Uitspraak · Goederenrecht
Rechtbank Rotterdam, 30 september 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:14060Zaaknummer C/10/715208 / HA ZA 26-170
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 30 september 2026
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- C/10/715208 / HA ZA 26-170
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Goederenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Burengeschil. Uitleg erfdienstbaarheid van weg. Invloed van publiekrechtelijke voorschriften voor vereiste breedte van de weg? Geen processueel ondeelbare rechtsverhouding.
6 De beslissing
in conventie
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 1] c.s., begroot op € 1.836,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis;
verklaart dit vonnis voor wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
verklaart voor recht dat de (ontsluitings)weg waarop de erfdienstbaarheid 2021 betrekking heeft een minimale breedte van 3 meter moet hebben;
compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. 3965/1980 |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Rotterdam
Team handel en haven
Zaaknummer: C/10/715208 / HA ZA 26-170
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
[eiseres],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
advocaat: mr. S.H.N. de Wijs,
tegen
1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
te [plaats],
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] c.s.,
advocaat: mr. L.J. Verheij.
1 De zaak in het kort
Partijen zijn buren. Zij verschillen van mening over de uitleg van een erfdienstbaarheid van weg, met name over de vraag hoe breed die weg moet zijn. De rechtbank geeft [gedaagde 1] c.s. gelijk. De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen. Een enkele tegenvordering van [gedaagde 1] c.s. wordt toegewezen. Hun andere vorderingen worden om verschillende redenen afgewezen.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 30 januari 2026, met producties;- de conclusie van antwoord/eis in reconventie, met producties;- de brief van de rechtbank tot oproeping van partijen voor een mondelinge behandeling;
- de e-mail van de rechtbank met een zittingsagenda;
- de akte overlegging aanvullende productie van [eiseres];
- de akte overlegging aanvullende producties van [gedaagde 1] c.s.;
- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026;
- de pleitaantekeningen van de beide partijen.
Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de rechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.
3 De feiten
Partijen zijn buren. Zij zijn in 2021 eigenaar geworden van naast elkaar gelegen bouwkavels aan de [naam locatie] (groene markering op afbeelding) aan de [naam rivier] (blauwe markering op afbeelding) in [plaats]. Het perceel van [eiseres] is kadastraal bekend als Gemeente [naam gemeente], sectie [sectie], nummer 2839. Het perceel van [gedaagde 1] c.s. is kadastraal bekend als Gemeente [naam gemeente], sectie [sectie], nummer 2837. Tegenover de percelen van partijen ligt een perceel met kadastraal nummer 2657 (hierna: perceel 2657).
Deze drie kavels liggen, bezien vanaf de [naam locatie], achter kavels die al langer bebouwd zijn (hierna: de oude kavels).
De [naam locatie] is ter plaatse ongeveer 3 meter breed.
De (kadastrale) situatie ter plaatse is als volgt:[_b9a2bf82-4729-4ecb-9fe4-e4dc472ded68]
Over de erfgrens tussen de oude kavels loopt een pad waarop in 1968 ten laste en ten behoeve van de eigenaren van die kavels een erfdienstbaarheid is gevestigd om van en naar de openbare weg te komen (hierna: erfdienstbaarheid 1968).
Bij de levering van de (nieuwe) kavels aan partijen en de eigenaar van perceel 2657 is deze erfdienstbaarheid 1968 ook ten laste en ten behoeve van hen gevestigd. Daarnaast is ten behoeve van de ontsluiting van de nieuwe kavels een nieuwe erfdienstbaarheid gevestigd (hierna: erfdienstbaarheid 2021). Deze erfdienstbaarheid 2021 geldt ten laste en ten behoeve van partijen en de eigenaar van perceel 2657.
De erfdienstbaarheid 1968 zoals opgenomen in de leveringsakte van [eiseres] van 20 april 2021 luidt als volgt:
“bij deze wordt gevestigd, zowel voor de tegenwoordige bestemming der heersende erven als voor die daaraan in de toekomst te geven de erfdienstbaarheid van weg ten behoeve en ten laste wederkerig van het bij deze verkochte" thans nummers 2491, 2654, 2837, 2838 en 2839 “en gemeld perceel nummer 2037’ thans nummers 2545, 2544, 2656 en 2657 “uit te oefenen van het bestaande rijweg ter breedte van tenminste drie meter, lopende vanaf de Bovendijk tot aan het slootje en van welke rijweg het hart wordt gevormd door de grensscheiding tussen genoemde percelen.”
