Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 10 augustus 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10294Zaaknummer C/10/720564 / JE RK 26-1044
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 10 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 21 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/10/720564 / JE RK 26-1044
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beschikking op basis van de geschillenregeling.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst de verzoeken van de moeder af;
bepaalt - overeenkomstig het verzoek van de vader - dat ieder zijn of haar eigen proceskosten draagt;
wijst de overige verzoeken van de vader af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.[_de36affa-b9ff-4671-b233-136851ce891c]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/720564 / JE RK 26-1044
Datum uitspraak: 10 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter op basis van de geschillenregeling
in de zaak van
[moeder],
hierna te noemen: de moeder, wonende in [plaats],
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur, kantoorhoudende te Oosterhout,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [voornaam minderjarige].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[vader],
hierna te noemen: de vader, wonende in [plaats],
advocaat: mr. N. Schuerman, kantoorhoudende te Rotterdam,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, wonende in Rotterdam.
1 Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 29 mei 2026, bij de rechtbank binnengekomen op diezelfde datum;
- het aanvullende verzoekschrift met bijlagen van de moeder van 26 juni 2026, bij de rechtbank binnengekomen op diezelfde datum;
- de brief met bijlagen van mr. G.A.P. Avontuur van 8 juli 2026;
- het verweerschrift met bijlagen van de vader van 9 juli 2026, bij de rechtbank binnengekomen op diezelfde datum;
- de pleitnota van mr. G.A.P. Avontuur, overhandigd op de zitting van 13 juli 2026;
- de pleitnota van mr. N. Schuerman, overhandigd op de zitting van 13 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 13 juli 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- de vader met zijn advocaat;
- een drietal vertegenwoordigers van de GI, [vertegenwoordigers GI].
2 De feiten
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige].
[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.
Bij beschikking van 11 maart 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 19 maart 2027.
3 Het verzoek
De moeder heeft een geschil voorgelegd met betrekking tot de uitvoering van de ondertoezichtstelling.
De moeder verzoekt de kinderrechter:
- te bepalen dat de GI pas mag gaan werken aan contactherstel tussen vader en [voornaam minderjarige] als de onderzoeken van het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (hierna: KSCD) en Filomena, het Centrum voor huiselijk geweld en kindermishandeling, uitwijzen dat dit zijn belang is. Voorts dat deze contacten begeleid zullen worden door een professionele instantie, niet zijnde de GI, totdat uw rechtbank opnieuw uitspraak heeft gedaan over de voorliggende verzoeken in de procedure gezag en omgang;
- te bepalen dat aan het KSCD onderzoeksvragen neergelegd moeten worden die erop zien dat onderzocht moet worden of contactherstel in het belang van [voornaam minderjarige] is en zo ja, onder welke voorwaarden dan wel;
- te bepalen dat [voornaam minderjarige] een traumascreening zal krijgen en dat er ook een speltherapeut of kindbehartiger ten behoeve van [voornaam minderjarige] betrokken zal worden;
- de GI te vervangen door een andere GI;
- te bepalen dat het de GI verboden wordt zelf jeugdhulp te verlenen in strijd met art. 3.2. lid 2 Jeugdwet, waarbij de GI een dwangsom van € 100,- verbeurt iedere keer dat zij dit verbod overtreedt.
De vader heeft in het verweerschrift gereageerd op de verzoeken van de moeder en verzoekt de kinderrechter:
- te bepalen dat het contactherstel tussen vader en [voornaam minderjarige] wordt voortgezet onder begeleiding en regie van de gecertificeerde instelling, die binnen de ondertoezichtstelling bepaalt hoe de opbouw plaatsvindt, begeleid en/of onbegeleid, een en ander overeenkomstig rechtsoverweging 3.1.11 van de beschikking van 24 februari 2026 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026;
- de moeder haar medewerking verleent aan de door de gecertificeerde instelling bepaalde contactmomenten en overdrachten, en, voor zover nodig, de schoolgang van [voornaam minderjarige] blijft waarborgen;
- binnen het KSCD-traject, dan wel als door de gecertificeerde instelling in te zetten jeugdhulp, ten behoeve van [voornaam minderjarige] een onafhankelijke, in hechting en trauma geschoolde professional wordt betrokken die hem gedurende de opbouw van het contact volgt en na contactmomenten spreekt, met een neutrale en tweezijdige vraagstelling, zonder dat daaraan opschortende werking ten aanzien van het contact toekomt;
- de verzoeken van de moeder voor het overige af te wijzen;
- de proceskosten aldus te compenseren dat iedere betrokkene de eigen kosten draagt.
