Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 23 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14609Zaaknummer C/10/723707 / JE RK 26-1440

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/723707 / JE RK 26-1440
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling 12 maanden, aanhoudingsverzoek vader afgewezen

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 23 september 2026 tot 23 september 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mrs. A.L. Bottse en F.W. Marijnen als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/723707 / JE RK 26-1440

Datum uitspraak: 23 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedag 1] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2],

[minderjarige 3],

geboren op [geboortedag 3] 2017 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 3].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder],

wonende in [plaats], hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Kocak, kantoorhoudende in Rotterdam,

[vader],

wonende in [plaats], hierna te noemen: de vader.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift van de Raad met bijlagen, ontvangen op 22 juli 2026;

  • het aangepaste bijzonderhedenformulier van de Raad, ontvangen op 13 augustus 2026;
  • de klacht van de vader tegen de Raad, ingediend door de Raad op 14 augustus 2026;
  • het proces-verbaal van de kinderrechter in deze rechtbank van 25 augustus 2026;
  • de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 augustus 2026, ingediend door de advocaat van de moeder op 27 augustus 2026;
  • het verzoek om aanhouding van de vader, ontvangen op 21 september 2026;
  • aanvullende stukken van de vader, ontvangen op 21 september 2026;
  • het vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2026, ingediend door de advocaat van de moeder op 21 september 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad].

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de Jeugdbescherming) was niet aanwezig bij de zitting. De kinderrechter heeft in het dossier gezien dat de jeugdbescherming wel juist is opgeroepen.

1.3.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] uitgenodigd voor een kindgesprek. [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Dit betekent dat de ouders de belangrijke beslissingen over [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] gezamenlijk nemen.

2.2.

[minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven bij hun moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Dit betekent dat de Raad vraagt om de jeugdbescherming voor een periode van een jaar bij [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] te betrekken.

3.2.

De Raad verzoekt ook om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

3.3.

De Raad heeft schriftelijk ook verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de moeder met gezag voor de duur van drie maanden. Tijdens de zitting heeft de Raad dit verzoek ingetrokken. Bij het kort geding van 17 september 2026 heeft de rechtbank besloten dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig aan de moeder worden toevertrouwd. Dat wil zeggen dat [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voorlopig bij hun moeder verblijven. Nu de rechtbank dit heeft besloten, is geen machtiging tot uithuisplaatsing meer nodig.

3.4.

De Raad blijft tijdens de zitting bij het verzoek om de jeugdbescherming bij de kinderen te betrekken en legt verder uit waarom dit verzoek is gedaan. Tijdens de zitting wordt nog duidelijker waarom een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. De kinderen zitten enorm klem in de strijd tussen de ouders. Er is regie nodig om de juiste hulpverlening voor de kinderen in te zetten en aandacht te besteden aan contactherstel tussen de kinderen en hun vader.

4 De standpunten

4.1.

De moeder vertelt tijdens de zitting, samen met haar advocaat, wat zij van het verzoek van de Raad vindt. De moeder vindt het niet erg als de kinderen onder toezicht worden gesteld. Zij ziet dat de kinderen op dit moment ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. De vader belastte de kinderen met volwassenproblematiek waardoor er verdeeldheid tussen hen ontstond. Ondertussen ziet de moeder dat het beter gaat met de kinderen en dat zij meer stabiliteit ervaren. De moeder ziet ook dat de kinderen behoefte hebben aan contact met de vader en dit gunt zij hen ook. De moeder vindt het wel belangrijk dat dit contact onder begeleiding plaatsvindt en dat er veiligheidsafspraken worden gemaakt. De jeugdbescherming is nodig om de regie te voeren. De moeder staat open voor hulpverlening en heeft het beste met de kinderen voor. Cultuursensitieve hulpverlening, bijvoorbeeld vanuit Inara Jeugdhulp, zou voor dit gezin passend zijn.

4.2.

De vader heeft tijdens de zitting het volgende naar voren gebracht. De vader is het niet eens met de inhoud van het rapport van de Raad en de wijze waarop de Raad hem behandeld. Er staan volgens de vader situaties in het rapport beschreven die niet zijn gebeurd. De vader heeft het gevoel dat er met een dubbele maat wordt gemeten en alleen hij wordt benadeeld. De vader heeft een klacht ingediend tegen de Raad. Het is belangrijk voor de kinderen om hun vader bij zich te hebben en dat hebben zij niet. Het is voor de vader onduidelijk op basis waarvan hij zijn kinderen een maand lang niet mag zien. De vader heeft bewijzen waaruit volgt dat de kinderen het niet zo goed hebben bij de moeder als de Raad doet voorkomen. De vader heeft niet vertelt wat hij vindt van het verzoek van de Raad om de kinderen onder toezicht te stellen, ondanks dat hem daar wel naar is gevraagd. De vader heeft ook verzocht om aanhouding van de zaak, omdat hij een advocaat wil inschakelen om zijn belangen te behartigen.

5 De beoordeling

Het aanhoudingsverzoek van de vader

5.1.

De vader heeft verzocht om aanhouding van de zaak, omdat zijn advocaat zich op 18 september 2026 heeft onttrokken vanwege een verschil van inzicht over het indienen van stukken in reactie op het rapport van de Raad. De moeder en de Raad hebben zich verzet tegen aanhouding van de zaak.

5.2.

