Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Rotterdam, 2 oktober 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:14120Zaaknummer 11938843 CV EXPL 25-22945

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
2 oktober 2026
Publicatiedatum
19 oktober 2026
Zaaknummer
11938843 CV EXPL 25-22945
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Huurachterstand, overlast, ontbinding en ontruiming

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.914,15;

3.2.

ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 november 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiseres] te betalen € 850,- per maand met de verhoging die is toegestaan;

3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.526,40;

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken.

67789

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De beoordeling
  3. 3 De beslissing

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11938843 CV EXPL 25-22945

datum uitspraak: 2 oktober 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

[eiseres] B.V.,

vestigingsplaats: Waardenburg,

eiseres,

gemachtigde: Incassojuristen B.V.,

tegen

[gedaagde],

woonplaats: [woonplaats],

gedaagde,

die zelf procedeert.

De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

  • de dagvaarding van 15 oktober 2025, met bijlagen;
  • de aantekeningen van het mondelinge antwoord;
  • de akte van [eiseres], met bijlagen.
1.2.

Op 2 september 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [gedaagde], [persoon A] ( [functie] van [eiseres]) en mr. Y. Kootsta namens de gemachtigde van [eiseres].

2 De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

2.1.

[gedaagde] huurt vanaf 25 augustus 2014 een woning van [eiseres] aan [adres] te [plaats]. De huur is nu € 850,- per maand. Daarnaast stelt [eiseres] meerdere klachten te hebben ontvangen over overlast die volgens haar door [gedaagde] is veroorzaakt. In deze procedure eist [eiseres] dat [gedaagde] de huurachterstand betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt.

2.2.

[gedaagde] erkent de huurachterstand en geeft aan dat de huur een aantal keer niet kon worden betaald, omdat hij geen werk had. Wel betwist hij dat hij overlast heeft veroorzaakt.

2.3.

De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe. Dat betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning te verlaten en de huurachterstand aan [eiseres] te betalen. Hierna zal worden uitgelegd hoe de kantonrechter tot dit oordeel komt.

[gedaagde] moet een huurachterstand van € 3.914,15 betalen

2.4.

[eiseres] heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling een specificatie van de huurachterstand in het geding gebracht, waaruit volgt dat deze, berekend tot en met augustus 2026, € 3.914,15 bedraagt. Tijdens de zitting heeft [eiseres] aangegeven dat [gedaagde] inmiddels de huur voor augustus 2026 wel heeft betaald, maar die voor september 2026 nog niet. De huurachterstand blijft daarom volgens [eiseres] € 3.914,15. De juistheid van de huurachterstand is door [gedaagde] niet betwist. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld om een bedrag van € 3.914,15 aan [eiseres] te betalen.

De huurovereenkomst wordt ontbonden

2.5.

De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden.[_99f60d7d-ab13-4246-a11d-b367b0717f92]

2.6.

De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat de huurachterstand is opgelopen tot meer dan vier maanden en dat [gedaagde] al langere tijd problemen heeft met het tijdig en volledig betalen van de huur. [gedaagde] heeft aangegeven dat zijn betalingsproblemen mede het gevolg zijn van persoonlijke omstandigheden, waaronder het verlies van zijn baan. In 2023 heeft al een zitting plaatsgevonden vanwege een huurachterstand van ruim € 6.000,-. [eiseres] heeft gesteld dat hij van een gedeelte van deze vordering van € 6.000,- afstand heeft moeten doen wegens door [gedaagde] ingeschakelde schuldhulpverlening. Inmiddels is deze schuldhulpverlening beëindigd, omdat [gedaagde] geen medewerking meer verleende. Dit is door [gedaagde] niet betwist. Nu is er opnieuw een huurachterstand ontstaan.

2.7.

De kantonrechter begrijpt dat [gedaagde] te maken heeft met lastige persoonlijke omstandigheden die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de huurachterstand. Deze omstandigheden kunnen echter niet aan [eiseres] als verhuurder worden tegengeworpen. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de minderjarige dochter van [gedaagde] in de woning verblijft. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moet bij een beslissing als de onderhavige, die betrekking heeft op de woonruimte van een minderjarig kind, het belang van het kind weliswaar een eerste overweging zijn, maar dat betekent niet dat de enkele aanwezigheid van een minderjarig kind zonder meer aan ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning in de weg staat. In dit geval is de kantonrechter namelijk van oordeel dat de hoogte van de huurachterstand en het betaalgedrag van [gedaagde] in de afgelopen jaren maken dat van [eiseres] niet kan worden verlangd dat zij de huurovereenkomst blijft voortzetten. Daarom kan de vraag of [gedaagde] overlast heeft veroorzaakt in het midden blijven.

[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen

2.8.

Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen een maand nadat dit vonnis is betekend. Deze termijn vindt de kantonrechter passend, omdat er een minderjarig kind in de woning woont. Zo heeft [gedaagde] meer tijd om ergens anders onderdak te zoeken.[_20dd5784-86f1-4dff-a212-bb45185ce7c5]

2.9.

[gedaagde] moet vanaf november 2026, zoals door [eiseres] gevorderd, tot en met de dag van de ontruiming een gebruiksvergoeding van € 850,- per maand betalen (artikel 7:225 BW). Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.

[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen

2.10.

De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In de algemene bepalingen van de huurovereenkomst (artikel 20.6) van [eiseres] staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag [eiseres] daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de afgesproken prijs. Op grond van de wet zou [gedaagde] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. [eiseres] wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.

Verder geen oneerlijke bepalingen

2.11.

De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.

[gedaagde] moet de proceskosten betalen

2.12.

De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 119,40 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.526,40. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad

2.13.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres] dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 3.914,15;

3.2.

ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] te [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 november 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan [eiseres] te betalen € 850,- per maand met de verhoging die is toegestaan;

3.4.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 1.526,40;

3.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst al het andere af.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P.D. Olden en in het openbaar uitgesproken.

67789

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.