Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 23 oktober 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14300Zaaknummer 11726000 CV EXPL 25-12801
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 23 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 11726000 CV EXPL 25-12801
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Inbreuk op portretrecht. Schadevergoeding.
4 De beslissing
De kantonrechter:
vernietigt het op 19 maart 2025 onder zaaknummer 11572358 CV EXPL 25-4750 gewezen verstekvonnis tussen partijen;
veroordeelt [bedrijf] om een schadevergoeding van € 2.500,00 aan [persoon A] te betalen, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf de dag dat de dagvaarding is uitgebracht (13 februari 2025) tot aan de dag dat dit bedrag volledig betaald is;
verbiedt [bedrijf] om het portret van [persoon A] openbaar te maken in reclame voor [bedrijf] met een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [bedrijf] zich niet aan deze verplichting houdt, met een maximum van € 5.000,00;
veroordeelt [bedrijf] om € 453,75 aan incassokosten aan [persoon A] te betalen;
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, aan de kant van [persoon A] begroot op een bedrag van € 1.037,54, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf veertien dagen nadat dit vonnis door de deurwaarder is uitgereikt tot de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders gevorderd is af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken.
686/2502
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11726000 CV EXPL 25-12801
datum uitspraak: 23 oktober 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[persoon A],
woonplaats: [woonplaats],
eiseres, gedaagde in verzet,
gemachtigde: mr. D.C.F. Verwey,
tegen
[bedrijf] B.V.,
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
gedaagde, eisers in verzet,
gemachtigde: mr. drs. E.R. Knoester.
De partijen worden hierna ‘ [persoon A] ’ en ‘ [bedrijf] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van [persoon A] van 13 februari 2025, met bijlagen;
- het verstekvonnis van deze rechtbank van 19 maart 2025 met zaaknummer 11572358 CV EXPL 25-4750;
- de verzetdagvaarding van [bedrijf] van 23 mei 2025.
Op 13 juli 2026 is de zaak besproken. Partijen en hun gemachtigden waren daarbij aanwezig. Namens [bedrijf] was [persoon B] aanwezig.
2 Het geschil
[persoon A] heeft in 2009 via een uitzendbureau voor [bedrijf] gewerkt. [bedrijf] handelde toen onder de naam [handelsnaam]. Tijdens de uitvoering van het werk zijn foto’s van haar gemaakt. [persoon A] is erachter gekomen dat [bedrijf] een van deze foto’s op een van haar bestelbussen heeft gezet, met [persoon A] naam erbij.
[persoon A] vordert:
1. voor recht te verklaren dat [bedrijf] inbreuk heeft gemaakt op haar portretrecht door het verveelvoudigen en/of openbaar maken van afbeeldingen van haar;
2. voor recht te verklaren dat [bedrijf] aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van de inbreuk op haar portretrecht;
3. [bedrijf] te veroordelen een schadevergoeding van € 10.000,00 aan haar te betalen, met rente vanaf de dag dat de dagvaarding is uitgebracht;
4. [bedrijf] te bevelen om meteen nadat de deurwaarder dit vonnis uitreikt iedere directe of indirecte inbreuk op haar portretrecht, op welke wijze dan ook, te staken en gestaakt te houden, met een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij dit niet doet, met een maximum van € 25.000,00;
5. [bedrijf] te veroordelen € 875,00 aan incassokosten aan haar te betalen;
6. [bedrijf] te veroordelen in de proceskosten
De vordering van [persoon A] is toegewezen in het verstekvonnis van 19 maart 2025, maar de schadevergoeding en de dwangsom voor een lager bedrag dan gevorderd.
[bedrijf] is in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Zij vordert dat vonnis te vernietigen.
Als het voor de beoordeling van belang is, dan wordt hierna ingegaan op wat partijen (verder) naar voren brengen.