De erfdienstbaarheid 2021 zoals opgenomen in de leveringsakte van [eiseres] luidt als volgt:
“Ter uitvoering van het bepaalde in de Koopovereenkomst en ter aanvulling op vorenstaande erfdienstbaarheid en ter ontsluiting van de kavels A, B en C, wordt bij deze gevestigd de erfdienstbaarheid van weg ten laste van de percelen kadastraal bekend gemeente [naam gemeente], sectie [sectie], nummers 2491, 2837 en 2838 (thans in eigendom van voornoemde mevrouw [persoon A] ), 2839 (het Verkochte) en nummer 2657 (thans in eigendom bij [bedrijf X] (als dienende erven) en ten behoeve van de voornoemde percelen 2839, 2657 en 2837 (als heersende erven), om te komen en te gaan van en naar de openbare weg aan de [naam locatie] te Rotterdam. Tussen de percelen met nummers 2837 (kavel A), 2839 (kavel B) en 2657 (kavel C) zal door en voor rekening van de betreffende eigenaars een (ontsluitings)weg worden aangelegd en onderhouden.”
Bij besluit van 7 februari 2022 heeft het college van B&W van de gemeente Rotterdam aan [eiseres] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een woning op haar perceel. Aan deze vergunning is onder andere het volgende voorschrift verbonden:
“6. Bereikbaarheid
De bereikbaarheid via de openbare weg aanwezig is of wordt gerealiseerd, conform artikel 6.37 van het Bouwbesluit 2012. Deze weg moet een minimaal breedte hebben van 4,5 meter […].”
In 2025 hebben [gedaagde 1] c.s. aan de zijde van hun perceel waarop de erfdienstbaarheid 2021 betrekking heeft een hek geplaatst op een afstand van 1,50 meter tot de erfgrens.
[eiseres] heeft [gedaagde 1] c.s. verzocht het hek te verplaatsen tot op een afstand van 2,25 meter tot aan de erfgrens. Aan dit verzoek hebben [gedaagde 1] c.s. geen gehoor gegeven.
4 Het geschil in conventie en in reconventie
In conventie vordert [eiseres], samengevat, het volgende:
- een verklaring voor recht dat de ontsluitingsweg ingevolge de erfdienstbaarheid 2021 ten minste 4,50 meter breed moet zijn, dan wel dat de weg een andere in goede justitie te bepalen breedte moet hebben;
- veroordeling van [gedaagde 1] c.s. tot het verwijderen en verwijderd houden van hekken binnen 2,25 meter vanaf de erfgrens aan de zijde van de ontsluitingsweg;
- veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten.
[gedaagde 1] c.s. zijn het hier niet mee eens en zijn van mening dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
In reconventie vorderen [gedaagde 1] c.s., samengevat, het volgende:
- een verklaring voor recht dat de (ontsluitings)weg ingevolge de erfdienstbaarheid 1968 en de erfdienstbaarheid 2021 uitsluitend een minimale breedte van 3 meter dient te hebben;
- een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] c.s. hun erfafscheiding rechtmatig hebben geplaatst en dat zij niet verplicht zijn deze te verwijderen of te verplaatsen;
- veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 575,00, te vermeerderen met wettelijke rente;
- onder de voorwaarde dat de vordering van [eiseres] geheel of gedeeltelijk wordt toegewezen: veroordeling van [eiseres] tot het verplaatsen van haar eigen erfafscheiding tot dezelfde afstand van de erfgrens;
- veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
[eiseres] is het hier niet mee eens en is van mening dat de vorderingen moeten worden afgewezen, met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de proceskosten.
5 De beoordeling in conventie en in reconventie
geen processueel ondeelbare rechtsverhouding
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde 1] c.s. zich op het standpunt gesteld dat ten onrechte de eigenaar van perceel 2657 niet in deze procedure is betrokken, omdat ook ten behoeve en ten laste van die eigenaar de erfdienstbaarheid 2021 is gevestigd. Volgens [gedaagde 1] c.s. is daarom sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.
