Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Rotterdam, 15 september 2026

ECLI:NL:RBROT:2026:11919Zaaknummer ROT 25/1718

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15 september 2026
Publicatiedatum
23 september 2026
Zaaknummer
ROT 25/1718
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Rotterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Einduitspraak. WIA-uitkering. Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBROT:2026:356 van 20 januari 2026. Geconstateerd motiveringsgebrek ten aanzien van de beperkingen op beroepsmatig vervoer is hersteld met een nieuw rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en de nadere toelichting van het UWV. Beroep gegrond. Rechtsgevolgen blijven in stand.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], uit [plaatsnaam], eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Conclusie en gevolgen
  5. Beslissing
  6. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 25/1718

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV

(gemachtigden: [gemachtigde 2] en [gemachtigde 3]).

Procesverloop

1. Voor een weergave van het procesverloop tot aan de tussenuitspraak van 20 januari 2026 (de tussenuitspraak) verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.

1.1.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit van 9 januari 2025 een motiveringsgebrek kent. De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.

1.2.

Met de brief van 29 januari 2026 heeft het UWV de rechtbank laten weten het gebrek te zullen herstellen. In reactie op de tussenuitspraak heeft het UWV met de brief van 4 maart 2026 een aanvullende rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 26 februari 2026 ingediend en hierop een toelichting gegeven.

1.3.

Eiser heeft op 18 maart 2026 gereageerd op de herstelpoging van het UWV.

1.4.

Het UWV heeft met een brief van 2 april 2026 gereageerd op eiser. Eiser heeft daarop gereageerd met een brief die op 17 april 2026 door de rechtbank is ontvangen.

1.5.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. De rechtbank heeft het onderzoek op 22 april 2026 gesloten.

Overwegingen

2. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.

2.1.

Uit de tussenuitspraak volgt dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd, zodat het in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank bepaalt echter dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven. De rechtbank zal hieronder toelichten hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dat heeft.

2.2.