3 De beoordeling
vernietiging verstekvonnis
[bedrijf] is tijdig in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van 19 maart 2025. Dat verstekvonnis wordt vernietigd en de vorderingen van [persoon A] worden opnieuw beoordeeld.
staken gebruik foto’s (vordering 4)
[bedrijf] heeft een foto van [persoon A], met daarbij haar voor- en achternaam, gebruikt op een van haar bestelbussen. Dat is waar het in deze zaak om gaat. De foto zou ook op de website van [bedrijf] hebben gestaan. Dat zou kunnen zegt [bedrijf], maar [persoon A] laat niet zien dat dit daadwerkelijk zo is. De kantonrechter laat de foto op de website daarom buiten beschouwing. Ook de foto van [persoon A] op de website van de beletteraar van de bestelbus van [bedrijf] wordt niet in de beoordeling meegenomen. De vraag is namelijk of je gebruik van die foto door de beletteraar toe kan rekenen aan [bedrijf].
Het gaat dus om de foto van [persoon A] op de bestelbus van [bedrijf].
Op de zitting bleek dat partijen het er over eens zijn dat de betreffende foto niet in opdracht van [persoon A] is gemaakt. Dat betekent dat de kantonrechter moet toetsen aan artikel 21 van de Auteurswet. Daarin staat, kort gezegd, dat een niet in opdracht gemaakt portret niet openbaar mag worden gemaakt – zoals op de bus van [bedrijf] - als een redelijk belang van de geportretteerde zich daartegen verzet. De vraag is dus of [persoon A] een redelijk belang heeft om zich tegen het gebruik van haar foto door [bedrijf] te verzetten.
[bedrijf] betoogt dat [persoon A] tijdens werktijd voor de foto heeft geposeerd en dat zij daarmee impliciet toestemming heeft gegeven voor het gebruik in zakelijke promotie. Dat staat ook in de huisregels en reglementen van [bedrijf] en [persoon A] wist dat ook, aldus [bedrijf]. Als [persoon A] toestemming heeft gegeven, heeft zij natuurlijk geen redelijk belang zich daar nu tegen te verzetten. [persoon A] stelt echter dat zij geen toestemming gaf. De foto ziet er wel enigszins geposeerd uit, waaruit zou kunnen blijken dat [persoon A] met het maken van de foto heeft ingestemd, maar instemmen met het maken van een foto betekent niet dat een vrijbrief is gegeven om tot in lengte van dagen te doen met de foto wat je ( [bedrijf]) wil.
Het kan zijn dat in de huisregels die [bedrijf] hanteert staat dat [bedrijf] foto’s die tijdens werktijd van personeelsleden worden gemaakt vrijelijk door haar geopenbaard mogen worden. [bedrijf] heeft echter niet aangetoond dat [persoon A] van die regels op de hoogte is gesteld. Het verweer dat [persoon A] heeft ingestemd slaagt dus niet.
De vraag blijft dan of [persoon A] er een redelijk belang bij heeft zich ertegen te verzetten dat de foto op een bestelbus van [bedrijf] staat. Dat heeft ze. [persoon A] is weliswaar geen fotomodel en heeft geen zakelijke belangen te verdedigen, maar een persoonlijkheidsrechtelijk belang heeft zij wel. [persoon A] wil dit simpelweg niet en ze heeft het recht dit niet te willen. Het is aan [persoon A] om te bepalen waarmee zij in verband gebracht wil worden. Zij wil niet dat men denkt dat zij bijklust voor [bedrijf]. In dit verband haalt [persoon A] aan dat zij inmiddels meer dan tien jaar als communicatieadviseur werkzaam is in het sociale domein. Ook wat die functie betreft, heeft zij er belang bij dat haar beeltenis niet overal voor gebruikt wordt.
[bedrijf] betoogt dat [persoon A] niet of nauwelijks nog herkenbaar is omdat de foto 15 jaar geleden is gemaakt. [persoon A] stelt echter van verschillende kanten op de bus attent te zijn gemaakt, wat niet is betwist door [bedrijf]. Bovendien stonden haar voor- en achternaam ook op de bus. Dat verweer slaagt dus niet.
