Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 25 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14626Zaaknummer C/10/724940 / JE RK 26-1623

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25 september 2026
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/724940 / JE RK 26-1623
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing - afgewezen.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

wijst de verzoeken van de vader af;

7.2.

verklaart de moeder niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.[_92dcf112-1f67-4492-b59d-fb23e5958555]

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 Het standpunt van de moeder
  5. 5 Het standpunt van de GI
  6. 6 De beoordeling
  7. 7 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/724940 / JE RK 26-1623

Datum uitspraak: 28 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing

in de zaak van

[naam vader],

hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats],

gemachtigde: [gemachtigde] uit [locatie].

over

[minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende in op een bij de rechtbank onbekend adres,

advocaat: mr. J. Breeveld, kantoorhoudende in Amsterdam,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de vader van 14 augustus 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de vader van 4 september 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het bericht met aankondiging extra bijlage van de vader, ontvangen op 8 september 2026;
  • het verweerschrift met bijlagen van de moeder van 10 september 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • de pleitnota van de vader, overhandigd ter zitting.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 11 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader met zijn gemachtigde;
  • de moeder (digitaal) met haar advocaat;

- twee vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2].

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij oma vz.

2.3.

Bij beschikking van 4 augustus 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 11 februari 2027. Bij die beschikking is ook de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 11 februari 2027.

2.4.

De GI heeft op 3 augustus 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [minderjarige].

3 Het verzoek

3.1.

De vader verzoekt de schriftelijke aanwijzing van de GI primair gedeeltelijk vervallen te verklaren, subsidiair geheel vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daarnaast heeft de vader verzocht de schriftelijke aanwijzing te schorsen.

3.2.

Door en namens de vader wordt het verzoek gehandhaafd. De vader begrijpt niet waarom de schriftelijke aanwijzing in detail verplichtingen oplegt om resultaat te garanderen. Er moet worden gekeken naar de signalen die [minderjarige] afgeeft. Bovendien mist de vader een duidelijk evaluatiekader om te beoordelen of de voorgestelde maatregelen resultaat opleveren. De vader herkent zich niet in hetgeen de moeder zegt over het structureel of stelselmatig belemmeren van het contact. Bovendien heeft de vader geen stappen ondernomen om [minderjarige] met de kinderrechter te laten spreken. De rechtbank heeft zelf een brief gestuurd met de uitnodiging voor een gesprek. [minderjarige] heeft vervolgens zelf aangeven dat hij hier gebruik van wil maken.

4 Het standpunt van de moeder

4.1.

Door en namens de moeder wordt verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader. De GI heeft de schriftelijke aanwijzing niet zomaar zo gedetailleerd opgesteld; dit is nodig omdat de vader tot in detail bezwaar maakt. De GI probeert hiermee helder, compleet en allesomvattend vast te leggen wat nodig is voor een goed contact tussen [minderjarige] en de moeder. Op dit moment is er geen vaste jeugdbeschermer en is zo’n gedetailleerde schriftelijke aanwijzing extra belangrijk. Een vervallenverklaring leidt slechts tot nieuwe discussies. Mocht een specifiek punt onuitvoerbaar blijken, dan kan de GI dit altijd nog aanpassen. De moeder verzoekt – voor zover de GI dit niet zelf verzoekt – de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en hieraan een dwangsom te verbinden. Zonder dwangsom blijft de vader van de afspraken afwijken.

5 Het standpunt van de GI

5.1.

De GI voert verweer tegen het verzoek van de vader. De lengte van de schriftelijke aanwijzing toont aan dat de ouders over het minste en geringste strijd voeren. Het lukt de ouders niet om uit de strijd te komen. De schriftelijke aanwijzing geldt dan ook voor beide ouders. Hoewel zo’n gedetailleerde aanwijzing normaal gesproken niet de voorkeur heeft, is dit in het belang van [minderjarige]. De GI acht een bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing en het opleggen van een dwangsom niet in het belang van [minderjarige]. Dit zorgt voor meer spanningen tussen de ouders. De GI roept beide ouders op om in het belang van [minderjarige] te denken en handelen.

6 De beoordeling

Wettelijk kader

6.1.

Ingevolge artikel 1:263, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de GI ter uitvoering van haar taak een schriftelijke aanwijzing geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Zij kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

6.2.

Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel volgen de met het gezag belaste ouders of ouder en de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op.

6.3.

Ingevolge artikel 1:264, eerste lid BW kan de met het gezag belaste ouder de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het derde lid bepaalt dat de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek twee weken bedraagt en die termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.

