Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Rotterdam, 13 juli 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:10012Zaaknummer C/10/722380 / JE RK 26-1288 en C/10/722381 / JE RK 26-1289
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 13 juli 2026
- Publicatiedatum
- 19 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/10/722380 / JE RK 26-1288 en C/10/722381 / JE RK 26-1289
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Beschikking
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verlengen machtiging tot uithuisplaatsing en verzoek tot schorsen omgang afgewezen.
6 De beslissing
De kinderrechter:
ten aanzien van C/10/722380 / JE RK 26-1288
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin tot 28 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Ten aanzien van C/10/722381 / JE RK 26-1289
wijst af het verzoek.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van C.S. Montijn als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/722380 / JE RK 26-1288 en C/10/722381 / JE RK 26-1289
Datum uitspraak: 13 juli 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing en verzoek tot schorsing van een omgangsregeling
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen de GI,
over
ten aanzien van C/10/722381 / JE RK 26-1289
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [voornaam minderjarige 1],
ten aanzien van C/10/722380 / JE RK 26-1288 en C/10/722381 / JE RK 26-1289
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [voornaam minderjarige 2],
ten aanzien van C/10/722381 / JE RK 26-1289
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum 3] 2017 in [geboorteplaats],
hierna te noemen [voornaam minderjarige 3].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
ten aanzien van C/10/722380 / JE RK 26-1288 en C/10/722381 / JE RK 26-1289
[naam moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. M.P. Kloppenburg, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats],
advocaat mr. A. Aksü, kantoorhoudende in Rotterdam.
1 Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
ten aanzien van C/10/722380 / JE RK 26-1288
- de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 30 juni 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
ten aanzien van C/10/722381 / JE RK 26-1289
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 30 juni 2026, ontvangen op 30 juni 2026;
- het verweerschrift met bijlagen van mr. A. Aksü van 7 juli 2026, ontvangen op 7 juli 2026.
Op 13 juli 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder en haar advocaat;
- de vader en zijn advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, te weten [persoon A], die telefonisch is aangesloten.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2 De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 2].
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 3] wonen bij de moeder. [voornaam minderjarige 2] verblijft in een (netwerk)pleeggezin.
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 juni 2021 is een regeling van de
verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld, inhoudende dat [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] als volgt bij de vader verblijven:
- eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur;
- de helft van de vakanties.
Bij beschikking van 16 januari 2025 heeft de (kinder)rechter onder meer het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd, en bepaald dat het gezag over de minderjagen [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] voortaan de moeder toekomt.
Bij beschikking van 6 mei 2026 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verlengd tot 11 mei 2027.
Bij beschikking van 30 juni 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin verleend met ingang van 30 juni 2026 tot 28 juli 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.
3 De (aangehouden) verzoeken
De Gl verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] te verlenen voor de
duur van vier weken in een netwerkpleeggezin en hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen. Aansluitend verzoekt de Gl een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin voor de duur van een maand. De Gl verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Er moet nog worden beslist over het verlengen van de machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin voor de duur van een maand, te weten tot 28 augustus 2026.
De GI verzoekt om op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de omgangsregeling als volgt te wijzigen:
“de thans geldende zorg- en omgangsregeling, inhoudende dat [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] eenmaal per veertien dagen van vrijdag na schooltijd tot zondag 17:00 uur bij vader verblijven, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties, met onmiddellijke ingang tijdelijk te schorsen voor de duur van vier weken. Gedurende deze periode vindt geen uitvoering plaats van de vastgestelde weekendregeling en de vakantieregeling.”
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
De GI heeft ter zitting het resterende deel van het verzoek ten aanzien van [voornaam minderjarige 2] gehandhaafd en het verzoek ten aanzien van de omgang gewijzigd in die zin dat verzocht wordt de omgang tussen de vader en [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] (hierna: de kinderen) te schorsen voor de duur van acht weken. De verzoeken zijn als volgt nader toegelicht.
