Uitspraak · Burgerlijk procesrecht
Rechtbank Rotterdam, 14 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14497Zaaknummer C/10/717452 / HA ZA 26-298
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 14 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 23 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/717452 / HA ZA 26-298
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Burgerlijk procesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vrijwaringsincident. Vordering toegewezen want voldoende gesteld. De gevoerde verweren zien op de inhoudelijke beoordeling, die komen aan de orde in de vrijwaringsprocedure in de hoofdzaak.
De rechtbank
in het incident
staat toe dat
- de heer [persoon A] (toenmalig CEO / bestuurder [naam onderneming] );
- de heer [persoon B] (toenmalig CFO / bestuurder [naam onderneming] );
- de heer [persoon C] (toenmalig voorzitter RvC [naam onderneming] );
- mevrouw [persoon D] (toenmalig lid RvC [naam onderneming] ); en
- de heer [persoon E] (toenmalig vicevoorzitter RvC [naam onderneming])
door [naam accountantskantoor] en de Accountant worden gedagvaard tegen de rolzitting van 25 november 2026,
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.3533 / 2459
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel & haven
Zaaknummer: C/10/717452 / HA ZA 26-298
Vonnis in incident van 14 oktober 2026
in de zaak van
[naam curator 1] EN [naam curator 2],
te [plaats 1] respectievelijk [plaats 2],
eisende partijen in de hoofdzaak,
verwerende partijen in het incident,
hierna te noemen: de Curatoren,
advocaat: mr. R.H. Bask,
tegen
1. de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk
[naam accountantskantoor],
te [plaats 3] ,2. [naam accountant],
te [plaats 4],
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [naam accountantskantoor] en de Accountant,
advocaat: mr. J.F. Garvelink.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 13 maart 2026, met producties 1 t/m 32;
- de conclusie van antwoord en incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met producties 1 t/m 17;
- de conclusie van antwoord in het incident.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2 De hoofdzaak in het kort
De Curatoren zijn in 2014 aangesteld in het faillissement van het [naam onderneming] -concern. Zij stellen in de hoofdzaak dat [naam accountantskantoor] als controlerend accountant, alsook de Accountant als feitelijk uitvoerder, ernstig zijn tekortgeschoten jegens [naam onderneming] bij het controleren van de jaarrekeningen van 2012 en 2013. Volgens hen bevatten die jaarrekeningen onjuiste en misleidende informatie over de financiële positie van [naam onderneming] en hebben [naam accountantskantoor] en de Accountant zich onvoldoende ingespannen om de cijfers te controleren. De Curatoren vorderen, verkort weergegeven, verklaringen voor recht dat [naam accountantskantoor] tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen en dat de Accountant onrechtmatig heeft gehandeld jegens [naam onderneming], en daarnaast (terug)betaling van door [naam onderneming] aan [naam accountantskantoor] betaalde facturen ten bedrage van € 378.730,00, alsmede een vergoeding voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ten bedrage van € 466.294,96.
[naam accountantskantoor] en de Accountant voeren als verweer, verkort weergegeven, primair aan dat de vorderingen van de Curatoren zijn verjaard dan wel vervallen, en subsidiair dat zij op materiële gronden niet aansprakelijk zijn voor de gestelde schade. Zij concluderen in de hoofdzaak tot afwijzing van de vorderingen van de Curatoren.
3 Het geschil in het incident
[naam accountantskantoor] en de Accountant vorderen toestemming om in vrijwaring op te roepen:
- de heer [persoon A] (toenmalig CEO / bestuurder [naam onderneming] );
- de heer [persoon B] (toenmalig CFO / bestuurder [naam onderneming] );
- de heer [persoon C] (toenmalig voorzitter RvC [naam onderneming] );
- mevrouw [persoon D] (toenmalig lid RvC [naam onderneming] ); en
- de heer [persoon E] (toenmalig vicevoorzitter RvC [naam onderneming] ).
