgregeling als volgt:

In de oneven weken verblijft [minderjarige] van maandagochtend tot maandagmiddag 18:00 uur

bij de man, waarna de vrouw [minderjarige] ophaalt en hij tot en met donderdagmiddag 18:00 uur

bij de vrouw verblijft, waarna de man [minderjarige] ophaalt en hij tot en met zondag bij de man

verblijft.

In de even weken verblijft [minderjarige] van maandagochtend tot en met donderdagmiddag 18:00

uur bij de man, waarna de vrouw [minderjarige] ophaalt en hij bij haar verblijft tot en met

zondagmiddag 18:00 uur, waarna de man [minderjarige] zal ophalen en hij bij de man verblijft.

3.9

Na escalatie tussen partijen begin april 2026 heeft [minderjarige] enige tijd geen contact kunnen onderhouden met de vrouw. Per juni 2026 verblijft [minderjarige] bij de man (bij oma vaderszijde) en de vrouw (in de echtelijke woning) volgens de tussen partijen afgesproken voorlopige regeling, die luidt zoals door de vrouw onder 3.6. is verzocht.

De man heeft ingestemd met het vastleggen van die regeling als voorlopige voorziening. De vrouw heeft weliswaar verzocht de regeling alsnog te wijzigen maar dit verzoek is, zoals onder 3.7. overwogen, tardief en overigens ook onvoldoende onderbouwd.

3.10

Partijen hebben allebei de voor hen zwaarwegende feiten en omstandigheden aangevoerd voor de toevertrouwing van de minderjarige aan hem/haar. De rechtbank stelt voorop dat het in het belang van de minderjarige is dat hij in de voor hem vertrouwde omgeving verblijft en dat is de echtelijke woning waar de vrouw woont en waar hij staat ingeschreven. Daarbij is de minderjarige gebaat bij zoveel mogelijk rust en regelmaat in het contact met zijn ouders. De raad acht continuatie van de huidige regeling in het belang van de minderjarige, daar is hij nu aan gewend en daarbij ziet hij zijn ouders frequent. De raad ziet geen contra-indicatie voor toevertrouwing aan de vrouw bij vaststelling van de huidige zorgregeling. De rechtbank acht het alles overziend in het belang van de minderjarige dat hij aan de vrouw wordt toevertrouwd met vaststelling van de zorgregeling zoals weergegeven onder 3.6., zodat beide ouders gelijkwaardig bij de minderjarige betrokken blijven.

Onderhoudsbijdrage

3.11

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de kinderbijdrage.

De man zal € 300,- per maand aan de vrouw voldoen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Daarbij zijn partijen uitgegaan van een behoefte van de minderjarige van € 592,- per maand, is rekening gehouden met het inkomensverlies van de man, de omstandigheid dat hij nog geen winst maakt met zijn onderneming en hij geen eigen woonruimte heeft. De zorgkorting is gesteld op 35%. Bij wijzigingen in voornoemde parameters zullen partijen in overleg treden over de kinderbijdrage.

De rechtbank zal de onderlinge regeling die partijen over de kinderbijdrage hebben getroffen opnemen in deze beschikking met inachtneming van het volgende.

Ingangsdatum

3.12

Uitgangspunt is dat voor de datum van ingang van de voorlopige voorzieningen de dag van de dagtekening van de beschikking als uitgangspunt geldt (artikel 822 lid 2 Rv).

Omdat is afgesproken dat de man zijn uitschrijving op het adres van de echtelijke woning zo spoedig mogelijk na de zitting zal regelen, zodat de vrouw in aanmerking komt voor toeslagen in verband met de zorg voor de minderjarige zal de rechtbank de ingangsdatum van de overeengekomen bijdrage in redelijkheid bepalen op 15 september 2026.

Proceskosten

3.13

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1

bepaalt dat de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning aan het [straatnaam] te [locatie];

4.2

beveelt de man met ingang van de datum van deze beschikking de echtelijke woning te verlaten en verbiedt de man deze verder te betreden;

4.3

bepaalt dat de minderjarige aan de vrouw wordt toevertrouwd;

4.4

bepaalt dat de regeling over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

[minderjarige] verblijft in de oneven weken bij de man van maandagochtend tot maandagmiddag 16:00 uur, waarna de vrouw [minderjarige] ophaalt en hij tot en met donderdagmiddag 16:00 uur bij de vrouw verblijft, waarna de man [minderjarige] ophaalt en hij tot en met zondag bij de man verblijft. In de even weken verblijft [minderjarige] van maandagochtend tot en met donderdagmiddag 16:00 uur bij de man, waarna de vrouw [minderjarige] ophaalt en hij bij haar verblijft tot en met zondagmiddag 16:00 uur, waarna de man [minderjarige] zal ophalen en hij bij hem verblijft.

4.5

neemt op de onderlinge regeling die partijen over de kinderbijdrage hebben getroffen, te weten dat de man aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 300,- per maand;

4.6

bepaalt dat de bijdrage onder 4.5. zal ingaan per 15 september 2026

4.7

bepaalt dat deze onderhoudsbijdrage per 1 januari 2027 en ieder daarop volgend jaar moet worden verhoogd met een percentage gelijk aan de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW;

4.8

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.9

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.10

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. van den Bergh, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van M.H. van Leeuwen, griffier, op 24 september 2026.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.