De rechtbank verwerpt dit standpunt. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is alleen dan sprake als het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle betrokkenen in dezelfde zin luidt. Die noodzakelijkheid ontbreekt hier. De uitspraak die in deze procedure gedaan wordt over de reikwijdte van de erfdienstbaarheid 2021 geldt alleen tussen partijen. Als de uitkomst van deze procedure is dat het huidige hek van [gedaagde 1] c.s. mag blijven staan omdat de erfdienstbaarheid 2021 niet verder strekt dan een pad van 3 meter breed, dan is de eigenaar van perceel 2657 daaraan niet gebonden. Deze kan dan dus alsnog een vordering instellen tot verwijdering van dat hek op de grond dat het pad volgens hem breder behoort te zijn.
Het zojuist weergegeven voorbeeld impliceert dat het risico van tegengestelde uitspraken niet kan worden voorkomen indien niet ook de eigenaar van perceel 2657 in deze procedure wordt betrokken. Dat mogelijke risico betekent echter niet dat het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle betrokkenen hetzelfde luidt. In de omstandigheid dat het wellicht praktisch is als ook de eigenaar van perceel 2657 in deze procedure wordt betrokken, ziet de rechtbank geen aanleiding om die eigenaar alsnog op te roepen, mede gelet op de met die oproeping gemoeide nadelen, zoals vertraging van de procedure en aanzienlijke kosten.
Het voorgaande geldt ook voor zover de in reconventie gevraagde verklaring voor recht mede ziet op de reikwijdte van de erfdienstbaarheid 1968, waarbij ook de eigenaren van de oude kavels betrokken zijn.
de erfdienstbaarheid 2021 ziet op een weg van (slechts) minimaal 3 meter breed
Het gaat in deze procedure (in conventie en in reconventie) om de uitleg van de erfdienstbaarheid 2021. Daarbij gaat het eerst en vooral om de akte waarbij die erfdienstbaarheid is gevestigd (artikel 5:73 BW). Bij de uitleg van de akte komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling die moet worden afgeleid uit de in de akte gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte. Ook de eisen van de redelijkheid en billijkheid spelen bij de uitleg een rol. De ratio hiervan is steeds de rechtszekerheid: die vergt dat slechts acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden kenbaar zijn uit de registers. Partijen verschillen over dit toetsingskader niet van mening.
De akte bevat ten aanzien van de erfdienstbaarheid 2021 niet een omschrijving van de breedte die de weg minimaal moet hebben. Wel verwijst de akte uitdrukkelijk naar de erfdienstbaarheid 1968: de erfdienstbaarheid 2021 wordt “ter aanvulling op” de erfdienstbaarheid 1968 gevestigd. Hieruit volgt dat beide erfdienstbaarheden in samenhang met elkaar begrepen moeten worden. Dat is ook logisch omdat beide erfdienstbaarheden in wezen betrekking hebben op een en dezelfde weg die nodig is om van de betrokken kavels naar de openbare weg te komen. De in 2021 gevestigde erfdienstbaarheid ziet op een weg waarmee de oude ontsluitingsweg, waarop de erfdienstbaarheid 1968 ziet, is verlengd ten behoeve van de nieuw ontwikkelde kavels. Nu in de erfdienstbaarheid 2021 niet een eigen, van de erfdienstbaarheid 1968 afwijkende, breedte van de weg is opgenomen, volgt uit het voorgaande dat in beginsel die nieuwe weg dezelfde breedte behoort te hebben als de weg die al aanwezig was. Een andere uitleg zou op voorhand ook daarom niet logisch zijn, omdat men alleen op de openbare weg kan komen via de weg waarop de erfdienstbaarheid 1968 betrekking heeft.
[eiseres] betoogt dat de erfdienstbaarheid 2021 zo moet worden uitgelegd dat daaruit volgt dat de weg een minimale breedte van 4,50 meter moet hebben. Zij baseert dit standpunt op de door de Gemeente in de (later afgegeven) omgevingsvergunning gestelde voorwaarde dat de weg die breedte moet hebben. Diezelfde breedte werd ten tijde van het vestigen van de erfdienstbaarheid bovendien al in het toenmalige Bouwbesluit genoemd, aldus [eiseres].