4 De standpunten
Door en namens de moeder wordt het woord gevoerd aan de hand van de ter zitting overgelegde pleitnota. Daarbij en daarnaast wordt samengevat het volgende naar voren gebracht. In het dictum van de beschikking van 24 februari 2026 is het verzoek tot vaststelling van een zorgregeling afgewezen. Tussen partijen bestaat verschil van mening over de ruimte die de GI heeft om, ondanks die beslissing, begeleide en onbegeleide contactmomenten tussen [voornaam minderjarige] en de vader te organiseren. De GI heeft meerdere contactmomenten georganiseerd terwijl nog onderzoeken lopen. In de afgelopen periode verliep het contact tussen de moeder en de GI moeizaam. De moeder is niet tegen contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader, maar heeft zorgen over onbegeleide contactmomenten en de veiligheid van [voornaam minderjarige]. Dat de begeleide contactmomenten goed verlopen, betekent niet dat ook onbegeleid contact verantwoord is. Bij het eerste contact met de vader na de uitspraak van de voorzieningenrechter heeft de GI enkel de overdracht begeleid, waarna [voornaam minderjarige] terugkwam bij de moeder met een bult op zijn hoofd en de GI niet wist hoe dit kwam. De moeder acht nader onderzoek en meer zekerheid over de omgang met de vader noodzakelijk. In dat kader wordt voorgesteld een speltherapeut of kinderpsycholoog te betrekken. Een bijzondere curator wordt daarvoor niet als een geschikte professional beschouwd, omdat iemand nodig is die [voornaam minderjarige] van dichtbij kan observeren. De GI mag op grond van de Jeugdwet geen jeugdhulp verlenen en overschrijdt de GI haar bevoegdheden door zelf de contactmomenten te begeleiden. De GI heeft bovendien niet onderzocht of een externe partij de begeleiding kan verzorgen. De moeder acht het zorgelijk dat de GI heeft aangegeven te willen doorgaan met onbegeleide contactmomenten. [voornaam minderjarige] bevindt zich al geruime tijd in een belastende situatie en zou volgens de moeder baat hebben bij therapie, waarvoor de GI tot op heden geen toestemming heeft verleend. Een nalatige houding van de GI wordt ook gezien bij de verslaglegging van het multidisciplinair overleg, waarbij de GI in strijd handelt met haar eigen privacyreglement. De opstelling van de GI rechtvaardigt een toewijzing van het verzoek om vervanging van de GI.
De GI brengt het volgende naar voren.
Ten aanzien van de verzoeken van de moeder
De GI acht het niet in het belang van [voornaam minderjarige] dat een andere gecertificeerde instelling wordt betrokken. Wel kan per direct een nieuwe, ervaren en vaste jeugdbeschermer aan het gezin worden gekoppeld. De GI erkent dat het contact met de moeder in de afgelopen periode moeizaam verliep. Volgens de GI was de situatie niet langer werkbaar, mede door de grote hoeveelheid e-mails van de advocaat van de moeder. In de afgelopen periode zijn de contactmomenten tussen de vader en [voornaam minderjarige] hervat. De GI is voornemens deze voort te zetten. Het is volgens de GI niet in het belang van [voornaam minderjarige] als hij opnieuw geen contact met zijn vader heeft. De GI ziet geen veiligheidsrisico's voor [voornaam minderjarige] tijdens de contactmomenten. Daarbij acht de GI het van belang dat de overdracht niet door de ouders zelf plaatsvindt. Op dit moment wordt gewerkt aan een nieuw gezinsplan, waarna de aanvraag voor het KSCD-onderzoek kan worden afgerond. De moeder dient nog op het concept-gezinsplan te reageren. Volgens de GI is de opgestelde (concept)vraagstelling aan het KSCD voldoende ruim geformuleerd om ook de door de moeder voorgestelde vragen te kunnen beantwoorden, zodat aanpassing daarvan niet noodzakelijk is. Bovendien heeft de moeder nog de gelegenheid om voorstellen daarover te doen aan te GI. De GI acht het niet in het belang van [voornaam minderjarige] om de uitkomsten van het KSCD-onderzoek af te wachten alvorens de contactmomenten voort te zetten. Op grond van de beschikking van 24 februari 2026 heeft de GI volgens haar de ruimte om de contactmomenten te begeleiden. Dit valt volgens de GI niet onder het verlenen van jeugdhulp. De begeleide contactmomenten zijn goed verlopen en de vader laat daarbij passende opvoedvaardigheden zien. Over het incident dat [voornaam minderjarige] in zijn broek heeft geplast, kan de GI niet vaststellen of dit verband houdt met het contact met de vader. De GI heeft onvoldoende zicht op hoe [voornaam minderjarige] na de contactmomenten reageert in de thuissituatie van de moeder.
