Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Rotterdam, 2 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14323Zaaknummer C/10/722330 / HA ZA 26-561 (incident)

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
2 september 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/722330 / HA ZA 26-561 (incident)
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Erfrecht. Incident. Bankafschriften. Artikelen 194 en 195 Rv. Beslissing aangehouden, omdat de beantwoording van de vraag of eisers een voldoende belang hebben afhangt van de vorderingen in de hoofdzaak.

De rechtbank

in het incident

3.1.

houdt iedere beslissing aan totdat is beslist op de daarvoor relevante vorderingen van [eisers] in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

3.2.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden];

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. 3120

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling in het incident
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/722330 / HA ZA 26-561

Vonnis in incident van 2 september 2026

in de zaak van

1 [eiser 1],

wonende te [woonplaats 1] Vith (België),2. [eiseres 1],

wonende te [woonplaats 2] (Frankrijk), 3. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 3] ,4. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 4] ,5. [eiseres 2],

wonende te [woonplaats 5],

eisers in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat: mr. dr. G.T.J. Hoff,

tegen

1. [gedaagde 1], in de hoedanigheid van vereffenaar en erfgenaam in de nalatenschap van [erflaatster] en in persoon,

wonende te [woonplaats 6] ,2. [gedaagde 2], in de hoedanigheid van vereffenaar en erfgenaam in de nalatenschap van [erflaatster] en in persoon,

wonende te [woonplaats 7],

gedaagden in de hoofdzaak en in het incident,

advocaat: mr. C. Vrieling.

Partijen worden hierna ‘ [eisers] ’ en ‘ [gedaagden] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 juni 2026;

- de akte overlegging producties van [eisers], met twintig producties;

- de conclusie van antwoord in het incident, met drie producties.

2 De beoordeling in het incident

Wat is er gebeurd?

2.1.

Op [datum 1] is in [plaats] overleden [erflater] (hierna: erflater), geboren op [geboortedatum 1] 1952 in [plaats]. [eisers] zijn de broers en zussen van erflater. Erflater heeft in zijn testament zijn partner [erflaatster] (hierna: erflaatster), geboren op [geboortedatum 2] 1960, tot zijn erfgenaam benoemd. Erflater heeft tevens in zijn testament een tweetrapsmaking opgenomen met erflaatster als bezwaarde en [eisers] als verwachters. Erflaatster was onder andere bevoegd om het vermogen van erflater geheel of ten dele te verteren.

2.2.

Erflaatster is op [datum 2] overleden in [plaats]. Door het overlijden van erflaatster komt (het restant van) de nalatenschap van erflater aan [eisers] toe.

2.3.

[gedaagden] zijn de zussen van erflaatster en tevens haar erfgenamen. Zij hebben de nalatenschap van erflaatster op 6 november 2025 beneficiair aanvaard, zodat deze door hen moet worden vereffend.

2.4.

De advocaat van [gedaagden] heeft [eisers] bij brief van 11 december 2025 bericht dat erflaatster geen positief vermogen uit de nalatenschap van erflater heeft verkregen en er geen onverteerd positief vermogen op [eisers] overgaat.

2.5.

[eisers] hebben, met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, op 5 juni 2026 conservatoir beslag gelegd op bankrekeningen van erflaatster bij de ABN Amro Bank en Rabobank.

De vordering in de hoofdzaak

2.6.

[eisers] stellen zich in de hoofdzaak, samengevat, op het standpunt dat het vermogen van erflaatster (nagenoeg) geheel afkomstig is uit de nalatenschap van erflater. Zij vorderen daarom in de hoofdzaak om:

  • voor recht te verklaren dat de op naam van erflaatster, althans de inmiddels op naam van [gedaagden] gestelde, bij ABN Amro Bank en Rabobank aangehouden tegoeden op geld- en effectenrekeningen van erflaatster volledig tot het bezwaarde vermogen horen en derhalve toebehoren aan [eisers];
  • voor recht te verklaren dat [gedaagden] – ook pro se – jegens [eisers] aansprakelijk zijn voor de schade die [eisers] lijden als gevolg van de onder meer bij brief van 11 december 2025 geuite weigering het bezwaarde vermogen, dat afkomstig is uit de nalatenschap van erflater af te geven aan [eisers];
  • [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan [eisers] van een bedrag gelijk aan de omvang van het bezwaarde vermogen ten tijde van het overlijden van erflaatster op [datum 2], vooralsnog gesteld op een bedrag van € 1.196.631,-, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [datum 2] althans vanaf 11 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;
  • [gedaagden] te veroordelen in de proceskosten, waaronder de beslagkosten;
  • het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het incident en de beoordeling daarvan

2.7.

[eisers] vorderen in het incident:

  • [gedaagden] hoofdelijk te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis in incident op hun kosten, bij ABN Amro Bank en Rabobank op te vragen de afschriften van de geld- en effectenrekeningen van erflaatster als vermeld in producties 12 en 13 bij de dagvaarding over de periode van [datum 2] tot en met 30 juni 2026 en deze vervolgens onverwijld aan [eisers] af te geven, een en ander op verbeurte van een dwangsom;
  • Althans [eisers] te machtigen op de voet van artikel 3:299 BW om de afschriften van deze geld- en effectenrekeningen van erflaatster over de onder a. genoemde periode op te vragen bij ABN Amro Bank en Rabobank;
  • [gedaagden] te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis in het incident op kosten van henzelf, bij ABN Amro Bank en Rabobank op te vragen de afschriften van geldrekeningen van erflaatster waaruit de overmakingen als vermeld op productie 20 bij de dagvaarding blijken en deze vervolgens onverwijld aan [eisers] af te geven, een en ander op verbeurte van een dwangsom;
  • [gedaagden] te veroordelen in de kosten van het incident.
2.8.

De vorderingen in incident van [eisers] komen erop neer dat zij willen dat [gedaagden] veroordeeld worden om bankafschriften aan hen af te geven. In artikel 195 lid 1 Rv in samenhang gelezen met artikel 194 Rv staan de voorwaarden waaraan een vordering tot afgifte van gegevens moet voldoen. Degene die informatie van een ander verlangt moet (i) partij zijn bij een rechtsbetrekking en (ii) de verlangde informatie moet voldoende bepaald zijn. Verder moet (iii) een partij een voldoende belang hebben bij haar informatieverzoek en moet (iv) degene van wie inzage wordt verlangd over de gevraagde informatie beschikken. Als degene die informatie van een ander verlangt aan deze voorwaarden voldoet, kan de rechter een daartoe strekkende vordering alleen afwijzen als (a) degene die over de gegevens beschikt een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 lid 2 Rv toekomt of (b) gewichtige redenen zich tegen het geven van een afschrift verzetten.

2.9.

De beantwoording van de vraag of [eisers] voldoende belang hebben bij het verkrijgen van de gevorderde bankafschriften hangt af van de beantwoording van de daarvoor relevante vorderingen in de hoofdzaak. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de beslissing op de incidentele vorderingen van [eisers] aan te houden. Dit betekent dat ook nog niet over de proceskosten van het incident wordt beslist.

Het vervolg in de hoofdzaak

2.10.

In de hoofdzaak worden [gedaagden] in de gelegenheid gesteld om een conclusie van antwoord te nemen. Daarna zal de rechtbank de hoofdzaak en het incident op zitting met partijen bespreken.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

houdt iedere beslissing aan totdat is beslist op de daarvoor relevante vorderingen van [eisers] in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

3.2.

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 14 oktober 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagden];

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2026. 3120

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.