Uitspraak · Strafrecht
Rechtbank Rotterdam, 21 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:11439Zaaknummer 10-255804-25
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 21 juli 2026
- Publicatiedatum
- 8 september 2026
- Zaaknummer
- 10-255804-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht
- Procedure
- Rekestprocedure, Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bezwaar ex. artikel 7 Wet DNA is gegrond verklaard door de rechtbank. De motivering is dat door de rechtbank niet gezien kan worden hoe DNA een rol van betekenis kan spelen bij het niet overleggen van de administratie.
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het in deze zaak afgenomen celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. G.C. Bos, rechter,
in tegenwoordigheid van S. Schlabs, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummer: 10-255804-25
raadkamernummer: 26-013226
datum: 21 juli 2026
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:
[veroordeelde], veroordeelde,
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],
wonende op het adres [adres 1], [postcode] [woonplaats],
voor deze zaak domicilie kiezende te [adres 2] ten kantore van haar advocaat mr. D.C.O. Ayinla.
Procedure
Het bezwaarschrift is op 22 april 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 21 juli 2026 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld en
heeft de veroordeelde, haar advocaat, mr. D.C.O. Ayinla en de officier van justitie, mr. E. van Veen in raadkamer gehoord.
Feiten
Bij strafbeschikking van het openbaar ministerie van 16 februari 2026 is de veroordeelde onder bovenvermeld parketnummer ter zake van als bestuurlijk rechtspersoon tijdens faillissement niet administratie gevoerd veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren.
Op 11 maart 2026 heeft de officier van justitie bevolen dat van de veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ten behoeve van het bepalen van een DNA-profiel en de verwerking daarvan in de landelijke DNA-databank. Op 21 april 2026 heeft de afname van celmateriaal bij de veroordeelde plaatsgevonden.
Beoordeling
Het bezwaar zal gegrond worden verklaard, omdat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van één van de uitzonderingen als genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.
Aannemelijk is geworden dat DNA-onderzoek niet van betekenis kan zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging of berechting van strafbare feiten. Daarbij weegt mee dat door de rechtbank niet gezien kan worden hoe DNA een rol van betekenis kan spelen bij het niet overleggen van de administratie. Dan is al voldaan aan de delictsomschrijving. De rechtbank komt tot het oordeel dat sprake is van een uitzonderingssituatie en dat het bezwaar gegrond moet worden verklaard.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het in deze zaak afgenomen celmateriaal van de veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. G.C. Bos, rechter,
in tegenwoordigheid van S. Schlabs, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 21 juli 2026.
Tegen deze beslissing staan geen rechtsmiddelen open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.