Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Rotterdam, 23 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14596Zaaknummer C/10/725253 / JE RK 26-1660

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23 september 2026
Publicatiedatum
27 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/725253 / JE RK 26-1660
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Beschikking
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling wegens zorgen over de opvoedsituatie bij de moeder. Plotseling contactbreuk tussen de vader en de kinderen. Vrijwillig kader is ontoereikend.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 23 september 2026 tot 23 maart 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot 1 maart 2027 pro forma;

6.4.

bepaalt dat de Raad, GI, de moeder en de vader op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

6.5.

verzoekt de Raad om uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter de verzochte rapportage (met afschrift aan de belanghebbenden) te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 2 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Locatie Rotterdam

Zaaknummer: C/10/725253 / JE RK 26-1660

Datum uitspraak: 23 september 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam,

over

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedag] 2019 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats 1],

advocaat: mr. N. Schiettekatte, kantoorhoudende in Rotterdam,

[vader],

hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats 2],

advocaat: mr. T.C. Cooman, kantoorhoudende in Midden-Nederland.

de kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West Dordrecht,

hierna te noemen: de GI, gevestigd te Dordrecht.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 21 augustus 2026, ontvangen op diezelfde datum;
  • het verweerschrift van de advocaat van de moeder, ontvangen op 17 september 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de moeder met haar advocaat;
  • de vader met zijn advocaat;
  • een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger van de raad];
  • een vertegenwoordiger van de GI, [vertegenwoordiger van de GI].

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

2.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.

De Raad handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er zijn flinke zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de opvoedsituatie bij de moeder. De Raad is bezorgd dat de kinderen worden bedreigd in hun veiligheid, emotionele en seksuele ontwikkeling. De moeder heeft beperkt inzicht in de behoeften van de kinderen en hoe zij daarbij aan kan sluiten. Daarnaast is er een plotselinge contactbreuk tussen de kinderen en de vader. Dit als gevolg van zorgen van de moeder over de opvoedingsomgeving bij de vader thuis. De vader heeft altijd een actieve rol vervuld in het leven van de kinderen en er was een omgangsregeling. Het is voor de kinderen onvoldoende duidelijk waarom zij niet meer naar hun vader kunnen en mogen gaan. De hulpverlening in het vrijwillig kader komt niet van de grond. De moeder toont weinig betrokkenheid bij de voormalige school van de kinderen, zegt afspraken met het sociaal wijkteam af of komt niet opdagen. Ook heeft zij de Raad en de vader niet op de hoogte gesteld van het feit dat zij plotsklaps de kinderen heeft ingeschreven op een andere school. Tijdens het raadsonderzoek zijn er veiligheidsafspraken gemaakt waar de moeder zich niet aan heeft gehouden. De moeder herkent de zorgen rondom haar opvoedershandelen niet. Volgens Families First (Enver) lijkt de basiszorg vanuit de moeder weliswaar in orde, maar de Raad maakt zich er zorgen over of de moeder gewenst opvoedgedrag laat zien wanneer er professionals bij zijn. Er is een jeugdbeschermer nodig die actief regie voert over de in te zetten hulpverlening.

4 De standpunten

4.1.

De GI ondersteunt het verzoek van de Raad. Op dit moment is er nog geen jeugdbeschermer direct beschikbaar. Het gezin zal op de zogeheten monitorlijst worden geplaatst als er sprake is van een ondertoezichtstelling. In de tussentijd is het van belang dat er stappen worden gezet, met name ten aanzien van het contactherstel tussen de kinderen en de vader. Daarnaast dient er actief regie te worden gevoerd om passende hulpverlening in te zetten en meer zicht te krijgen op de opvoedsituatie bij de moeder.

4.2.

Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verzocht het verzoek af te wijzen. Er is onvoldoende onderbouwd waarom een ondertoezichtstelling nodig is. De moeder erkent dat de contactbreuk zorgelijk is, maar zij heeft dit gedaan om de veiligheid en stabiliteit voor de kinderen uit voorzorg te bewaken. De moeder is het ermee eens dat dit contact hersteld dient te worden, mits de veiligheidszorgen over de opvoedsituatie bij de vader zorgvuldig worden onderzocht. Bovendien merkt de moeder op dat blijkens haar informatie, door haar verkregen via myheritage, de vader niet de verwekker van de kinderen is.

4.3.