In de tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft in dat kader vastgesteld dat de rapporten van de eerste arbeidsdeskundige en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten aanzien van de beperking voor beroepsmatig vervoer en de gevolgen daarvan niet voldoen aan de voorwaarden die aan dergelijke rapporten gesteld worden. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 2 januari 2025 staat dat eiser beperkt is voor beroepsmatig vervoer met als toelichting: “het besturen van (gemotoriseerde) voertuigen is niet mogelijk”. Verder volgt uit de FML dat eiser beperkt is voor trillingbelasting met de toelichting: “geen grove schokken, stoten of trillingen op schouders, rug en knieën”. Aan de hand van deze FML heeft de eerste arbeidsdeskundige eiser ongeschikt geacht voor zijn eigen werk in verband met de klantbezoeken. De arbeidsdeskundige heeft in het rapport van 2 mei 2024 daarbij gewezen op de beperking voor beroepsmatig vervoer in verband met grove schokken, stoten of trillingen op schouders, rug en knieën. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dit standpunt in het rapport van 8 januari 2025 gehandhaafd. De rechtbank heeft in dat verband aangegeven eiser te volgen voor zover hij heeft gesteld dat moeilijk valt in te zien waarom eiser dan wel in staat zou zijn de geselecteerde functies met klantbezoeken of ander beroepsmatig vervoer te vervullen. Verder heeft het UWV ter zitting aangegeven dat woon-werkverkeer ook valt onder beroepsmatig vervoer, zodat voorgaande conclusie ook geldt voor (geselecteerde) functies zonder klantbezoeken maar met werkzaamheden op kantoor. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat bij de beoordeling of eiser geschikt is voor zijn eigen arbeid, de mogelijkheid van alternatieve vervoermiddelen geen rol heeft gespeeld. Dat is ook niet in de toelichting op de beperking opgenomen. Het is ook niet duidelijk gemaakt waarom de trillingsbelasting in het openbaar vervoer of op een fiets wezenlijk anders is dan de trillingsbelasting in een auto. De rechtbank heeft verder aangegeven dat de conclusies die de betrokken arbeidsdeskundigen hebben verbonden aan de beperkingen voor beroepsmatig vervoer en trillingsbelasting in de FML niet zijn weersproken door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van die conclusies ook kan worden uitgegaan bij de beoordeling van de geschiktheid van de geselecteerde functies. De rechtbank heeft op basis van voorgaande overwegingen aangegeven dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser, ondanks zijn beperkingen op beroepsmatig vervoer en trillingsbelasting die hem ongeschikt maken voor zijn eigen arbeid, wel geschikt is voor de geselecteerde functies. De rechtbank heeft in het verlengde vastgesteld dat de arbeidsdeskundige ook niet is ingegaan op de stelling van eiser dat niet alle klanten of locaties bereikbaar zullen zijn met de fiets of het openbaar vervoer. Op deze onderdelen is sprake van een motiveringsgebrek.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat het UWV het eerder geconstateerde motiveringsgebrek met de nadere toelichting van de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 27 februari 2026 en de brieven van 4 maart 2026 en 2 april 2026 heeft hersteld. Uit deze aanvullende stukken wordt duidelijk dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten onrechte de conclusie van de eerste arbeidsdeskundige heeft onderschreven waarin de in de FML van 2 januari 2025 opgenomen beperking ten aanzien van het beroepsmatig vervoer (FML-item 2.11) wordt gekoppeld aan de tevens in de FML opgenomen beperking ten aanzien van trillingsbelasting (FML-item 3.7). De trillingsbelasting ziet – zo heeft het UWV aangegeven onder verwijzing naar de Basisinformatie CBBS – niet op trillingen en schokken die in het dagelijks leven voorkomen, zoals bij het gebruik van bijvoorbeeld auto, fiets of openbaar vervoer. Anders dan eiser mede in reactie hierop heeft gesteld, volgt uit de FML niet dat eiser ten aanzien van beroepsmatig vervoer beperkt is in verband met grove schokken, stoten of trillingen. In de bijbehorende medisch rapportage van 2 januari 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangegeven dat deze beperking het gevolg is van medicijngebruik van eiser (oxycodon). Hieruit volgt geen koppeling met de trillingsbelasting. Het UWV heeft erop gewezen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zowel in de beroepsprocedures als in de herstelpoging (via raadpleging door de arbeidsdeskundige) bovendien heeft bevestigd dat er geen medische redenen zijn waarom eiser niet met de fiets of het openbaar vervoer kan reizen. Dat neemt niet weg – zoals het UWV ook aangeeft – dat eiser wel beperkt is met betrekking tot beroepsmatig vervoer, zodat eiser volgens het UWV nog steeds ongeschikt is voor zijn eigen werk. Voor de geselecteerde functies heeft het UWV echter kunnen overwegen dat een rijbewijs niet nodig is, zodat de beperking met betrekking tot beroepsmatig vervoer geen gevolgen heeft voor de geschiktheid van deze functies, omdat eiser volgens het UWV dus gebruik kan maken van een fiets of openbaar vervoer. Eiser heeft zijn andersluidende standpunt niet met nadere stukken onderbouwd. In het verlengde hiervan heeft het UWV onweersproken gesteld dat als het niet mogelijk is gebruik te maken van een fiets of het openbaar vervoer, voor werkgerelateerde afspraken gebruik gemaakt kan worden van taxivervoer, welke kosten kunnen worden gedeclareerd bij de werkgever. Daarmee heeft het UWV ook gemotiveerd gereageerd op het standpunt van eiser dat niet alle locaties per fiets of openbaar vervoer bereikbaar zullen zijn. Omdat het UWV verder onweersproken heeft gesteld dat woon-werkverkeer niet valt onder beroepsmatig vervoer, wordt eiser geacht in staat te zijn van en naar het werk te reizen.

2.4.

De rechtbank is van oordeel dat het UWV zich op grond van het voorgaande op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze nadere motivering niet tot een andere conclusie leidt ten aanzien van de ongeschiktheid van eiser voor het eigen werk en de geschiktheid van de geselecteerde functies. Daarmee heeft het UWV het motiveringsgebrek weggenomen en kunnen vaststellen dat de mate van arbeidsongeschiktheid (62,88%) onveranderd blijft.

Conclusie en gevolgen

3. Vanwege het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Omdat het UWV met zijn reactie op de tussenuitspraak het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit betekent dat de gevolgen van het bestreden besluit niet wijzigen.

3.1.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het UWV aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden. Het UWV moet ook de proceskosten van eiser vergoeden. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Heijne, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026.

De griffier is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.