[naam accountantskantoor] en de Accountant leggen hieraan het volgende ten grondslag. Volgens hen ligt de primaire verantwoordelijkheid voor het voeren van een deugdelijke administratie en het vervolgens opstellen van, toezichthouden op en goedkeuren van de jaarrekening bij de Raad van Bestuur (hierna: RvB) en de Raad van Commissarissen (hierna: RvC) van [naam onderneming]. RvB en RvC zijn er jegens de accountant bovendien voor verantwoordelijk deze tijdig van de juiste informatie te voorzien. Indien en voor zover de jaarrekeningen informatie zouden bevatten die afwijkt van de werkelijkheid, of indien [naam accountantskantoor] en de Accountant onjuist of onvolledig zouden zijn geïnformeerd, rust de verantwoordelijkheid daarvoor in de eerste plaats bij de leden van de RvB en de RvC. [naam accountantskantoor] en de Accountant wijzen ter illustratie op de bepaling in de toepasselijke algemene voorwaarden van [naam accountantskantoor] dat de opdrachtgever (die handelt bij monde van haar RvB en RvC) [naam accountantskantoor] vrijwaart voor vorderingen van derden inzake schade. De door Curatoren gevorderde bedragen houden rechtstreeks verband met het handelen en nalaten van de RvB en de RvC, aldus nog steeds [naam accountantskantoor] en de Accountant.
De Curatoren hebben verweer gevoerd. Zij stellen zich op het standpunt dat de verantwoordelijkheid voor de controle van de jaarrekening wel degelijk uitsluitend bij [naam accountantskantoor] en de Accountant rust. Het is juist de bedoeling dat een controlerend accountant gebreken in de verslaglegging opmerkt. De verwijten betreffen zelfstandige beroepsfouten van [naam accountantskantoor] en de Accountant. Verder voeren de Curatoren aan dat geen sprake is van bestuurders- en commissarissenaansprakelijkheid, dat niet is gebleken van een regresvordering op de leden van de RvB en RvC, dat de door [naam accountantskantoor] en de Accountant genoemde bepaling in de algemene voorwaarden niet als vorderingsgrondslag kan dienen, en dat de eventuele vordering op de in vrijwaring op te roepen personen is verjaard. Ten slotte betwisten zij de gevorderde schadeomvang onder verwijzing naar de omstandigheid dat zij 50% van de onderzoekskosten van PwC als schade hebben opgevoerd als gevolg van het feit dat niet het hele rapport ziet op het handelen van [naam accountantskantoor] en de Accountant.
4 De beoordeling in het incident
Het verzoek om de beslissing in incident aan te houden wordt afgewezen
De Curatoren hebben, naast hun verweer, verzocht om de behandeling van en de beslissing op de incidentele vordering vanwege proceseconomische redenen aan te houden totdat in de hoofdzaak is beslist, althans totdat op het door [naam accountantskantoor] en de Accountant gevoerde verjaringsverweer is beslist. Zij voeren daartoe aan dat daarmee kan worden voorkomen dat de in vrijwaring op te roepen personen worden belast met een procedure die uiteindelijk geen grond blijkt te hebben.
De rechtbank wijst dit verzoek af. Een incident tot oproeping in vrijwaring dient vóór alle weren te worden ingesteld (artikel 210 Rv). Dat brengt mee dat in beginsel eerst en vooraf op deze incidentele vordering wordt beslist (artikel 209 Rv). Daarop zijn weliswaar uitzonderingen mogelijk, maar het door de Curatoren genoemde risico voor de in vrijwaring op te roepen personen om, achteraf bezien, onnodig met een procedure te worden belast, is van onvoldoende gewicht om tot een dergelijke uitzondering te komen. Bovendien is het idee van een vrijwaringsprocedure dat die gaat lopen naast, maar in beginsel gevoegd met, de hoofdzaak. Indien pas na de beslissing in de hoofdzaak op de incidentele vordering wordt beslist, kan de vrijwaringsprocedure (nodeloos) separaat een nieuwe looptijd in gang zetten. Het is dus juist om proceseconomische redenen dat eerst en vooraf in het vrijwaringsincident wordt beslist.
