Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Rotterdam, 22 maart 2024
ECLI:NL:RBROT:2024:2596Zaaknummer 10627919 CV EXPL 23-21181
- Instantie
- Rechtbank Rotterdam
- Datum uitspraak
- 22 maart 2024
- Publicatiedatum
- 10 april 2024
- Zaaknummer
- 10627919 CV EXPL 23-21181
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Rotterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Is rechtsgeldig opdracht gegeven voor de gefactureerde werkzaamheden? Eindvonnis na bewijslevering.
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen € 173,57 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 133,57 vanaf 3 maart 2019 tot de dag dat volledig is betaald;
bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
43416
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10627919 CV EXPL 23-21181
datum uitspraak: 22 maart 2024
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: gerechtsdeurwaarder E.S.A. Wiggers,
tegen
1 [gedaagde 1],
woonplaats: [woonplaats],
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats],
voormalig vennoten van de inmiddels ontbonden vennootschap onder firma [naam V.O.F.],
gedaagden,
die zelf procederen.
De partijen worden hierna ‘ [eiseres] ’, ‘ [gedaagde 1] ’ en ‘ [gedaagde 2] ’ genoemd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden hierna tezamen aangeduid als ‘ [gedaagde 1] c.s.’.
De inmiddels ontbonden vennootschap onder firma [naam V.O.F.] wordt hierna ‘ [naam V.O.F.] ’ genoemd.
1 De procedure
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
- het tussenvonnis van 15 december 2023 en de daarin genoemde stukken;
- de akte bewijs met bijlagen van [eiseres];
- de mondelinge reactie van [gedaagde 1] c.s.
2 De verdere beoordeling
Bewijsopdracht
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter [eiseres] opgedragen om te bewijzen dat namens [naam V.O.F.] rechtsgeldig opdracht is gegeven voor de gefactureerde werkzaamheden aan de Komatsu en de huur van een vervangende vorkheftruck tijdens reparaties aan de Komatsu.
Het geleverde bewijs en de reactie daarop
[eiseres] heeft in aanvulling op de eerder overgelegde stukken bij akte een werkbon en betalingsbewijs in het geding gebracht. Volgens [eiseres] blijkt hieruit dat een van haar monteurs op 16 april 2018 werkzaamheden heeft verricht aan de Komatsu en dat de factuur voor deze werkzaamheden (met factuurnummer [factuurnummer]) door [naam V.O.F.] is voldaan. [eiseres] voert daarbij aan dat hieruit volgt dat [naam V.O.F.] ten tijde van de facturatie eigenaar was van de Komatsu en daarom aansprakelijk is voor betaling van de overige facturen die verband houden met de Komatsu.
[gedaagde 1] c.s. hebben tijdens een rolzitting mondeling gereageerd op de akte van [eiseres]. Zij blijven bij hun eerdere verweer dat de Komatsu zonder dat zij dat wisten op hun naam is gezet door een voormalige zakenpartner, dat zij de eerste factuur alleen uit coulance hebben betaald en dat zij geen opdracht hebben gegeven voor de reparaties die daarna aan de Komatsu zijn uitgevoerd.
De beoordeling van het bewijs in samenhang met de eerder overgelegde stukken
Anders dan [eiseres] stelt, betekent het feit dat [naam V.O.F.] een eerdere factuur heeft betaald, niet automatisch dat de daarna gestuurde facturen voor andere werkzaamheden aan de Komatsu ook verschuldigd zijn. Hetzelfde geldt voor het feit dat de Komatsu op naam van [naam V.O.F.] stond. Voor de verschuldigdheid van de facturen is namelijk van belang of er wel opdracht voor de betreffende werkzaamheden is gegeven en daarvan is, zoals hierna wordt uitgelegd, niet gebleken.
Volgens [eiseres] hebben [gedaagde 1] c.s., zoals tussen partijen gebruikelijk was, steeds mondeling (telefonisch) opdracht gegeven voor de gefactureerde werkzaamheden. [gedaagde 1] c.s. hebben niet betwist dat dit de gebruikelijke gang van zaken was, maar voor de Komatsu was dit anders. [gedaagde 2] heeft namelijk in zijn e-mail 15 augustus 2018 aan [eiseres] verzocht om alleen kosten voor de Komatsu bij [naam V.O.F.] in rekening te brengen na zijn akkoord. De facturen hebben betrekking op de periode ná 15 augustus 2018 en [eiseres] had er dus alert op moeten zijn dat zij pas werkzaamheden moest verrichten na een uitdrukkelijke akkoordverklaring van [gedaagde 2] en dat een opdracht van de persoon die zich eerder met de Komatsu bij [eiseres] had gemeld daartoe niet voldoende zou zijn. Dat is ook in lijn met de informatie die was geregistreerd in het handelsregister van de Kamer van Koophandel, namelijk dat alleen [gedaagde 1] c.s. bevoegd waren om [naam V.O.F.] te vertegenwoordigen.
De vermelding van de naam en het telefoonnummer van [gedaagde 2] op een werkbon kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden gezien als bewijs dat [gedaagde 2] mondeling heeft verklaard akkoord te zijn met de werkzaamheden of daartoe opdracht heeft geven. De werkbon is gemaakt door [eiseres] zelf, de gegevens van [gedaagde 2] waren gelet op de eerdere samenwerking bij haar bekend en een handtekening voor akkoord of andere schriftelijke bevestiging ontbreekt.
Ook ten aanzien van de huurovereenkomst is niet gebleken dat deze rechtsgeldig tot stand is gekomen. Bewijsstukken van een mondelinge opdracht of akkoord ontbreken en de door [eiseres] bij dagvaarding in het geding gebrachte huurovereenkomst is niet ondertekend.
Conclusie
[eiseres] is niet geslaagd in haar bewijsopdracht, omdat niet vast is komen te staan dat namens [naam V.O.F.] rechtsgeldig opdracht is gegeven voor de gefactureerde werkzaamheden en ook niet dat [gedaagde 1] c.s. daarmee mondeling dan wel schriftelijk akkoord zijn gegaan. Zij hoeven daarom alleen de factuur van € 133,57 voor de Mitsubishi te betalen.
Buitengerechtelijke incassokosten
Als vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt € 40,- toegewezen. Aan alle voorwaarden om een vergoeding voor deze kosten te krijgen is voldaan (artikel 6:96 BW). Wel zijn de buitengerechtelijke incassokosten alleen berekend over het bedrag dat is toegewezen.
Rente
De rente wordt toegewezen over € 133,57 vanaf de datum van verzuim, te weten 3 maart 2019 (30 dagen na 1 februari 2019). [eiseres] heeft namelijk voor dit bedrag genoeg gesteld waaruit volgt deze rente moet worden betaald en [gedaagde 1] c.s. hebben dat niet betwist.
Proceskosten
De kantonrechter bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen, omdat zij allebei deels ongelijk krijgen. Dat betekent dat zij geen vergoeding hoeven te betalen voor de kosten die de andere partij heeft gemaakt.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
3 De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen € 173,57 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119a BW over € 133,57 vanaf 3 maart 2019 tot de dag dat volledig is betaald;
bepaalt dat partijen de eigen proceskosten dragen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Vriezen en in het openbaar uitgesproken.
43416
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.