In beginsel heeft de vader het recht om in de onderhavige procedure bijgestaan te worden door een advocaat, hoewel dat niet verplicht is. Wel dient afgewogen te worden of de behandeling van de zaak hiermee niet onnodig wordt vertraagd en of het belang van de vader om bijgestaan te worden daartegen opweegt. De kinderrechter wijst het aanhoudingsverzoek van de vader af. Zij legt hierna uit waarom.

5.3.

De toegewezen advocaat[_a4137bac-ba87-460e-b224-87dbbc1074be] van de vader heeft zich op 18 september 2026 onttrokken aan de zaak vanwege een vertrouwensbreuk. De vader heeft in de dagen daarna geen inspanningen verricht om een nieuwe advocaat te vinden die hem op de zitting van 23 september 2026 bij zou kunnen staan. De kinderrechter stelt verder vast dat de vader de stukken die hij via zijn advocaat wilde indienen, zelf heeft ingediend bij de rechtbank op 21 september 2026. Het indienen van deze stukken is, ondanks de korte termijn voorafgaand aan de zitting, toegelaten. Het belang van de vader om de zaak opnieuw aan te houden, weegt daarom niet op tegen het belang van de Raad, de moeder en de kinderen om de zaak nu te behandelen. Daarbij weegt de kinderrechter ook mee dat de zaak eerder op de zitting van 25 augustus 2026 is aangehouden omdat de vader niet aanwezig was, ondanks dat hij daartoe wel juist was opgeroepen en dat het verzoek tot een machtiging tot uithuisplaatsing, waardoor de vader recht had op een toegewezen advocaat, inmiddels is ingetrokken door de Raad. Het is ter zitting niet duidelijk geworden of de vader zelf een eigen advocaat in de arm zou willen nemen. Er wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de zaak.

De ondertoezichtstelling

5.4.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_c7ed6299-91b2-406f-b586-fa9b43ded102] De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

5.5.

Uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat de ontwikkeling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ernstig wordt bedreigd. De kinderen hebben op jonge leeftijd al veel onrust en verandering meegemaakt. Zij zijn geboren in Saoedi-Arabië, vervolgens met hun moeder naar Turkije verhuisd en in 2023 met hun moeder bij de vader in Nederland gaan wonen. In april 2025 zijn de ouders uit elkaar gegaan en volgde een periode waarin de ouders afwisselend in de woning verbleven met de kinderen. [minderjarige 2] verblijft sinds november 2025 volledig bij de moeder. Sinds 17 september 2026 verblijven ook [minderjarige 1] en [minderjarige 3] volledig bij de moeder nadat zij in kort geding voorlopig aan de moeder zijn toevertrouwd. De relatie tussen de ouders verloopt moeizaam en er is veel spanning. Het lukt de ouders niet om op een normale manier met elkaar te overleggen over de kinderen. Daarnaast zijn de kinderen in de thuissituatie getuige geweest van huiselijk geweld en worden zij belast met de problemen tussen de ouders. Hierdoor zitten de kinderen in een loyaliteitsconflict: zij zitten klem tussen de ouders en kunnen het gevoel hebben dat zij voor één van hun ouders moeten kiezen. Dit is niet goed voor hun ontwikkeling. Het is belangrijk voor de kinderen dat zij de ruimte voelen om het leuk te hebben met allebei hun ouders. Op dit moment hebben de kinderen helemaal geen contact met hun vader. Het is belangrijk voor de kinderen dat er de komende periode iets verandert en er hulpverlening komt. Nu de vader niet wil meewerken met de hulpverlening en de ouders niet met elkaar overleggen, is de verwachting dat het hen niet lukt om de noodzakelijke hulpverlening zelf in te zetten. Daarom is de betrokkenheid van de jeugdbescherming nodig om de ouders hierbij te helpen en ondersteunen. Onder begeleiding van de jeugdbescherming moet aandacht worden besteed aan het herstellen van het contact tussen de vader en de kinderen. Het belang van de kinderen is hierin leidend. Verder moet er zicht komen op de opvoedsituatie(s) van de kinderen en moet opvoedondersteuning worden ingezet waar nodig. De ouders hebben hulp nodig om te gaan communiceren in het belang van hun kinderen. Daarnaast moet de jeugdbescherming uitzoeken welke individuele hulpverlening de kinderen nodig hebben om dingen die zij in het verleden hebben meegemaakt te verwerken en zich verder goed te ontwikkelen. Een cultuursensitieve aanpak is bij dit alles nodig.

5.6.

De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht voor een periode van een jaar. Dit betekent dat de jeugdbescherming voor een periode van een jaar bij hen betrokken zal zijn.

5.7.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de jeugdbescherming direct bij de kinderen betrokken raakt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

Het ingetrokken verzoek van de Raad voor een machtiging tot uithuisplaatsing

5.8.

Als een verzoek wordt ingetrokken, kan de kinderrechter het verzoek niet meer inhoudelijk onderzoeken en beoordelen. De kinderrechter moet een verzoek in zo een situatie afwijzen en zal dat daarom ook doen.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 23 september 2026 tot 23 september 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. R. van den Wildenberg, kinderrechter, in aanwezigheid van mrs. A.L. Bottse en F.W. Marijnen als griffier, en op schrift gesteld op 5 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. De vader heeft een advocaat toegewezen gekregen in het kader van de Pilot kosteloze rechtsbijstand voor ouders die te maken krijgen met een gezagsbeëindigende maatregel of een uithuisplaatsing (hierna: de pilot).
  2. Artikel 1:255 BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.