Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Rotterdam, 14 oktober 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14306Zaaknummer C/10/721083/ HA ZA 26-505

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14 oktober 2026
Publicatiedatum
20 oktober 2026
Zaaknummer
C/10/721083/ HA ZA 26-505
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Incidentvonnis. De rechtbank staat tussentijds hoger beroep toe van de beschikking die tussen partijen is gegeven in een deelgeschilprocedure (artikel 1019cc Rv.)

De rechtbank

in het incident

3.1.

staat tussentijds hoger beroep toe van de op 8 april 2026 onder zaak- en rekestnummer C/ 10/712603/ HA RK 25-1264 gegeven beschikking in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure;

in de hoofdzaak

3.2.

verwijst de zaak in afwachting van het hoger beroep in de deelgeschilprocedure naar de parkeerrol van 7 april 2027 opdat partijen zich dan kunnen uitlaten over de stand van zaken,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. 3246/106

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling in het incident
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK Rotterdam

Zaaknummer: C/10/721083 / HA ZA 26-505

Vonnis in incident van 14 oktober 2026

in de zaak van

ACHMEA SCHADEVERZEKERING N.V.,

te Apeldoorn,

eisende partij in de hoofdzaak,

eisende partij in het incident,

hierna te noemen: Achmea,

advocaat: mr. B.M. Stroetinga,

tegen

[persoon A],

te [woonplaats], België,

gedaagde partij in de hoofdzaak,

verwerende partij in het incident,

hierna te noemen: [persoon A],

advocaat: mr. D. Tap.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met een incidentele vordering met het verzoek tot verlof voor het instellen van hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking,

- de conclusie van antwoord in het incident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1.

Achmea is het niet eens met de beschikking in deelgeschil van 8 april 2026 (hierna: de tussenbeschikking). Daarom vordert Achmea om tussentijds hoger beroep in te mogen stellen tegen deze tussenbeschikking dan wel vordert zij een eindvonnis, met veroordeling van [persoon A] in de kosten.

2.2.

Achmea legt hieraan het volgende ten grondslag. Partijen hebben een deelgeschil gevoerd met betrekking tot de vraag of tussen hen wel of geen vaststellingsovereenkomst is gesloten over de letselschade van [persoon A]. [persoon A] was in 2024 betrokken bij een verkeersongeval. Achmea heeft de aansprakelijkheid van haar verzekerde erkend. [persoon A] heeft sedert het ongeval fysieke en psychische klachten en werkt sinds het ongeval niet meer. Hij was als zelfstandig ondernemer werkzaam in de bouw. Partijen verschilden van mening of een vaststellingovereenkomst was gesloten met finale kwijting. Achmea vond van wel, [persoon A] van niet.

2.3.

De rechtbank heeft in de tussenbeschikking geoordeeld dat geen vaststellingovereenkomst is gesloten en dat door [persoon A] geen finale kwijting is verleend.

Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de vaststellingsovereenkomst strekte tot betaling van een slotuitkering € 75.000,- ter vergoeding van alle schade, maar dat het aanbod daarin niet door [persoon A] is aanvaard omdat [persoon A] aan zijn tegenaanbod om tot een eindregeling te komen als expliciete voorwaarde de (integrale) vergoeding van zijn buitengerechtelijke kosten had verbonden. Dat aanbod heeft Achmea niet aanvaard.

2.4.

Achmea is het niet eens met de tussenbeschikking in het deelgeschil dat geen sprake was van een vaststellingsovereenkomst. Volgens Achmea hadden partijen overeenstemming bereikt over de hoogte van de schade van [persoon A], en dat bedrag was betaald. Waar nog geen overeenstemming over was bereikt was de hoogte van de buitengerechtelijke kosten.

2.5.

De rechtbank stelt vast dat het verlofverzoek voor tussentijds hoger beroep tijdig is gedaan in de zin van artikel 1019 cc lid 3 sub a Rv, namelijk binnen drie maanden na de eerste roldatum. Ook heeft [persoon A] zich over dit verzoek bij zijn conclusie van antwoord in incident uitgelaten.

2.6.

In de Memorie van Toelichting bij de Wet Deelgeschilprocedure is vermeld dat aan de mogelijkheid van hoger beroep tegen een deelgeschilbeschikking behoefte kan bestaan vóórdat een eindvonnis in de bodemprocedure is gewezen indien de beschikking een cruciale kwestie betreft die in feite bepalend is voor de afloop van de zaak. Net als wanneer een dergelijke kwestie in de bodemprocedure bij tussenvonnis zou zijn behandeld, kan het doelmatig zijn wanneer partijen deze kwestie bij het gerechtshof kunnen uitprocederen, zonder dat zij gedwongen zijn om eerst de gehele bodemprocedure in eerste aanleg af te ronden (met alle kosten en vertraging door bijvoorbeeld nadere bewijslevering van dien).

2.7.

In artikel 1019cc lid 1 Rv is bepaald dat, voor zover in de deelgeschilbeschikking uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op één of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, de rechter daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze gebonden is als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure. In het onderhavige geval is in de tussenbeschikking in de deelgeschilprocedure zonder voorbehoud beslist dat tussen partijen geen vaststellingsovereenkomst is gesloten. Dit betekent dat op dit geschilpunt tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding is beslist, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.

2.8.

[persoon A] heeft geen verweer gevoerd tegen de incidentele vordering en laat de beslissing aan het oordeel van de rechtbank over.

2.9.

De incidentele vordering om tussentijds hoger beroep te mogen instellen zal worden toegewezen. Dit wordt als volgt toegelicht. De beslissing in deelgeschil brengt, in combinatie met de erkenning van aansprakelijkheid, mee, dat in deze bodemprocedure zal moeten worden vastgesteld in hoeverre de klachten/beperkingen die [persoon A] noemt veroorzaakt zijn door het ongeval en vervolgens welke schadevergoeding Achmea aan hem dient te betalen. Gelet op het debat in het deelgeschil zoals dat blijkt uit de daarin op 13 oktober 2026 gewezen eindbeschikking zullen daartoe eerst nadere medische gegevens nodig zijn en - vermoedelijk - een deskundigenbericht op medisch gebied, en mogelijk vervolgens nader debat met bewijslevering over de omvang van de schade wegens verlies aan verdienvermogen. Dit alles zal geruime tijd duren en is niet noodzakelijk als het hof van oordeel zou zijn dat er wel een vaststellingsovereenkomst is gesloten.

2.10

Omdat tussentijds hoger beroep wordt toegestaan zullen alle verdere beslissingen worden aangehouden in afwachting daarvan.

3 De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1.

staat tussentijds hoger beroep toe van de op 8 april 2026 onder zaak- en rekestnummer C/ 10/712603/ HA RK 25-1264 gegeven beschikking in de tussen partijen gevoerde deelgeschilprocedure;

in de hoofdzaak

3.2.

verwijst de zaak in afwachting van het hoger beroep in de deelgeschilprocedure naar de parkeerrol van 7 april 2027 opdat partijen zich dan kunnen uitlaten over de stand van zaken,

3.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026. 3246/106

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.