Voor de inzet van een speltherapeut ziet de GI op dit moment geen aanleiding. Eerst dient het KSCD-onderzoek te worden afgerond. Indien nodig kan daarna gerichte hulpverlening worden ingezet. De GI acht het een mogelijkheid om specialistische ambulante hulpverlening van Enver in te zetten, zodat een neutrale professional kan observeren hoe [voornaam minderjarige] reageert na het contact met beide ouders.
Ten aanzien van de verzoeken van de vader
Het contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en de vader dient onder begeleiding en regie van de GI te worden voortgezet. Ook acht de GI het van belang dat de moeder haar medewerking verleent en de schoolgang van [voornaam minderjarige] waarborgt. De GI acht het op dit moment echter niet wenselijk om een onafhankelijke professional in te zetten voor de begeleiding van de contactmomenten, gelet op het nog uit te voeren KSCD-onderzoek. De resultaten daarvan dienen eerst te worden afgewacht. Mogelijk kan in een later stadium een bijzondere curator worden benoemd.
Door en namens de vader wordt ter zitting het woord gevoerd aan de hand van de ter zitting overgelegde pleitnota. Daarbij en daarnaast wordt samengevat het volgende naar voren gebracht. De verzoeken van de moeder zijn gebaseerd op de onjuiste premisse dat de GI zich niet houdt aan de beschikking van 24 februari 2026. De moeder geeft een onjuiste, onvolledige dan wel beperkte uitleg aan de door haar overgelegde stukken. Het broekplassen kan niet in verband worden gebracht met de contactmomenten. [voornaam minderjarige] is nog jong en ongelukken kunnen gebeuren. Bovendien is tijdens de contactmomenten meermaals gevraagd of hij naar het toilet moest. De moeder probeert ten onrechte een negatief beeld te schetsen van het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader. De GI heeft aangegeven dat er geen zorgen zijn over de wijze waarop de contactmomenten verlopen. De ouders hebben een toxische relatiegeschiedenis en zijn meerder keren uit elkaar gegaan, ook gedurende de ondertoezichtstelling. De vader erkent dat hij in het verleden dingen anders had moeten aanpakken binnen de relatie en erkent ook dat het incident op 6 januari en zijn uitlatingen richting de jeugdbeschermer op 16 april van dit jaar nooit hadden mogen gebeuren. De vader volgt sinds 5 juni 2026 een traject gericht op emotieregulatie en leeft de schriftelijke aanwijzing na. Als het KSCD dit aangewezen acht, is de vader bereid om het vervolg van zijn traject bij een onafhankelijke aanbieder onder te brengen. Over de onderzoeksvraag aan het KSCD bestaat met de moeder geen verschil van mening. Het is niet in het belang van [voornaam minderjarige] om de GI te vervangen. Het lukt de ouders niet om onderling afspraken te maken over het contact met [voornaam minderjarige]. Om die reden acht de vader de regie van de GI noodzakelijk en dient het contactherstel tussen hem en [voornaam minderjarige] te worden voortgezet, zoals ook volgt uit de beschikking van de voorzieningenrechter. De zorgen van de moeder over de omgang van [voornaam minderjarige] met de vader worden niet ondersteund door Filomena, de politie of de GI.
