Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Rotterdam, 18 juli 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:6480Zaaknummer 24-1964
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 18 juli 2024
- Publicatiedatum
- 19 juli 2024
- Zaaknummer
- 24-1964
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Herziening
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Veelprocedeerder. Derde herzieningsverzoek van bodemuitspraak van de voorzieningenrechter in dezelfde zaak. Om twee redenen is het verzoek niet-ontvankelijk: er wordt geen "BOBOG" gehonoreerd wegens misbruik van recht, zodat verzoeker in verzuim is griffierecht te voldoen, en voorts is ook dit derde verzoek ruimschoots een jaar na de eerste uitspraak ingediend. Ten overvloede wijst de voorzieningenrechter er op dat er geen nova zijn, zodat herziening ook inhoudelijk niet mogelijk is.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 juli 2024
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraakstaat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 24/1963 en ROT 24/1964
uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juli 2024 als bedoeld in artikel 8:86 in verbinding met artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek van
[Naam], te [Plaats], verzoeker,
tot herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juni 2022 (ROT 22/1660 en ROT 22/1675).
Inleiding
1. Bij uitspraak van 8 juni 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:4441) heeft de voorzieningenrechter het beroep van verzoeker tegen een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
2. Bij uitspraak van 22 november 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:10012) heeft de voorzieningenrechter het eerste verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 8 juni 2022 niet-ontvankelijk verklaard. De Centrale Raad heeft zich bij uitspraak van 16 januari 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:81) onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van 22 november 2022.
3. Bij uitspraak van 20 december 2023 (ECLI:NL:RBROT:2023:11931) heeft de voorzieningenrechter het tweede verzoek van verzoeker om herziening van de uitspraak van 8 juni 2022 niet-ontvankelijk verklaard.
4. Op 13 februari 2024 heeft verzoeker opnieuw verzocht om herziening van de uitspraak van 8 juni 2022.
Beoordeling
5. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting. Voor de motivering wijst de voorzieningenrechter op eerdere rechtspraak waarbij verzoeker partij was (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2024:768 en ECLI:NL:RBROT:2020:9821 en ECLI:NL:RBROT:2022:10030).
6. Van een uitspraak op een verzoek om een voorlopige voorziening voor zover daarin niet zelf in de hoofdzaak wordt voorzien, kan niet om herziening worden gezocht (zie ECLI:NL:RBROT:2016:460). Daarom zal de voorzieningenrechter het verzoek om herziening aanmerken als te zijn gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter voor zover daarin is beslist op de hoofdzaak als bedoeld in artikel 8:86 van de Awb. Gelet hierop is zaaknummer ROT 24/1963 ten onrechte aangelegd.
7. Om de volgende redenen kan het herhaalde verzoek om herziening van de uitspraak van 8 juni 2022 niet leiden tot het door verzoeker beoogde resultaat.
8. Verzoeker heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht. Verzoeker is door de griffier terecht geen ontheffing verleend van de verplichting het griffierecht te voldoen, omdat sprake is van misbruik van recht. De voorzieningenrechter volstaat in dit verband met een verwijzing naar de uitspraak van 22 november 2022. Omdat verzoeker niet binnen de geboden termijn het verschuldigde griffierecht heeft voldaan, is verzoeker in verzuim het griffierecht te voldoen. Gelet op artikel 8:41, zesde lid, in verbinding met artikel 8:119, tweede lid, van de Awb is het verzoek reeds om die reden niet-ontvankelijk.
9. In de tweede plaats dient naar vaste rechtspraak (onder meer ECLI:NL:HR:2015:357) binnen een jaar om herziening te worden verzocht van de oorspronkelijke uitspraak die geen betrekking heeft op boeteoplegging. Nu deze termijn is overschreden vormt die termijnoverschrijding eveneens een reden om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.
10. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Uit artikel 8:119, eerste lid, van de Awb volgt dat de bestuursrechter uitsluitend op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien op grond van feiten of omstandigheden die: (a) hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak, (b) bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en (c) waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden. Wat verzoeker heeft aangevoerd, zijn geen nieuwe feiten die na de uitspraak aan het licht zijn gekomen, maar vormde juist de inzet van die procedure (vgl. ECLI:NL:RVS:2023:1441 en ECLI:NL:CRVB:2023:706). Dus ook inhoudelijk zou het verzoek nimmer ingewilligd kunnen worden.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 18 juli 2024
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraakstaat geen rechtsmiddel open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:CRVB:2026:191 Centrale Raad van Beroep, 17 februari 2026 (socialezekerheidsrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:11593 Rechtbank Rotterdam, 22 november 2024 (bestuursprocesrecht)
- ECLI:NL:RBROT:2024:11383 Rechtbank Rotterdam, 15 november 2024 (bestuursprocesrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.