De rechtbank verwerpt dit betoog. De akte waarmee de erfdienstbaarheid 2021 is gevestigd biedt geen enkel aanknopingspunt voor de gedachte dat daarmee is beoogd aan te sluiten bij publiekrechtelijke voorschriften inzake de breedte van een toegangsweg. Omdat de inhoud van die akte beslissend is, valt daarmee de grond onder het betoog van [eiseres] weg. Dat [eiseres] daarmee het risico liep dat de omgevingsvergunning niet zou worden verleend of zou worden ingetrokken, kan dat niet anders maken. Voor de uitleg van een erfdienstbaarheid is immers bepalend wat uit de akte kan worden afgeleid. Niet gezegd kan worden dat deze uitkomst zich niet verdraagt met de eisen van redelijkheid en billijkheid, ook niet als gelet wordt op de voorschriften uit het Bouwbesluit. Het gaat immers om een ontsluitingsweg waarop men slechts kan komen via een openbare weg en ook die openbare weg is al aanzienlijk smaller dan de in het Bouwbesluit opgenomen minimale breedte. Bovendien is niet gebleken dat een uitweg van 3 meter breed voor normaal te achten gebruik met (vracht)auto’s onvoldoende is.
De conclusie van het voorgaande is dat de erfdienstbaarheid 2021 voor wat betreft de minimale breedte van de weg zo moet worden uitgelegd dat deze gelijk is aan de erfdienstbaarheid 1968. Die laatste erfdienstbaarheid verplicht de eigenaren van de oude kavels tot niet meer dan het openhouden van een weg van ten minste 3 meter breed. Dat geldt dus ook voor de erfdienstbaarheid 2021.
Niet van belang is dat de ontsluitingsweg op het voorste stuk (dus het gedeelte over de oude kavels) op sommige plekken mogelijk een uitwijkmogelijkheid biedt omdat de eigenaren van de oude kavels langs die weg (nog) geen hekken hebben geplaatst. Die eventuele uitwijkmogelijkheid kan niet afdoen aan de verplichting die uit de akte voortvloeit en die strekt niet verder dan een weg van 3 meter breed.
de vorderingen van [eiseres] worden afgewezen
[eiseres] vordert in conventie een verklaring voor recht die erop neerkomt dat de weg ingevolge de erfdienstbaarheid 2021 ten minste 4,50 meter breed moet zijn. Die vordering is niet toewijsbaar. Uit het voorgaande volgt immers dat de erfdienstbaarheid 2021 zo moet worden uitgelegd dat deze tot niet meer verplicht dan het openhouden van een weg van ten minste 3 meter breed.
Met haar tweede vordering wil [eiseres] bereiken dat [gedaagde 1] c.s. worden verplicht het door hen geplaatste hek langs de weg te verplaatsen. Dit hek staat op 1,50 meter afstand van de erfgrens. Deze afstand hebben [gedaagde 1] c.s. aangehouden, omdat zij ervan uit zijn gegaan dat de weg ten minste 3 meter breed moet zijn, waarvan de helft over hun perceel loopt en de andere helft over het perceel van de eigenaar van perceel 2657. [eiseres] meent dat, uitgaande van een verplichte minimale breedte van de weg van 4,5 meter, het hek op tenminste 2,25 meter van de erfgrens behoort te staan. Uit het voorgaande volgt echter dat dit standpunt onjuist is. Dat betekent dat [gedaagde 1] c.s. niet verplicht zijn een grotere afstand tot de erfgrens aan te houden dan zij hebben gedaan. Zij behoeven hun hek dus niet te verplaatsen.
de vorderingen van [gedaagde 1] c.s. inzake de erfdienstbaarheden worden deels toegewezen
[gedaagde 1] c.s. vorderen een verklaring voor recht dat de weg waarop de erfdienstbaarheid 2021 betrekking heeft uitsluitend een minimale breedte van 3 meter dient te hebben. Gelet op het voorgaande is dit in overeenstemming met de uitleg van de erfdienstbaarheid, zij het dat geen grond bestaat om het woord ‘uitsluitend’ in de verklaring voor recht op te nemen. De rechtbank zal de verklaring voor recht in die zin uitspreken.