5 De beoordeling
Op grond van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen die de uitvoering van de ondertoezichtstelling betreffen aan de kinderrechter worden voorgelegd. De kinderrechter neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Zij beproeft alvorens te beslissen een vergelijk tussen de betrokkenen.
De kinderrechter stelt op basis van het verhandelde ter zitting vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is en neemt de volgende beslissingen in het belang van [voornaam minderjarige].
Ten aanzien van de verzoeken van de moeder
Ten eerste verzoekt de moeder te bepalen dat de GI pas mag werken aan contactherstel tussen de vader en [voornaam minderjarige] indien uit de nog door het KSCD en Filomena te verrichten onderzoeken blijkt dat dit in het belang van [voornaam minderjarige] is.
De beschikking van 24 februari 2026 van de rechtbank ziet op het verzoek van de vader om vaststelling van een zorgregeling over [voornaam minderjarige]. De rechtbank heeft in deze beschikking overwogen dat zij onvoldoende is geïnformeerd over de vraag of het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader op dat moment in het belang van de minderjarige is en zo ja, hoe de contacten het best kunnen worden vorm gegeven. Gelet op het verblijf van de moeder met [voornaam minderjarige] op dat moment in een crisisopvang met ‘code rood’, ziet de rechtbank geen ruimte om een tijdelijke zorgregeling vast te stellen. De rechtbank heeft daarop aansluitend overwogen dat dit niet wegneemt dat de GI, als zij daartoe binnen de ondertoezichtstelling ruimte ziet, onder haar begeleiding en regie kan werken aan contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en de vader. De rechtbank heeft vervolgens de zaak (het verzoek van de vader) aangehouden tot een pro forma datum met het verzoek om de rechtbank voor die datum te informeren over de uitkomsten van de onderzoeken door het KSCD en Filomena. Bij beschikking van 11 maart 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 19 maart 2027. In deze beschikking heeft de kinderrechter vastgesteld da de GI (weer) is gestart met begeleide bezoeken tussen de vader en [voornaam minderjarige] en dat het positief is dat het eerste bezoek goed is verlopen. De GI zal de komende tijd nader onderzoek laten doen naar de wijze waarop de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige] verder vorm kan worden gegeven. De kinderrechter heeft voorts overwogen dat de GI dient te bewerkstelligen dat er rust komt en dat [voornaam minderjarige] een structureel en stabiel contact heeft met beide ouders.
Uit het vonnis van de voorzieningenrechter van 1 juli 2026 blijkt dat de moeder eind mei van dit jaar de contactmomenten tussen [voornaam minderjarige] en de vader heeft stopgezet. De voorzieningenrechter heeft benadrukt dat het belang van [voornaam minderjarige] vergt dat de contacten tussen hem en de vader op een veilige en begeleide manier worden hervat.
De kinderrechter concludeert op basis van de eerder genomen beslissingen dat de GI is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling en in dat kader de regie voert. Het is daarbij aan de GI om te beoordelen welke beslissingen en interventies in het belang van [voornaam minderjarige] noodzakelijk zijn. Begeleide omgang van de vader met [voornaam minderjarige] voldoet aan de in de hiervoor aangehaalde rechterlijke beslissingen gegeven kaders. Hierbij overweegt de kinderrechter dat het gegeven dat de rechtbank in haar beschikking van 24 februari jl. geen ruimte zag voor het vaststellen van een tijdelijke zorgregeling daaraan niet afdoet, nu de toen aanwezige feitelijke situatie dat de moeder met [voornaam minderjarige] met een ‘code rood’ kwalificatie in de crisisopvang verbleef, zich inmiddels niet meer voordoet.