[bedrijf] voert verder geen verweer tegen vordering 4. Wat [persoon A] daar vordert is naar het oordeel van de kantonrechter echter te ruim geformuleerd. ‘Iedere directe of indirecte inbreuk op haar portretrecht’ is te ruim omdat niet direct duidelijk is wat men zich daar precies nog wel en niet bij voor moet stellen. [bedrijf] wordt daarom verboden het portret van [persoon A] openbaar te maken op de manier zoals zij heeft gedaan met de bestelbus, dus in reclame voor haar bedrijf, met een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [bedrijf] zich niet aan deze verplichting houdt, met een maximum van € 5.000,00.
schadevergoeding (vordering 3)
Dan de hoogte van de schadevergoeding; een immateriële schadevergoeding. De kantonrechter stelt deze vergoeding naar billijkheid vast op een bedrag van € 2.500,00. Hierin wordt meegenomen dat het om een foto op één enkele bus gaat, waarbij wel als verzwarende omstandigheid mee wordt gewogen dat de naam van [persoon A] ook op de bus is gezet. De bestelbus heeft weliswaar jaren rondgereden, maar een groter bereik dan deze ene bus had de foto niet. Deze kwestie is daarom niet te vergelijken met de rechtspraak die [persoon A] naar voren brengt waarin hogere schadevergoedingen toegewezen zijn. In de zaken in die rechtspraak ging het om foto’s die (veel) breder verspreid zijn dan in deze zaak het geval is. Het is lastig om een concreet bedrag aan (immateriële) schadevergoeding aan een bepaalde handeling te koppelen, maar alle omstandigheden in aanmerking nemend, komt de kantonrechter dus uit op € 2.500,00.
De rente over de schadevergoeding van € 2.500,00 is toewijsbaar vanaf de dag dat de dagvaarding is uitgebracht (13 februari 2025).
verklaringen voor recht (vordering 1 en 2)
In dit vonnis wordt een verbod opgelegd en schadevergoeding. Omdat niet duidelijk is welk belang [persoon A] erbij heeft dat een en ander ook nog afzonderlijk voor recht wordt verklaard, zijn die vorderingen niet toewijsbaar.
incassokosten (vordering 5)
[persoon A] heeft geprobeerd haar vordering buiten de rechter om geïncasseerd te krijgen. Een vergoeding voor incassokosten is daarom op zijn plaats. Een vergoeding van € 453,75, dat past bij een schadevergoeding van € 2.500,00, wordt toegewezen.
proceskosten (vordering 6)
[bedrijf] krijgt grotendeels ongelijk. Zij moet daarom de proceskosten betalen. Die kosten bestaan aan de kant van [persoon A] uit € 148,04 aan dagvaardingskosten, € 257,00 aan griffierecht, € 506,00 aan salaris voor haar gemachtigde en € 126,50 aan nakosten. Dit is bij elkaar € 1.037,54. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis door een deurwaarder uitgereikt moet worden. De rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf veertien dagen nadat dit vonnis is uitgereikt.
uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat als deze zaak aan een hogere rechter wordt voorgelegd, in afwachting van de uitspraak van die hogere rechter, afgedwongen kan worden dat aan de veroordelingen in dit vonnis wordt voldaan.
tot slot
In deze zaak doet de bijzondere omstandigheid zich voor dat [bedrijf] al uitvoering gegeven heeft aan het verstekvonnis van 19 maart 2025. Zij heeft een bedrag van ongeveer € 7.000,00 aan [persoon A] betaald. In dit vonnis is een lager totaalbedrag toegewezen. Dit betekent dat [persoon A] geld aan [bedrijf] terug moet betalen. Daar is geen vordering voor ingesteld. Dit moeten partijen onderling met elkaar regelen.
4 De beslissing
De kantonrechter:
vernietigt het op 19 maart 2025 onder zaaknummer 11572358 CV EXPL 25-4750 gewezen verstekvonnis tussen partijen;
veroordeelt [bedrijf] om een schadevergoeding van € 2.500,00 aan [persoon A] te betalen, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf de dag dat de dagvaarding is uitgebracht (13 februari 2025) tot aan de dag dat dit bedrag volledig betaald is;
verbiedt [bedrijf] om het portret van [persoon A] openbaar te maken in reclame voor [bedrijf] met een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat [bedrijf] zich niet aan deze verplichting houdt, met een maximum van € 5.000,00;
veroordeelt [bedrijf] om € 453,75 aan incassokosten aan [persoon A] te betalen;
veroordeelt [bedrijf] in de proceskosten, aan de kant van [persoon A] begroot op een bedrag van € 1.037,54, met rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek vanaf veertien dagen nadat dit vonnis door de deurwaarder is uitgereikt tot de dag dat dit bedrag volledig is betaald;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst wat meer of anders gevorderd is af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman en in het openbaar uitgesproken.
686/2502
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.