Er zijn geen signalen van onveiligheid bij de vader. De kinderen geven echter aan dat zij van de vader negatief over de moeder moeten praten. Er is sprake van een patroon waarbij de vader direct telefonisch contact met de GI opneemt zodra de kinderen bij hem zijn en aangeven dat zij door de moeder worden mishandeld. Het gedrag van [voornaam minderjarige 1], [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] wordt daarnaast beïnvloed door de vader. Als de kinderen na de omgang met de vader bij de moeder terugkeren laat [voornaam minderjarige 2] erg opstandig gedrag zien, waarin zij [voornaam minderjarige 3] meeneemt. Het is van belang dat de kinderen stabiliseren en rust ervaren. Er is meer rust bij de moeder thuis nu de kinderen geen omgang met de vader hebben. Hulp van ASVZ is bij de moeder thuis ingezet om kindermishandeling in de thuissituatie bij de moeder te voorkomen. De moeder stelt zich meer open en werkt samen met de GI en ASVZ. De GI heeft tot op heden geen hulpverlening bij de vader kunnen inzetten.
[voornaam minderjarige 2] kan langer in het pleeggezin blijven en met het pleeggezin mee op vakantie. Het plan is om de komende periode ASVZ drie keer per week bij de moeder thuis in te zetten, halverwege de vakantie een herstelgesprek met de moeder en de hulpverlening te plannen en [voornaam minderjarige 2] vervolgens weer bij de moeder thuis te plaatsen. Als duidelijk is hoe dat verloopt, is de GI van plan om de omgang met de vader in de vorm van begeleide bezoeken te hervatten. Tot die tijd is in het belang van de kinderen om de omgang met de vader voor de duur van acht weken te schorsen.
Namens de vader heeft zijn advocaat zich ter zitting niet verzet tegen het verzoek ten aanzien van een machtiging uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2]. Wel heeft de advocaat namens de vader verzocht om het verzoek ten aanzien van het schorsen van de omgang af te wijzen. Ter onderbouwing hiervan is het volgende aangevoerd. Het verzoek van de GI om de omgang met de vader te schorsen is onvoldoende onderbouwd. Door de GI is niet onderbouwd dat het gedrag van de vader tot problemen bij de kinderen leidt. De zorgen van de vader over kindermishandeling door de moeder zijn door de GI niet serieus genomen. Na jaren is bevestigd dat er bij de moeder thuis sprake is van kindermishandeling. De vader kan niet worden gestraft voor het beschermen van de kinderen.
Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting aangegeven dat de moeder de verzoeken van de GI ondersteunt en heeft het volgende aangevoerd. Het gezag van de vader is niet voor niets beëindigd. Jarenlang heeft de vader hulpverlening geweigerd. Hij heeft continue strijd met de jeugdbeschermer. De moeder kan niet anders dan de strijd aangaan. De problemen die er zijn, volgen uit het loyaliteitsconflict. De kinderen lijken te worden beïnvloed om aan te geven dat zij mishandeld zijn. Elke week contact opnemen en melding maken van kindermishandeling is ook een vorm van kindermishandeling.
5 De beoordeling
Ten aanzien van C/10/722380 / JE RK 26-1288
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[_b663f0ea-79ff-442e-8ba2-b6b3621367a8]
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er zorgen zijn over de veiligheid van [voornaam minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder. Op 28 juni 2026 is [voornaam minderjarige 2] bij de moeder ernstig ontregeld geraakt, waarbij [voornaam minderjarige 2] spullen heeft vernield, de moeder heeft geprovoceerd en zorgwekkende uitspraken heeft gedaan. Vervolgens heeft [voornaam minderjarige 2] een nacht bij een vriendin van de moeder verbleven en is zij een dag later naar de woning van de moeder teruggekeerd. Op 30 juni 2026 heeft de moeder aangegeven dat het met [voornaam minderjarige 2] opnieuw niet goed gaat en dat zij de verzorging en opvoeding van [voornaam minderjarige 2] op dat moment niet aankon. [voornaam minderjarige 2] is daaropvolgend met een spoedmachtiging in het netwerk bij een vriendin van de moeder geplaatst. Er is geen verweer gevoerd tegen een voortzetting van deze tijdelijke plaatsing van [voornaam minderjarige 2] in het netwerk.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een netwerkpleeggezin verlengen voor de resterende duur van een maand, te weten tot 28 augustus 2026. Het is van belang dat [voornaam minderjarige 2] tot rust komt en de situatie thuis stabiliseert Het is positief dat moeder hulpverlening accepteert. Het is dan ook van belang dat de moeder mee blijft werken met de ingezette hulpverlening van ASVZ en dat de komende periode duidelijk wordt of [voornaam minderjarige 2] al dan niet terug kan naar moeder thuis.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van C/10/722381 / JE RK 26-1289