Het is aan de GI om, met inachtneming van het belang en de veiligheid van [voornaam minderjarige], te bepalen op welke wijze invulling wordt gegeven aan het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Uit de beschikking van 11 maart jl. volgt dat de GI nader onderzoek zal (moeten) laten doen naar de wijze waarop dat contact verder vorm kan worden gegeven. Uit datgene wat nu in het kader van deze procedure naar voren is gebracht, is het de kinderrechter nog niet duidelijk op basis van welk onderzoek er mogelijk onbegeleid contact zal kunnen plaatsvinden met de vader. De GI zal dan ook moeten kunnen onderbouwen dat (eventuele) onbegeleide omgang of uitbreiding van de omgang op andere wijze passend, veilig en in het belang van [voornaam minderjarige] is. Dit is te meer van belang nu het onderzoek door het KSCD nog moet worden uitgevoerd. Tevens kan de briefrapportage van Filomena van 25 juni 2026 daarvoor niet toereikend worden geacht. Filomena geeft daarin zelf aan dat deze rapportage nog geen (volledige) analyse van de zaak bevat. Binnen deze kaders kan de GI de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader toestaan en (laten) faciliteren.
Dat wat hiervoor is overwogen betekent dat de GI niet zonder meer - niet zonder (nader) onderzoek - de omgang met de vader kan omzetten naar onbegeleide omgang. Dit betekent echter niet dat de kinderrechter aanleiding ziet om het eerste verzoek van de moeder toe te wijzen, nu de GI handelt binnen de kaders in de hiervoor gegeven beschikkingen en vonnis. De kinderrechter zal dit verzoek van de moeder dan ook afwijzen.
Ten tweede verzoekt de moeder om de onderzoeksvragen, die de GI heeft opgesteld voor het KSCD-onderzoek, te wijzigen. De GI heeft ter zitting de vragen die zijn geformuleerd onderzoek ten dele voorgelezen. De kinderrechter is van oordeel dat de vraagstelling, voor zover deze is voorgelezen, zodanig ruim is geformuleerd dat duidelijk is dat er aan het KSCD ruimte wordt gegeven om zich ook uit te laten over de vraag die eigenlijk voorop staat, namelijk of het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] in het belang is van [voornaam minderjarige]. Bovendien ligt de concept-vraagstelling nog voor bij de moeder, waarbij zij daarover haar reactie kan geven aan de GI. Dit verzoek wordt afgewezen.
Ten derde verzoekt de moeder te bepalen dat [voornaam minderjarige] een traumascreening zal krijgen en dat er ook een speltherapeut of kindbehartiger ten behoeve van [voornaam minderjarige] betrokken zal worden. De kinderrechter ziet daar de noodzaak nu niet van in. Daarbij weegt mee dat het KSCD nog geen onderzoek heeft gedaan. De kinderrechter is van oordeel dat de uitkomsten van dit onderzoek eerst dienen te worden afgewacht alvorens er gerichte hulpverlening kan worden ingezet. De kinderrechter is het met de GI eens dat ambulante specialistische hulpverlening vanuit Enver op dit moment voor het gezin meer passend zou kunnen zijn. Op die manier kan onderzoek worden gedaan naar zowel de opvoedsituatie bij de moeder als bij de vader thuis en dat is ook voor verdere uitbreiding van de omgangsregeling met de vader van belang. Nadat het KSCD-onderzoek is afgerond, kan er worden gekeken of hulpverlening voor [voornaam minderjarige], in welke vorm dan ook, noodzakelijk is. De kinderrechter wijst ook dit verzoek af.
Ten vierde verzoekt de moeder om een andere GI aan te stellen. In beginsel kan de kinderrechter, onder andere op verzoek van een met het gezag belaste ouder, de gecertificeerde instelling die is belast met de ondertoezichtstelling vervangen door een andere gecertificeerde instelling. De kinderrechter ziet daarvoor in dit geval onvoldoende aanleiding. Ter zitting is gebleken dat de samenwerking tussen de moeder en de vaste jeugdbeschermer verstoord is geraakt. De GI heeft aangegeven dat dit kan worden opgelost door een interne wijziging van jeugdbeschermer. In dat kader is ter zitting een nieuwe, ervaren jeugdbeschermer verschenen, afkomstig uit een ander team en niet eerder betrokken geweest bij het gezin. Daar komt bij dat er geen bereidverklaring of toezegging van een andere gecertificeerde instelling is overgelegd waaruit blijkt dat die instelling de uitvoering van de ondertoezichtstelling op zich kan en wil nemen. Voorts is het de vraag of vervanging van de GI in het belang van [voornaam minderjarige] is, omdat dit gepaard kan gaan met vertraging en wachttijden. De kinderrechter hoopt dat de ouders, met het belang van [voornaam minderjarige] voor ogen, de samenwerking met de nieuwe jeugdbeschermer een kans zullen geven en zich bereikbaar en meewerkend opstellen. Ook het verzoek tot vervanging van de GI wordt dan ook afgewezen.