De vordering van [gedaagde 1] c.s. ziet ook op de breedte van de weg waarop de erfdienstbaarheid 1968 betrekking heeft. Deze vordering is niet toewijsbaar, omdat niet valt in te zien dat [gedaagde 1] c.s. daarbij voldoende belang hebben. Het geschil met [eiseres] gaat over de breedte van de weg waarop de erfdienstbaarheid 2021 ziet. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat partijen ook een geschil hebben over de breedte van het voorste stuk weg dat over de oude kavels loopt. [gedaagde 1] c.s. hebben in hun processtukken (hun belang bij) dit deel van de vordering ook niet toegelicht.
[gedaagde 1] c.s. vorderen verder een verklaring voor recht dat zij hun hek rechtmatig hebben geplaatst op een afstand van 1,50 meter tot de erfgrens en dat zij niet verplicht zijn om dat hek te verplaatsen. Ook deze vordering is niet toewijsbaar, omdat beide punten al logisch voortvloeien uit enerzijds de afwijzing van de vorderingen van [eiseres] en anderzijds de in 5.13 bedoelde verklaring voor recht. Niet gebleken is van een voldoende relevant belang bij een verklaring voor recht ten aanzien van deze twee punten.
[gedaagde 1] c.s. hebben een voorwaardelijke vordering ingesteld tot veroordeling van [eiseres] tot verplaatsing van haar hek, en wel onder de voorwaarde dat de vorderingen van [eiseres] in conventie worden toegewezen. Aan die voorwaarde is niet voldaan, zodat deze vordering verder buiten beschouwing kan blijven.
de vordering inzake de gemeenschappelijke schuttingpalen wordt afgewezen
[gedaagde 1] c.s. vorderen veroordeling van [eiseres] tot betaling van € 575,00. Het gaat hier om de helft van de kosten die [gedaagde 1] c.s. stellen te hebben gemaakt voor de plaatsing van schuttingpalen op de erfgrens tussen de percelen van partijen. [gedaagde 1] c.s. stellen de volledige kosten te hebben voldaan. Volgens hen moet [eiseres] daarom de helft daarvan vergoeden.
De vordering wordt afgewezen, omdat deze onvoldoende is onderbouwd. Bij conclusie van eis in reconventie ontbreekt enige vorm van onderbouwing. Na de betwisting van deze vordering bij conclusie van antwoord in reconventie, hebben [gedaagde 1] c.s. een handgeschreven overzicht van alle kosten van de grondwerker overgelegd. Uit dat overzicht kan niet precies worden afgeleid welke kosten aan (uitsluitend) de palen toegerekend moeten worden. Verder heeft [eiseres] aangevoerd dat de betreffende grondwerker ook werkzaamheden in haar opdracht heeft uitgevoerd en dat zij hem daarvoor heeft betaald. Bij deze stand van zaken kan niet worden uitgesloten dat in de betalingen van [eiseres] aan de grondwerker ook bedragen waren gemoeid die betrekking hadden op de palen. Al met al hebben [gedaagde 1] c.s. op dit punt onvoldoende gesteld.
de proceskosten
In conventie krijgt [eiseres] ongelijk. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde 1] c.s. Deze worden begroot als volgt:
- griffierecht € 341,00
- salaris advocaat € 1.306,00
- nakosten € 189,00 (plus de kosten vermeld in het dictum)
totaal € 1.836,00
De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals in het dictum omschreven.
In reconventie worden de proceskosten gecompenseerd, omdat beide partijen over en weer ongelijk krijgen.
6 De beslissing
in conventie
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 1] c.s., begroot op € 1.836,00, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend, en te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na datum van dit vonnis;
verklaart dit vonnis voor wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
verklaart voor recht dat de (ontsluitings)weg waarop de erfdienstbaarheid 2021 betrekking heeft een minimale breedte van 3 meter moet hebben;
compenseert de proceskosten, zodat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026. 3965/1980 |
Voetnoten
- Afbeelding overgenomen uit de dagvaarding.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.