Op grond van artikel 1:265g eerste lid van het BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de ouders na hun scheiding al jarenlang met elkaar strijden. De ouders zien niet, althans onvoldoende, in dat juist hun gedrag en onderlinge strijd van invloed is op de ontwikkeling en het gedrag, maar ook op de veiligheid van de kinderen. Bij de moeder ziet de kinderrechter een patroon waarbij zij niet meewerkt aan de door de rechtbank opgelegde omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Bovendien is gebleken dat de kinderen in een onveilige en instabiele opvoedsituatie bij de moeder opgroeien, waarbij ook door Veilig Thuis is geconstateerd dat sprake is van kindermishandeling. Deze omstandigheden bij de moeder leiden tot gevoelens van frustratie bij de vader, waarbij hij elk signaal van onveiligheid bij Veilig Thuis en de GI meldt. Dit is uiteraard ook niet wenselijk. De vader heeft geen gezag meer, dit is ook niet zonder reden. Hij zal moeten accepteren dat hij geen gezag meer heeft. Daarnaast moet hij ook leren om de kinderen niet te belasten met zijn zorgen en negatieve uitlatingen over de moeder. Kinderen hebben recht op onbelaste omgang met beide ouders. Hier zijn beide ouders verantwoordelijk voor. Gelet op alle omstandigheden is het helaas niet te verwachten dat de ouders hun onderlinge strijd binnen afzienbare tijd zullen staken. De kinderrechter stelt dan ook dat blijvend sprake is van een onaanvaardbaar risico dat de kinderen klem of verloren dreigen te raken tussen de ouders, als dat niet al is gebeurd.
De vraag is of aan voorgaande de conclusie moet worden verbonden dat de omgangsregeling met de vader moet worden geschorst, zoals verzocht door de GI.
In wat door de GI is gesteld, ziet de kinderrechter op dit moment onvoldoende redenen om de omgangregeling te schorsen. Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting is niet gebleken dat sprake is van een veiligheidsrisico voor de kinderen bij de vader thuis. Door de GI is onvoldoende onderbouwd dat het gedrag van de vader tot problemen bij de kinderen leidt. Dit moet tenslotte nog nader worden onderzocht. De zorgen over de invloed van de jarenlange strijd tussen de ouders op de kinderen zijn terecht, maar rechtvaardigen op dit moment niet een schorsing van de omgang met de vader.
Bij de beoordeling houdt de kinderrechter ook rekening met volgende. De vader heeft geen gezag meer over de kinderen en is reeds beperkt in de omgang. Het directe gevolg van een schorsing van de omgang zou niet alleen zijn dat de vader en de kinderen elkaar tijdelijk niet kunnen zien, maar ook dat zij niet samen op de geplande vakantie kunnen gaan. Dat maakt dat deze schorsing een forse inbreuk zou hebben op de omgangsregeling en daarmee ook op het recht van de kinderen op omgang met de vader. Een vakantie geeft de kinderen bovendien ook de kans om langere tijd, hopelijk zonder bijkomende spanningen, bij hun vader te zijn.
De kinderrechter wijst het verzoek van de GI dus af. De kinderrechter spreekt daarbij de hoop uit dat de moeder en de vader de uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 zullen naleven.
6 De beslissing
De kinderrechter:
ten aanzien van C/10/722380 / JE RK 26-1288
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 2] in een netwerkpleeggezin tot 28 augustus 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Ten aanzien van C/10/722381 / JE RK 26-1289
wijst af het verzoek.
| Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2026 door mr. J. Groot, kinderrechter, in aanwezigheid van C.S. Montijn als griffier, en op schrift gesteld op 16 juli 2026. |
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
- degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.