De vrijwaringsvordering wordt toegewezen
Op grond van artikel 210 Rv kan de gedaagde iemand in vrijwaring oproepen indien hij meent hiertoe gronden te hebben. Voldoende is dat de gedaagde in de hoofdzaak genoegzaam stelt dat tussen hem en de derde een rechtsverhouding bestaat krachtens welke die derde verplicht is de nadelige gevolgen van een veroordeling van gedaagde in de hoofdzaak te dragen. Daarbij behoeft het bestaan van die rechtsverhouding in het vrijwaringsincident als zodanig nog niet komen vast te staan.
[naam accountantskantoor] en de Accountant hebben voldoende gesteld en onderbouwd dat tussen hen en de op te roepen voormalige leden van de RvB en RvC van [naam onderneming] van bovengenoemde rechtsverhouding sprake kan zijn. Als immers komt vast te staan dat die leden van de RvB en RvC in strijd met hun verplichtingen [naam accountantskantoor] en de Accountant (bewust) onjuist hebben geïnformeerd, zoals [naam accountantskantoor] en de Accountant stellen, dan kan dat betekenen dat zij op basis daarvan (mede) aansprakelijk zijn voor de schade die de Curatoren in de hoofdzaak vorderen van [naam accountantskantoor] en de Accountant.
De verweren van de Curatoren zien op de inhoudelijke beoordeling van de vordering jegens de in vrijwaring op te roepen personen. Als gezegd hoeft het bestaan van de door [naam accountantskantoor] en de Accountant gestelde rechtsverhouding voor toewijzing van de vordering in incident niet vast te staan. Voor de beoordeling in incident zijn de verweren van de Curatoren dus (nog) niet relevant; zij leiden althans niet tot de vaststelling dat géén sprake is van bovengenoemde rechtsverhouding. De inhoudelijke verweren van de Curatoren komen dus (pas) aan de orde in de vrijwaringsprocedure in de hoofdzaak.
Overigens verwijzen de Curatoren nog naar een andere procedure waarin [naam accountantskantoor] om vergelijkbare redenen leden van de RvB van [naam onderneming] in vrijwaring heeft willen oproepen. Volgens de Curatoren is het vrijwaringsverzoek in die zaak afgewezen. Uit het vonnis in die zaak (ECLI:NL:RBOVE:2022:376) volgt echter dat de vordering jegens de in vrijwaring opgeroepen personen is afgewezen omdat de hoofdvordering jegens [naam accountantskantoor] werd afgewezen. Dit duidt erop dat daaraan voorafgaand een vrijwaringsverzoek is toegewezen, zoals ook door [naam accountantskantoor] en de Accountant is aangevoerd.
[naam accountantskantoor] en de Accountant wordt aldus toegestaan om de door hen genoemde personen in vrijwaring op te roepen tegen de in de beslissing vermelde roldatum. De rechtbank zal de beslissing over de kosten van het incident aanhouden, totdat in de hoofdzaak zal worden beslist.
5 In de hoofdzaak
De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 25 november 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure.
6 De beslissing
De rechtbank
in het incident
staat toe dat
- de heer [persoon A] (toenmalig CEO / bestuurder [naam onderneming] );
- de heer [persoon B] (toenmalig CFO / bestuurder [naam onderneming] );
- de heer [persoon C] (toenmalig voorzitter RvC [naam onderneming] );
- mevrouw [persoon D] (toenmalig lid RvC [naam onderneming] ); en
- de heer [persoon E] (toenmalig vicevoorzitter RvC [naam onderneming])
door [naam accountantskantoor] en de Accountant worden gedagvaard tegen de rolzitting van 25 november 2026,
houdt de beslissing over de kosten van het incident aan,
in de hoofdzaak
verwijst de zaak naar de rol van 25 november 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.L. Spierings. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.3533 / 2459
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.