6.4.

Een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). In het kader hiervan dient de kinderrechter, aan de hand van het bepaalde in hoofdstuk 3 en 4 Awb, te beoordelen of bij de besluitvorming door de GI de algemene voorschriften over zorgvuldigheid, evenredigheid en een deugdelijke motivering in acht zijn genomen. De schriftelijke aanwijzing dient het doel van de ondertoezichtstelling te dienen en in het belang van de minderjarige te worden geacht.

Ontvankelijkheid

6.5.

De kinderrechter constateert dat het verzoek tijdig is ontvangen en zal de vader derhalve ontvangen in haar verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

6.6.

De kinderrechter overweegt het volgende. Uit het hiervoor weergegeven toetsingskader volgt dat de kinderrechter enige terughoudendheid past bij de beoordeling van de schriftelijke aanwijzing. Aan de GI komt, zolang de hiervoor onder 6.4 genoemde beginselen in acht worden genomen, een ruime mate van vrijheid toe bij het opstellen van schriftelijke aanwijzingen. De gedetailleerde verzoeken van de vader ten aanzien van de (gedeeltelijke) vervallenverklaring van verschillende onderdelen van de schriftelijke aanwijzing zijn lastig te verenigen met deze marginale toets.

6.7.

Tussen alle betrokkenen is niet in geschil dat de omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] moeizaam verlopen. Naast de fundamentele vraag waar [minderjarige] moet opgroeien is het verbeteren van de omgang tussen [minderjarige] en de moeder dan ook het belangrijkste doel van de ondertoezichtstelling. Alhoewel alle betrokkenen het belangrijk vinden dat de omgangsmomenten plezierig en ontspannen verlopen, verschillen zij van inzicht over de oorzaak van de problemen en de wijze waarop deze moet worden opgelost. Daarmee dient de schriftelijke aanwijzing, waarin zeer gedetailleerd is opgenomen wat er van wie wordt verwacht ten aanzien van de omgang, het doel van de ondertoezichtstelling.

6.8.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat de GI gelet op het ontbreken van verbetering in de situatie tot de schriftelijke aanwijzing kon komen, om zo voor alle betrokkenen duidelijk te maken wat er van eenieder wordt verwacht. Zij is bij het opstellen daarvan bovendien zorgvuldig te werk gegaan. Zo is de noodzaak van de schriftelijke aanwijzing daarin uitgebreid gemotiveerd en heeft zij eerst een vooraankondiging naar de ouders gestuurd. De zienswijze van de vader heeft vervolgens ook geleid tot meerdere inhoudelijke aanpassingen van de schriftelijke aanwijzing.

6.9.

De enkele omstandigheid dat niet ieder onderdeel van de schriftelijke aanwijzing steeds precies uitvoerbaar is, is op zichzelf geen reden deze vervallen te verklaren. De GI brengt daarmee tot uiting dat het aan de ouders is om zich maximaal in te spannen voor de omgang, en wat daarvoor de kaders zijn. Het is dan ook te betreuren dat de schriftelijke aanwijzing niet het beoogde doel heeft gehad, maar juist heeft geleid tot veel discussies over de precieze inhoud daarvan, en vervolgens deze procedure. De kinderrechter roept alle betrokkenen op om de situatie rondom [minderjarige], die voor hem al ingewikkeld genoeg is, niet onnodig te juridiseren. Het is duidelijk dat hij last ondervindt van de huidige situatie. Het is aan alle volwassenen om [minderjarige] heen om er voor te zorgen dat de impact van de verschillen van inzicht tussen de volwassenen op hem zo klein mogelijk is.

6.10.

De kinderrechter is desondanks van oordeel dat de schriftelijke aanwijzing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Dit betekent dat verzoeken van de vader wordt afgewezen. Nu de kinderrechter een beslissing op de verzoeken neemt, heeft de vader geen belang meer bij het verzoek de schriftelijke aanwijzing te schorsen. Dit verzoek zal daarom eveneens worden afgewezen.

6.11.

Voor zover de moeder heeft verzocht de schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen en daar een dwangsom aan te verbinden, geldt dat dit verzoek op grond van 1:263 lid 3 BW is voorbehouden aan de GI. De kinderrechter zal de moeder daarom niet ontvankelijk verklaren.

7 De beslissing

De kinderrechter:

7.1.

wijst de verzoeken van de vader af;

7.2.

verklaart de moeder niet-ontvankelijk.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Loorbach, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2026, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.[_92dcf112-1f67-4492-b59d-fb23e5958555]

Voetnoten

  1. Artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.