Tot slot verzoekt de moeder in haar aanvullende verzoekschrift om te bepalen dat het de GI verboden wordt om zelf jeugdhulp te verlenen en de GI een dwangsom op te leggen bij elke overtreding. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het begeleiden van de contactmomenten tussen de vader en [voornaam minderjarige] moet worden aangemerkt als jeugdhulp en dat dit in strijd is met artikel 3.2, tweede lid, van de Jeugdwet.
De kinderrechter verwijst in dit verband naar de definitie van het begrip ‘jeugdhulp’ in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Uit deze begripsbepaling volgt niet dat het begeleiden van contactmomenten als jeugdhulp in de zin van de Jeugdwet moet worden aangemerkt. Het begeleiden van contactmomenten valt niet onder het verbod van artikel 3.2, tweede lid, van de Jeugdwet. De GI kan en mag in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling dan ook invulling geven aan het contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en de vader en de omgangsmomenten zelf begeleiden. De kinderrechter verwijst voorts naar dat wat hiervoor is overwogen onder 5.3.1. over nader onderzoek door of namens de GI naar verdere uitbreiding van de omgang. Dit verzoek van de moeder wordt afgewezen.
Ten aanzien van de verzoeken van de vader
De vader heeft in zijn verweerschrift, in reactie op de verzoeken van de moeder, tevens vier zelfstandige verzoeken ingediend. Voor zover de verzoeken in essentie zien op dezelfde onderwerpen (voortzetting contactherstel en inzet van hulpverlening voor [voornaam minderjarige] binnen het KSCD-traject), verwijst de kinderrechter naar hetgeen hiervoor is overwogen. De kinderrechter ziet geen aanleiding daarover nader te overwegen of om die verzoeken toe te wijzen. Voor zover het gaat om het verzoek te bepalen dat de moeder haar medewerking dient te verlenen aan de contactmomenten en de overdrachten, overweegt de kinderrechter dat een dergelijke medewerking volgt uit het kader van de ondertoezichtstelling. Indien de moeder haar medewerking weigert, heeft de GI daarvoor de nodige middelen, zoals het geven van een schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter ziet daarom geen aanleiding dit verzoek toe te wijzen. Het vierde verzoek, strekkende tot compensatie van de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zal de kinderrechter toewijzen, te meer nu daartegen geen verweer is gevoerd.
De kinderrechter overweegt tot slot dat het triest is dat de ouders op dit moment zo ver van elkaar verwijderd lijken te zijn dat zij alleen via de rechter of door tussenkomst van een derde met elkaar contact kunnen hebben. [voornaam minderjarige] heeft hen allebei nodig en het is niet in zijn belang dat zijn ouders een juridische strijd over hem blijven voeren. De kinderrechter wenst het [voornaam minderjarige] toe dat er in de nabije toekomst een situatie ontstaat, waarin hij onbelast contact kan hebben met beide ouders, de ruimte krijgt om van hen allebei te houden en dat de ouders rechtstreeks met elkaar contact kunnen hebben over zijn verzorging en opvoeding.
6 De beslissing
De kinderrechter:
wijst de verzoeken van de moeder af;
bepaalt - overeenkomstig het verzoek van de vader - dat ieder zijn of haar eigen proceskosten draagt;
wijst de overige verzoeken van de vader af.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A. Verweij, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2026, in aanwezigheid van mr. R. van der Zeeuw als griffier. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.[_de36affa-b9ff-4671-b233-136851ce891c]
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.