Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 15 mei 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14119Zaaknummer 11901086 CV EXPL 25-20648
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 15 mei 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 11901086 CV EXPL 25-20648
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Huurovereenkomst, ontbinding, ontruiming, oneerlijk boetebeding, afwijzing BIK en rente
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan WSV te betalen € 9.952,52 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 4.094,29 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] in [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van WSV te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om vanaf mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan WSV te betalen € 836,89 per maand met de verhoging die is toegestaan;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van WSV worden begroot op € 1.552,45;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
67789
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11901086 CV EXPL 25-20648
datum uitspraak: 15 mei 2026
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Woningstichting Samenwerking Vlaardingen,
vestigingsplaats: Vlaardingen,
eiseres,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. T.E. Houkes.
De partijen worden hierna ‘WSV’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- de dagvaarding van 11 september 2025, met bijlagen;
- het antwoord, met bijlagen;
- de akte aanvullende producties van WSV, met producties 1 t/m 5.
Op 16 april 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig: [persoon A] en [persoon B] namens WSV, [persoon C] namens de gemachtigde van WSV en de gemachtigde van [gedaagde]. [gedaagde] is niet op de mondelinge behandeling verschenen.
2 De beoordeling
Waar gaat de zaak over?
[gedaagde] huurt vanaf 5 augustus 2019 een woning van WSV. De huur is nu € 836,89 per maand. Op het moment van dagvaarden was er een betalingsachterstand van € 5.335,16 (berekend tot en met september 2025). Dit bedrag bestond uit een huurachterstand van € 4.094,29 en een nog niet betaalde factuur van € 1.240,87 voor het herstel van de voordeur. In haar laatste akte heeft WSV gesteld dat de achterstand tot en met april 2026, inclusief een factuur voor herstel van de voordeur, € 11.193,39 bedraagt. WSV eist dat [gedaagde] dit bedrag met rente en kosten betaalt en dat de kantonrechter de huurovereenkomst ontbindt.
[gedaagde] heeft de huurachterstand erkend. Hij legt uit de achterstand het gevolg is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Zo is [gedaagde] slachtoffer van de kinderopvangtoeslag-affaire en is hij gedurende enige tijd zijn Wajong-uitkering kwijtgeraakt wegens detentie. Tot slot betwist [gedaagde] dat hij de factuur van € 1.240,87 voor de voordeur moet betalen.
[gedaagde] moet van de kantonrechter de huurachterstand betalen en de woning verlaten. Hierna wordt uitgelegd waarom.
[gedaagde] moet een huurachterstand van € 9.952,52 betalen
[gedaagde] wordt veroordeeld om € 9.952,52 aan WSV te betalen. De partijen zijn het er namelijk over eens dat dit de huurachterstand was op het moment van de zitting. De huur tot en met de maand april 2026 zit hier dus bij. Verder heeft WSV ter zitting de eis van betaling van de factuur voor de voordeur laten vallen.
De huurovereenkomst wordt ontbonden
De huurovereenkomst wordt ontbonden, omdat [gedaagde] verplicht was om de huur op tijd te betalen en dat niet heeft gedaan (artikel 6:265 BW). De huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te beëindigen. Dat is meestal zo bij een achterstand van meer dan drie maanden, maar de kantonrechter moet rekening houden met alle omstandigheden.[_97970a9d-babd-45d3-9d13-ccd039469a23] Hierna wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot haar oordeel is gekomen.
In dit geval is van belang dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen; hij heeft een huurachterstand van twaalf maanden laten ontstaan. Hiernaast betaalt [gedaagde] de lopende huur ook niet. Ook is [gedaagde] al eerder veroordeeld wegens het laten ontstaan van een huurachterstand. De aangevoerde persoonlijke omstandigheden die volgens [gedaagde] tot de betalingsproblemen hebben geleid, kunnen – hoe vervelend deze ook zijn – niet aan WSV worden tegengeworpen. Deze persoonlijke omstandigheden betekenen niet dat [gedaagde] niet meer hoeft te betalen.
De kantonrechter heeft er in dit geval rekening mee gehouden dat [gedaagde] heeft aangegeven met zijn vier minderjarige kinderen in de woning te wonen. Op grond van artikel 3 van het Internationaal Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) moet bij een beslissing, die betrekking heeft op de woonruimte van minderjarigen, het belang van de kinderen weliswaar een eerste overweging zijn, maar dat betekent niet dat de enkele aanwezigheid van minderjarige kinderen zonder meer aan een vonnis strekkende tot ontruiming in de weg staat. Niet gebleken is dat er een noodsituatie voor de kinderen ontstaat als de huurovereenkomst voor de woning wordt ontbonden. Zo heeft de gemachtigde van [gedaagde] ter zitting aangegeven dat de kinderen ingeschreven staan bij hun moeder, tevens ex-partner, van [gedaagde]. Gedurende de detentie van [gedaagde] verbleven de kinderen ook bij hun moeder.
Bij de afweging van de bovenstaande omstandigheden komt de kantonrechter tot de conclusie dat [gedaagde] zodanig ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen, dat dit de door WSV gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt.
[gedaagde] moet de woning ontruimen en een gebruiksvergoeding betalen
Omdat de huurovereenkomst is ontbonden, moet [gedaagde] de woning met al zijn spullen verlaten. Dat moet binnen veertien dagen nadat dit vonnis is betekend.
Tot en met de dag van de ontruiming moet [gedaagde] een gebruiksvergoeding van € 836,39 per maand betalen (artikel 7:225 BW). WSV eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de eis afgewezen. Voor het verhogen van de gebruiksvergoeding gelden dezelfde regels (artikel 7:248 BW) als voor het verhogen van de huur.
[gedaagde] hoeft geen incassokosten en rente te betalen
De kantonrechter wijst de incassokosten en de rente af. In artikel 13 van de algemene voorwaarden van WSV staat hierover namelijk een oneerlijke bepaling. Omdat die bepaling oneerlijk is, mag WSV daar geen beroep op doen en kan zij ook geen aanspraak maken op de incassokosten en rente uit de wet. De bepaling is oneerlijk, omdat daarin staat dat [gedaagde] een boete moet betalen als hij niet aan de verplichtingen uit de overeenkomst voldoet. Daaronder valt ook het op tijd betalen van de huur. Op grond van de wet zou [gedaagde] als hij te laat betaalt alleen de wettelijke rente en incassokosten moeten betalen. WSV wijkt met de boete dus in het nadeel van een consument af van de wet door daarnaast een boete op te leggen. Dat maakt deze bepaling hier oneerlijk.
Verder geen oneerlijke bepalingen
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog andere oneerlijke bepalingen zijn, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor de beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan WSV moet betalen op € 145,45 aan dagvaardingskosten, € 543,- aan griffierecht, € 720,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 360,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.552,45. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat WSV dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan WSV te betalen € 9.952,52 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 4.094,29 vanaf de dag van de dagvaarding tot de dag dat volledig is betaald;
ontbindt de huurovereenkomst tussen de partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan [adres] in [plaats] te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [gedaagde] bevinden en het gehuurde met alle sleutels ter beschikking van WSV te stellen;
veroordeelt [gedaagde] om vanaf mei 2026 tot en met de dag waarop de ontruiming plaatsvindt aan WSV te betalen € 836,89 per maand met de verhoging die is toegestaan;
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van WSV worden begroot op € 1.552,45;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
67789
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.