De andere zorgen die de Raad zowel in het raadsonderzoek als tijdens de mondelinge behandeling benoemt, worden onvoldoende geobjectiveerd. Dit vermeldt de Raad ook zelf. Daarnaast wordt er onvoldoende onderbouwd waarom, indien er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, deze niet kan worden weggenomen binnen het vrijwillig kader. De moeder heeft haar medewerking verleend aan Families First (Enver) en hier is ook een positief verslag over teruggekoppeld aan de Raad. Ook staat de moeder open voor verdere vrijwillige hulpverlening. Het is onvoldoende naar voren gebracht wat het gedwongen kader van de ondertoezichtstelling zal bijdragen. Subsidiair wordt verzocht de ondertoezichtstelling voor zes maanden uit te spreken en het overige deel aan te houden zodat er een vinger aan de pols wordt gehouden.

4.4.

Door en namens de vader wordt tijdens de mondelinge behandeling het volgende naar voren gebracht. Hoewel de reden verdrietig is, acht de vader de betrokkenheid van de GI noodzakelijk. De vader mist de kinderen enorm. Hetgeen de vader ter zitting verneemt omtrent het niet zijn van verwekker van de kinderen schokt hem, het is voor hem nieuwe informatie. De vader gunt de kinderen een liefdevolle moeder die de ruimte en ondersteuning krijgt, maar ook een betrokken vader. Er dient regie te worden gevoerd over het contactherstel met de kinderen, nu hij ervaart dat het vrijwillig kader ontoereikend is. Het is daarnaast belangrijk dat de GI zijn verantwoordelijkheid neemt en er passende hulpverlening wordt ingezet. De vader is bereid mee te werken in alles wat in het belang is van de kinderen.

5 De beoordeling

5.1.

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn op dit moment zes jaar oud en bevinden zich in een cruciale fase van hun identiteitsontwikkeling. In het belang van die identiteitsontwikkeling hebben zij bijvoorbeeld recht op kennis van wie zij afstammen. Voor de kinderen is de vader, ook desgevraagd ter zitting door de kinderrechter, hun papa. Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom van belang dat het contact met de vader, voor zover uitvoerbaar en niet strijdig met hun belang, wordt hersteld en behouden. Ook met het plotseling wisselen van school, zeer kort na de vakantie, is een belangrijke en vertrouwde plek weggevallen waar [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dagelijks in hun ontwikkeling werden gestimuleerd. School is voor kinderen van de leeftijd van beide meiden een eigen plek, waar zij zich gaandeweg steeds zelfstandiger (kunnen) gaan ontwikkelen. Zonder duidelijke reden abrupt op een andere school geplaatst worden is niet in hun belang. Daarnaast bestaan er zorgen over de opvoed- en thuissituatie bij de moeder. Zo hebben Veilig Thuis, de school en de betrokken hulpverlening signalen van emotionele verwaarlozing afgegeven. Er zijn zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en haar inzicht om in de behoeften van de kinderen te voorzien.

5.2.

Voormelde ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, ook omdat er momenteel geen contact is tussen de vader en de moeder. Het lukt de moeder niet om de nodige stappen te zetten in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en te profiteren en continueren van de hulpverlening in het vrijwillig kader. De betrokkenheid van de GI is daarom noodzakelijk. De komende periode dient de GI regie te voeren over de in te zetten hulpverlening en om contactherstel te (doen) realiseren tussen de kinderen en de vader.

5.3.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[_5666677a-8792-4c08-b97b-da1593e143d3] De kinderrechter ziet wel aanleiding om de ondertoezichtstelling voor een kortere duur toe te wijzen dan door de Raad is verzocht, om op die manier een vinger aan de pols te kunnen houden. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] daarom onder toezicht voor de duur van zes maanden en zal het overige verzochte aanhouden tot de hierna te noemen pro forma zittingsdatum.

5.4.

De Raad wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen pro forma datum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden) te rapporteren over de dan huidige stand van zaken en aan te geven of het resterende deel van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.

5.5.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 23 september 2026 tot 23 maart 2027;

6.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

en alvorens verder te beslissen:

6.3.

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot 1 maart 2027 pro forma;

6.4.

bepaalt dat de Raad, GI, de moeder en de vader op de genoemde pro forma datum niet ter zitting behoeven te verschijnen;

6.5.

verzoekt de Raad om uiterlijk twee weken voor de genoemde pro forma datum de kinderrechter de verzochte rapportage (met afschrift aan de belanghebbenden) te doen toekomen.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van E.G.H. Kerr als griffier, en op schrift gesteld op 2 oktober 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

  1. Artikel 1:255 BW.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.